Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/8.1
8.1 Inspanningsvertrouwen
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS454592:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor kleine rechtshulp is dit terug te zien in artikel 552k lid 1 Sv (‘Voorzover het verzoek is gegrond op een verdrag, wordt daaraan zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven’) en het daarop gebaseerde algemene toetsingskader voor rechtshulpverzoeken dat de Hoge Raad in zijn jurisprudentie inmiddels als vaste rechtspraak aanhaalt: ‘Als uitgangspunt heeft te gelden dat, indien het verzoek is gegrond op een verdrag[,] aan dat verzoek ingevolge art. 552k, eerste lid, Sv zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven. Deze bepaling dient aldus te worden verstaan dat slechts van inwilliging van het verzoek kan worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen, die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag onderscheidenlijk de wet, in het bijzonder art. 552l Sv, dan wel indien door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht.’, zie HR 19 maart 2002, NJ 2002, 580, r.o. 3.4; HR 19 maart 2002, LJN ZD2927, r.o. 3.4; HR 19 maart 2002, LJN ZD2928, r.o. 3.4; HR 13 mei 2003, NJ 2004, 40, r.o. 3.3; HR 3 juni 2003, LJN AF6604, r.o. 3.4; HR 2 november 2004, NJ 2005, 27, r.o. 3.3; HR 18 januari 2005, NJ 2005, 407, r.o. 5.4.
Zie Hof Leeuwarden 16 juni 1987, NJ 1987, 896, r.o. 3.6; Hof Arnhem 7 juli 1987, NJ 1988, 86, r.o. 6-7; Hof Arnhem 13 juli 1987, NJ 1988, 227; Hof Amsterdam 14 maart 2002, Nieuwsbrief Strafrecht 2002, 175.
Dit is vooral te zien aan de afwezigheid van weigeringsgronden betreffende deze beide aspecten en de zeer beperkte mogelijkheden voor het voeren van een onschuldverweer. Ook de strikte benadering van mensenrechten verweren die de berechting dan wel strafexecutie na uitlevering betreffen illustreren dit. Zie daarover nader hoofdstuk 11.
Zie nader hoofdstuk 11.
Zie art. 28 lid 3 WOTS: ‘De rechtbank is gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Zij treedt niet in een nieuw onderzoek naar deze feiten.’ Zie verder bijv. art. 11 lid 1, aanhef en onder a. VOGP en voor een voorbeeld uit de jurisprudentie Rb Roermond 17 januari 1989, NJ 1989, 373. Overigens dient hier te worden opgemerkt dat de Nederlandse autoriteiten de feiten wel zelfstandig naar Nederlands recht dienen te kwalificeren bij de vaststelling van het strafmaximum naar Nederlands recht. Zij treden echter niet in het oordeel dat de feiten naar vreemd recht een bepaald strafbaar feit opleveren. Ook van andere onderdelen van de veroordeling, zoals het bestaan van vervolgingsrecht in de vreemde staat, heeft de exequaturrechter uit te gaan. Zie voor een extreem voorbeeld, waarin de veroordeelde eerder door Nederland aan Frankrijk was uitgeleverd en de Franse rechter het verweer dat het specialiteitsbeginsel na uitlevering was geschonden, had verworpen: HR 9 september 2003, NJ 2003, 698, r.o. 3.4. Zie voor een vergelijkbaar voorbeeld HR 6 november 2007, LJN BB3996, r.o. 3.3. Zelfs in een dergelijk geval treedt de Nederlandse rechter niet in de beoordeling van het (aan de vreemde autoriteiten toekomende) vervolgingsrecht. Uitzonderingen op het in beginsel vrij sterke uitgangspunt van vertrouwen op de veroordeling door de rechter van de vreemde staat, gelden bij een verstekveroordeling en bij andere mogelijke schendingen van in mensenrechtenverdragen vervatte normen. Zie over dat laatste hoofdstuk 11. Afhankelijk van het toepasselijke verdrag kan in de overnemende staat verzet worden gedaan (art. 45 lid 2 WOTS). Zie hierover nader D.J.M.W. Paridaens, De overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen, Een onderzoek naar de voorwaarden naar Nederlands recht, Arnhem: Gouda Quint 1994, p. 82-84, 99-100 en 196 e.v. en uitgebreid H.D. Sanders, De tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen, Antwerpen: Intersentia 2004, p. 201-219. Verdedigbaar is dat dan eerder sprake is van overname van strafvervolging dan van overname van executie, zie D.J.M.W. Paridaens, De overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen, Een onderzoek naar de voorwaarden naar Nederlands recht, Arnhem: Gouda Quint 1994, p. 83.
HR 26 juni 1990, NJ 1991, 188, m.nt. Swart, r.o. 5.1; HR 26 juni 1990, NJ 1991, 190, m.nt. Swart, r.o. 5.1; HR 26 juni 1990, NJ 1991, 192, r.o. 5.1.
HR 26 juni 1990, NJ 1991, 188, m.nt. Swart, r.o. 5.2; HR 26 juni 1990, NJ 1991, 190, m.nt. Swart, r.o. 5.2; HR 26 juni 1990, NJ 1991, 192, r.o. 5.2; HR 21 december 1993, NJ 1995, 199, m.nt. Swart, r.o. 5.1.1.
HR 26 juni 1990, NJ 1991, 188, m.nt. Swart, r.o. 5.2; HR 26 juni 1990, NJ 1991, 190, m.nt. Swart, r.o. 5.2; HR 26 juni 1990, NJ 1991, 192, r.o. 5.2; HR 21 december 1993, NJ 1995, 199, m.nt. Swart, r.o. 5.1.1, opnieuw verwijzend naar de MvT bij de WOTS.
HR 26 juni 1990, NJ 1991, 188, m.nt. Swart, r.o. 5.2; HR 26 juni 1990, NJ 1991, 190, m.nt. Swart, r.o. 5.2; HR 26 juni 1990, NJ 1991, 192, r.o. 5.2. Zie ook HR 21 december 1993, NJ 1995, 199, m.nt. Swart, r.o. 5.1.2 en HR 18 mei 2004, NJ 2004, 511, r.o. 3.5.
Zie bijv. art. 13 lid 2 van het in het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 26 oktober 1988, Trb. 1989, 13.
Zie par. 8.2.
Zie hierover N. Rozemond, Begrensd vertrouwen, Mensenrechtenbescherming bij uitlevering en overlevering (Preadvies voor de vergadering van de Christen Juristen Vereniging op 15 mei 2009), Zutphen: Paris 2009, i.h.b. p. 29-33.
Al is ook dat niet helemaal absoluut, want als op voorhand kan worden aangetoond dat in de andere staat tegen een schending geen effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM zal kunnen worden aangewend, verschuift de verantwoordelijkheid weer.
Zie uitgebreid over startinformatie uit het buitenland: S. Brinkhoff, Startinformatie in het strafproces (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014, p. 247 e.v.
HR 16 november 1999, NJ 2000, 214, m.nt. Reijntjes, r.o. 6.4.
HR 31 januari 2006, NJ 2006, 365, m.nt. Reijntjes, r.o. 4.4 en de samenhangende zaak HR 31 januari 2006, LJN AU3426, zaaknr. 00135/05, r.o. 4.4. Deze uitzondering is met name gebaseerd op de benadering van het EHRM in de zaak-Echeverri Rodriguez tegen Nederland, EHRM 27 juni 2000, 43286/98 (Echeverri Rodriguez/Nederland; NJ 2002, 102, m.nt. Schalken). Van welke bijzondere omstandigheden dan sprake dient te zijn, is niet zonder meer duidelijk, maar vermoedelijk betreft het gevallen waarin bijv. sprake is van uitlokking of andere onrechtmatigheden die het recht op een eerlijk proces onherstelbaar en in de kern raken.
Zie bijv. HR 16 november 1999, NJ 2000, 214, r.o. 6.3. Zie ook het oordeel van het Hof zoals weergegeven in HR 31 januari 2006, NJ 2006, 365 en HR 31 januari 2006, LJN AU3426, zaaknr. 00135/05.
Zie HR 18 november 1986, NJ 1987, 416 en vooral HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 134.
Zie de omstandigheden van het geval in HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 134.
HR 8 november 1988, NJ 1989, 619.
Art. 9, derde lid, aanhef en onder b. van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika: ‘Bij een verzoek tot uitlevering met betrekking tot een persoon die wordt gezocht met het oog op vervolging dienen te worden gevoegd: (…) het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte Staat, de aanhouding en dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen indien het feit in die Staat zou zijn gepleegd (…)’; art XIII, eerste volzin (‘De uitlevering zal geen plaats vinden, tenzij er voldoende bewijs bestaat, volgens de wetten van den Staat, aan welken de uitlevering is aangevraagd, (…) om eene verwijzing naar de openbare terechtzitting te rechtvaardigen, indien het misdrijf zou zijn gepleegd binnen het grondgebied van bedoelden Staat’) jo. art. XII, aanhef en tweede lid onder b (‘De uitlevering zal alleen worden toegestaan op vertoon van het orgineel [sic, TK] of van een gewaarmerkt afschrift – (…) Van de bewijsstukken’) van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland tot uitlevering van misdadigers. Het Verdrag tussen Nederland en Canada stelt die eis slechts voor verzoeken van Nederland: art. 7, eerste lid, aanhef en onder b., aanhef en onder (ii) van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake uitlevering: ‘De volgende stukken worden ter ondersteuning van een verzoek om uitlevering overgelegd (…) in geval van een persoon die wordt verdacht van een strafbaar feit (…) ter ondersteuning van verzoeken van het Koninkrijk der Nederlanden, bewijsmateriaal dat verwijzing naar de terechtzitting van de opgeëiste persoon zou rechtvaardigen.’ Hieraan is goed te zien dat de eis voortvloeit uit de Angelsaksische opvattingen aangaande uitlevering, aangezien het naar Nederlandse opvattingen kennelijk niet nodig wordt geacht dat dergelijk bewijs wordt meegezonden. Deze constructie roept evenwel vragen in verband met het beginsel van wederkerigheid op, welke vragen echter niet aan de orde kunnen komen in een concrete uitleveringszaak.
Voor de inhoudelijke beoordeling van het bewijsmateriaal zoekt de Hoge Raad aansluiting bij de procedures geregeld in de artikelen 250 en 262 Sv (bezwaarschrift tegen de kennisgeving van verdere vervolging en tegen de dagvaarding): HR 3 april 1973, NJ 1974, 407; HR 18 januari 1983, NJ 1983, 326; HR 21 oktober 1986, NJ 1987, 257; HR 1 februari 1994, NJ 1994, 266; HR 19 april 2005, LJN AT4110; HR 20 september 2005, NJ 2006, 407, zie ook HR 2 mei 1989, NJ 1989, 773. Beslissend is dan uiteindelijk de vraag of, indien de opgeëiste persoon voor een Nederlandse rechter zou zijn vervolgd, het niet hoogst onwaarschijnlijk zou zijn dat deze, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering de ten laste gelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zou achten.
In een enkel geval sluit het verdrag zelfs expliciet uit dat enig bewijs meegestuurd zou moeten worden, zie art. 8, laatste volzin, van het oude Verdrag betreffende uitlevering en rechterlijken bijstand in strafzaken tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Tsjechoslowakije: ‘En aucun cas l’Etat requérant ne pourra être tenu à produire la preuve de la culpabilité de l’individu réclamé.’ Hierbij zij wel opgemerkt dat het meesturen van bewijs kan worden onderscheiden van het toetsen van de schuldvraag, al bestaat daartussen wel sterke samenhang.
Kamerstukken II 1964/65, 8054, nr. 3 (MvT), p. 15.
Zie bijv. HR 8 juli 2003, NJ 2003, 648. Zie voor een geslaagd onschuldverweer HR 14 juni 1977, NJ 1977, 522 en HR 28 oktober 1997, NJ 1998, 212.
HR 5 december 1972, NJ 1973, 285; HR 31 augustus 1981, NJ 1982, 154; HR 31 augustus 1982, NJ 1983, 247; HR 28 mei 1985, NJ 1985, 892.
HR 9 maart 1971, NJ 1971, 306; HR 6 september 1977, NJ 1978, 500; HR 23 mei 1978, NJ 1979, 8; HR 23 mei 1978, NJ 1979, 9; HR 5 september 1978, NJ 1979, 82; HR 20 mei 1980, NJ 1980, 539; HR 28 november 1989, NJ 1990, 277. In HR 15 december 1981, NJ 1982, 271 kende het toepasselijke verdrag (Overeenkomst tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Servië tot regeling der wederzijdsche uitlevering van misdadigers, Trb. 1897, 42) een enumeratiestelsel. In dat geval dient de uiteenzetting voldoende te zijn om te beoordelen of sprake is van een delict waarvoor het verdrag uitlevering mogelijk maakt.
HR 7 november 1978, NJ 1979, 188. Zie nader de conclusie van Jörg, paragrafen 6 t/m 12, voor HR 7 mei 2004, NJ 2007, 276.
HR 2 maart 1976, NJ 1976, 415; HR 9 november 1976, NJ 1977, 75; HR 8 mei 1978, NJ 1978, 314; HR 31 augustus 1982, NJ 1983, 247; HR 1 juli 1986, NJ 1987, 279.
HR 31 augustus 1982, NJ 1983, 247.
Inherente onderdelen van het strafproces
Een vorm van inspanningsvertrouwen is om te beginnen in veel gevallen zichtbaar waar het gaat om vrij basale uitgangspunten die samenhangen met de aard van een bepaalde vorm van rechtshulp. Zo kan voor kleine rechtshulp gewezen worden op het uitgangspunt dat in de verzoekende staat sprake is van een fatsoenlijke rechtspleging, zowel voor als na verlening van de rechtshulp.1 De berechting en eventuele bestraffing na overdracht van de strafvervolging is hiervan ook een voorbeeld,2 evenals de berechting na uitlevering dan wel de executie van de straf na uitlevering.3 In deze gevallen is de verwachting immers niet zonder meer dat het beoogde resultaat – rechtmatige opsporing, een eerlijke berechting, een juiste behandeling in detentie – in alle gevallen wordt bereikt. Veeleer is de verwachting dat de autoriteiten van de andere staat zich daartoe zullen inspannen.
Bepaalde bijzondere omstandigheden, met name in de sfeer van reële vrees voor flagrante schending van bepaalde mensenrechten, kunnen tot afwijzing van het verzoek leiden. De verwachting dat de autoriteiten van de andere staat zich zullen inspannen om die mensenrechten te garanderen is dan niet toereikend, bijvoorbeeld omdat zij ondanks hun inspanning het niet volledig in de hand hebben dat het resultaat wordt bereikt. Iets vergelijkbaars kan worden gezegd van overdracht van de executie van een sanctie waar het de naleving van mensenrechten betreft: de staat van tenuitvoerlegging vertrouwt op de inspanning die de veroordelende staat heeft geleverd om de veroordeelde een eerlijk proces te bieden, maar in zeer bijzonder gevallen, wanneer sprake is van een flagrant denial of justice, dient de overname toch te worden geweigerd.4
Tot op grote hoogte, waar het de min of meer reguliere beoordeling door de strafrechter betreft, in het bijzonder de juiste bewijs- en schuldvraag, geldt echter een resultaatsvertrouwen: afgezien van flagrante schending van artikel 6 EVRM wordt uitgegaan van de juistheid van de veroordeling en de door de vreemde rechter genomen beslissingen.5 De verwachting, of bij retrospectief vertrouwen beter: de aanname, is dat die beoordeling juist is. Voor een inschatting van de waarschijnlijkheid dat de inspanning van de rechter (de berechting die heeft geleid tot het over te nemen vonnis) ook daadwerkelijk tot een juist resultaat, een juist vonnis, heeft geleid, is geen ruimte.
Anders is de benadering bij de straftoemeting. Bij toepasselijkheid van de exequaturprocedure is er hooguit sprake van inspanningsvertrouwen, namelijk de aanname dat de rechter in de staat van veroordeling naar vermogen een in zijn ogen rechtvaardige straf heeft opgelegd. De exequaturrechter zet de opgelegde straf echter om en vervangt deze dus door de straf die hij rechtvaardig acht. Dat kan dezelfde straf zijn als was opgelegd in de vreemde staat. In dat geval oordeelt de exequaturrechter dat de rechter in de andere staat al een ‘juist’ resultaat heeft bereikt. In veel gevallen wordt de straf echter vervangen door een andere, lagere straf. Dat kan worden gezien als een herbeoordeling waarbij de exequaturrechter tot de slotsom komt dat de inspanning van de rechter in de staat van veroordeling niet tot het – in de ogen van de exequaturrechter – juiste resultaat heeft geleid.
De voorgaande bespiegeling rechtvaardigt een nadere beschouwing van de taak van de exequaturrechter. Het uitgangspunt bij toepassing van de exequaturprocedure is oplegging van de straf die naar Nederlands recht op het overeenkomstige feit is gesteld (art. 31, eerste lid, WOTS). De rechter heeft daarin een grote mate van vrijheid. Uiteraard moet daarbij het toepasselijke verdrag in acht worden genomen. Verder houdt deze bepaling in ‘dat de rechter is gebonden aan de strafsoort en het strafmaximum dat de desbetreffende Nederlandse strafbepaling op het overeenkomstige feit stelt’.6 Aangaande de factoren die daarbij een rol spelen, verwees de Hoge Raad naar de memorie van toelichting bij de WOTS. Enerzijds memoreerde hij dat
‘[a]ls “het meest wezenlijke aspect” van de exequaturprocedure [in die memorie van toelichting, TK] wordt vermeld: “de bevoegdheid om de in het buitenland opgelegde sanctie, zonder de duur of de omvang daarvan te overschrijden, te vervangen door een straf of maatregel die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader”.’7
Centraal staat derhalve de vrijheid de straf naar Nederlandse maatstaven om te zetten. Dat betekent echter niet dat de rechter met buitenlandse gevoeligheden geen rekening heeft te houden. Want
‘[a]nderzijds zal de exequaturrechter zich bij de vorming van zijn beleid hebben te realiseren, dat de bereidheid van buitenlandse autoriteiten om in te stemmen met de tenuitvoerlegging van in hun land gewezen rechterlijke beslissingen in Nederland sterk zal worden beïnvloed door de mate waarin verandering wordt gebracht in de bij die rechterlijke beslissingen opgelegde sancties. Van al te grote veranderingen zou een aanstootgevend effect kunnen uitgaan en daarmee zou uiteindelijk de werking van de verdragen in relatie tot Nederland op het spel kunnen komen te staan.’8
Van de rechter wordt kortom verlangd
‘dat hij er zich rekenschap van geeft een straftoemetingsbeleid te voeren dat rekening houdt zowel met nationale verworven- als met internationale gevoeligheden. Zo zal de rechter bij de beoordeling van de omstandigheden waaronder het delict is begaan niet voorbij dienen te gaan aan de in het land waar het werd gepleegd levende opvattingen omtrent de ernst van zulke gedragingen.’9
Of zoals A-G Jörg het treffend uitdrukte in zijn conclusie bij een arrest van 8 juni 2004:
‘De Nederlandse strafomzettingsrechter dient (…) tussen de Scylla van internationale gevoeligheden en de Charybdis van nationale verworvenheden door te varen.’10
Omgekeerd is ook sprake van inspanningsvertrouwen: de staat van veroordeling vertrouwt, nadat de veroordeling is overgedragen op de wijsheid van de staat van tenuitvoerlegging bij de omzetting van de straf. Voorafgaand aan de beslissing tot overdracht echter, kan de staat van veroordeling evenwel een inschatting maken van de waarschijnlijke uitkomst van de omzetting (en dus van de inspanning die de exequaturrechter levert om een zijns inziens juiste straf op te leggen). Is de inschatting dat de straf te laag zal uitvallen, bijvoorbeeld bij softdrugsdelicten, dan kan de staat van veroordeling besluiten de straf niet over te dragen omdat de verwachte inspanning naar verwachting niet toereikend zal zijn.
Bij de procedure van de voortgezette tenuitvoerlegging is dat precies omgekeerd: de staat van veroordeling houdt eigenlijk het heft in handen omdat die procedure de uitkomst dicteert en de staat van tenuitvoerlegging moet in geval van overname uitgaan van de strafoplegging in de staat van veroordeling. Slechts de beperking dat de opgelegde straf het strafmaximum in de staat van tenuitvoerlegging niet te boven mag gaan, vormt daarop een marginale uitzondering.
Garanties
Garanties verleend in het kader van bepaalde vormen van rechtshulp leveren vaak ook (slechts) inspanningsvertrouwen op. Garanties met betrekking tot de naleving van mensenrechtelijke normen, bijvoorbeeld bij uitlevering zoals in het eerder aangehaald voorbeeld van de zaak-Kesbir, zijn daarvan een voorbeeld, maar ook garanties betreffende de veiligheid van getuigen die in het kader van kleine rechtshulp naar de vreemde staat afreizen om aldaar te getuigen kunnen slechts gelden als garantie dat de vreemde staat zijn best zal doen die veiligheid te bieden.11 In het algemeen bestaat absolute veiligheid niet, zodat ook een garantie die niet kan bieden. In de paragraaf over resultaatsvertrouwen zal worden betoogd dat in elk geval in de benadering van de Hoge Raad andere, meer juridisch getinte typen garanties, zoals een terugleveringsgarantie bij uitlevering van onderdanen en een specialiteitsgarantie, een sterker vertrouwen opleveren omdat wordt uitgegaan van de verwachting dat het beoogde resultaat wordt bereikt.12
Het verschil is te verklaren vanuit de constatering dat inspanningsvertrouwen vooral garanties van meer feitelijke aard betreft, terwijl resultaatsvertrouwen eerder opgeld doet bij meer juridisch getinte garanties. Uiteindelijk is dat laatste dan terug te voeren op het vertrouwen dat wordt gesteld in de vreemde rechter, die immers die juridische garanties in het gros van de gevallen zal kunnen effectueren, terwijl dat bij meer feitelijke garanties niet het geval is. Het inspanningsvertrouwen, dat dus vooral te zien is bij garanties van feitelijke aard, is vervolgens sterker wanneer de invloed op die feitelijke omstandigheden van de autoriteiten van wie de garantie uitgaat groter en directer is.
Mensenrechten
Het vertrouwen dat mensenrechtelijke normen zijn of worden nageleefd speelt hierbij, zoals reeds opgemerkt, ook een rol. In hoofdstuk 11 wordt zelfstandig ingegaan op de verhouding tussen mensenrechten en het vertrouwensbeginsel. Daar zal blijken dat in veel gevallen het vertrouwen dat de mensenrechten worden nageleefd te typeren is als inspanningsvertrouwen. In een enkel geval, waarvan een bijzonder kenmerk is dat een oordeel over bepaalde problematiek wordt overgelaten aan de rechter in de vreemde staat wanneer die staat partij is bij het EVRM, heeft het vertrouwen in het kader van naleving van de mensenrechten meer trekken van resultaatsvertrouwen. Dat speelt uitdrukkelijk een rol waar het de toetsing van opsporingshandelingen onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de vreemde staat betreft. Behoudens toetsing aan artikel 6, eerste lid, EVRM wordt de toetsing van die opsporingshandelingen volledig overgelaten aan de rechter in de vreemde staat. Uit dit voorbeeld blijkt dat het vertrouwen toch niet absoluut is; door de toets aan artikel 6, eerste lid, EVRM bestaat uiteindelijk altijd de mogelijkheid voor de Nederlandse rechter om een ernstige inbreuk te redresseren wanneer daartegen in de vreemde staat onvoldoende kon worden opgekomen.
In het algemeen kan worden opgemerkt dat een absoluut vertrouwen waar het de rechten van de mens betreft problematisch is gezien de verantwoordelijkheid die elke verdragsstaat op grond van artikel 1 EVRM heeft.13 Het is van belang hier het onderscheid tussen retro- en prospectief vertrouwen bij te betrekken. Met name wanneer het om prospectief vertrouwen gaat dat de beoordeling van aspecten van de samenwerking door een rechter betreft die eveneens aan het EVRM gebonden is, is sprake van sterk vertrouwen dat kenmerken heeft van resultaatsvertrouwen.14 Anders gezegd: de rechter in de ene staat wordt geacht de in het EVRM gegarandeerde rechten even goed te garanderen als de rechter in de andere staat. Bij retrospectief vertrouwen kan dit onder omstandigheden anders liggen, maar dan moet, kort gezegd, aannemelijk worden gemaakt dat de rechtsgang in de andere staat met onvoldoende waarborgen omkleed is geweest. En in uitzonderlijke gevallen, als bijvoorbeeld kan worden aangetoond dat er sprake is van een voltooide schending van artikel 3 EVRM in de andere staat, dient de rechter in de aangezochte staat dat direct al bij zijn beoordeling te betrekken en bijvoorbeeld de uitlevering te verbieden.15
Bijzondere aspecten van kleine rechtshulp
Deze grote lijnen kunnen nog wat verder worden uitgewerkt in meer bijzondere aspecten van de verschillende vormen van rechtshulp. Bij kleine rechtshulp kan worden gedacht aan het gebruik van informatie uit het buitenland op basis waarvan een opsporingsonderzoek wordt opgestart (de zogeheten startinformatie).16 De Hoge Raad lijkt belang te hechten aan de aanvankelijke beoordeling door – vooral – de verantwoordelijke officier van justitie. Indien die geen reden had te twijfelen aan de rechtmatige verkrijging van het materiaal dat de startinformatie oplevert, dan mogen de Nederlandse autoriteiten afgaan op die startinformatie ‘in die zin dat op grond van de daardoor gerezen verdenking een opsporingsonderzoek in Nederland mocht worden ingesteld en dat, ook al zou later blijken dat aan de verkrijging van die informatie in Engeland enig gebrek zou kleven, zulks op zichzelf niet tot niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie in zijn strafvervolging kan leiden’ waarbij nog van belang was dat ‘die informatie geen tot het bewijs gebezigd materiaal bevatte’.17 In dat geval zou het materiaal zelf immers voor het bewijs worden gebruikt en niet slechts startinformatie zijn, zodat de beoordeling dan anders is. In latere jurisprudentie herhaalde de Hoge Raad deze overweging bijna woordelijk, zij het dat hij voor wat betreft niet-ontvankelijkheid een uitzondering mogelijk acht bij bijzondere omstandigheden.18 Voor het aanvankelijke oordeel dat de startinformatie rechtmatig is verkregen kan de verantwoordelijke officier van justitie afgaan op mededelingen omtrent de rechtmatigheid van het materiaal van autoriteiten van de vreemde staat.19
Hier is sprake van (retrospectief) inspanningsvertrouwen, dat bovendien in het normale geval beoordeeld wordt door de officier van justitie. De verwachting is dat de autoriteiten van de vreemde staat zich inspannen om op rechtmatige wijze op te sporen en dus enkel de resultaten van rechtmatig verrichte opsporing als startinformatie door te spelen, maar de officier van justitie en in bijzondere gevallen de Nederlandse strafrechter toch hebben te beoordelen of daadwerkelijk rechtmatig is opgespoord en, indien dat niet het geval is, welke gevolgen dat heeft voor het al dan niet instellen van een opsporingsonderzoek in Nederland (officier van justitie) dan wel voor de uitkomst van een daarop gebaseerde vervolging (zittingsrechter).
Bijzondere aspecten van uitlevering
Ook bij uitlevering kan op enkele meer gedetailleerde aspecten van de procedure worden gewezen. Zo moet de verzoekende staat, bij vervolgingsuitlevering, het recht tot vervolging van de opgeëiste persoon hebben en dient het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht (uiteraard) ook naar het recht van de verzoekende staat strafbaar te zijn. Is dat niet het geval dan kan een veroordeling niet volgen en is uitlevering zinloos. Hoewel in het overgrote deel van de gevallen van het oordeel van de autoriteiten van de vreemde staat omtrent vervolg- en strafbaarheid zal moeten worden uitgegaan en ook feitelijk zal worden uitgegaan, is in zeer bijzondere gevallen afwijking van dat uitgangspunt mogelijk.20 Vooral wanneer factoren die de vervolg- of strafbaarheid wegnemen, geen rol hebben gespeeld of hebben kunnen spelen bij het oordeel erover door de vreemde staat, ligt afwijking in de rede.21 Het uitgangspunt van vertrouwen op de inspanning van de vreemde staat om een juist oordeel over deze aspecten te geven, kan dan blijven staan.
Ingewikkelder ligt het voor wat betreft de vraag of er voldoende gronden zijn voor uitlevering in die zin dat de schuld of onschuld van de opgeëiste persoon wordt beoordeeld. Die vraag hangt nauw samen met de vraag of bewijs van diens schuld met het verzoek tot uitlevering dient te worden meegestuurd. Bij uitlevering ter executie is in beginsel geen ruimte voor een onschuldverweer. Er ligt immers een veroordeling en op de juistheid daarvan wordt vertrouwd. Afwijking daarvan is slechts mogelijk wanneer sprake is van een aperte persoonsverwisseling.22 Het gaat in dat geval vaak niet eens zozeer om twijfel rondom de juistheid van de veroordeling zelf, maar eerder om twijfel of de veroordeling wel de persoon betreft wiens uitlevering wordt verzocht. Anders is dat wanneer het gaat om uitlevering ter vervolging. De Uitleveringswet laat in alle gevallen ruimte voor een onschuldverweer (zie de artikelen 26, derde lid, en 28, tweede lid, UW), al is van groot belang welke ruimte het toepasselijke verdrag daarvoor laat. Verdragen met Angelsaksische landen kennen veelal bepalingen die de verzoekende staat verplichten zogenaamd prima facie bewijs mee te sturen op grond waarvan de aangezochte staat kan beoordelen of dat bewijs toereikend is.23 Voor een onschuldverweer is in die situatie meer ruimte,24 dan wanneer het verdrag in het geheel geen ruimte voor beoordeling van schuld of onschuld van de opgeëiste persoon kent.25 In een dergelijk geval kan zelfs worden gezegd dat de Uitleveringswet in strijd komt met het toepasselijke verdrag. Het uitgangspunt is echter dat een fatsoenlijke staat in het zeer bijzondere geval dat onomstotelijk komt vast te staan dat de opgeëiste persoon het feit niet gepleegd kán hebben het uitleveringsverzoek niet door zal zetten.26 Voor die benadering is vanuit het oogpunt van doelmatigheid, maar vooral ook vanuit het belang van de opgeëiste persoon veel te zeggen. Het illustreert echter dat een onschuldverweer slechts in zeer bijzondere gevallen op kan gaan.27 Die ruimte wordt blijkens de jurisprudentie nog beperkter wanneer een onderzoeksrechter in de vreemde staat de verdenking heeft getoetst.28 Niettemin kan worden gezegd dat enkel wordt vertrouwd op de inspanning van de vreemde staat een juiste verdenking te formuleren. De aanname is dat de verzoekende staat zich heeft ingespannen om terecht een verdenking te formuleren en op grond daarvan het uitleveringsverzoek te doen, maar de mogelijkheid wordt opengehouden dat de verdenking niet terecht is. Wanneer het verdrag een beoordeling van het bewijsmateriaal toestaat, zoals de Angelsaksische verdragen, dan biedt het verdrag daartoe de ruimte en dwingt het ook geenszins tot een aanname van juistheid van de verdenking. Bij verdragen die die ruimte niet bieden, is vanuit het verdrag geredeneerd geen beoordeling mogelijk van de verdenking die ten grondslag ligt aan het verzoek. Indien daarmee alles zou zijn gezegd, zou sprake zijn van resultaatsvertrouwen: het verdrag dicteert de aanname dat de verdenking terecht is, afwijking is niet mogelijk. Met het verdrag is echter niet alles gezegd; de Uitleveringswet opent een zeer beperkte mogelijkheid om een onschuldverweer te voeren. Dat maakt dat van absoluut resultaatsvertrouwen net geen sprake is; er is een ontsnappingsroute bij een evidente misslag. In zeer bijzondere gevallen van persoonsverwisseling, geldt iets vergelijkbaars bij uitlevering ter executie (in welk geval de schuld zelfs al in rechte is vastgesteld); ook dan is er een nog beperktere ontsnappingsroute in geval van aperte misslagen.
Ten slotte kan nog worden gewezen op de uiteenzetting van de feiten en de aanduiding van de opgeëiste persoon: grotendeels geldt daarvoor resultaatsvertrouwen. De uiteenzetting van de feiten en de aanduiding van de opgeëiste persoon dient zo nauwkeurig mogelijk te zijn. In beginsel wordt erop vertrouwd dat deze omschrijvingen dus inderdaad zo nauwkeurig mogelijk zijn. Er geldt echter wel een ondergrens: de uiteenzetting van de feiten dient de aangezochte partij in staat te stellen in elk geval de strafbaarheid naar het recht van die partij te onderzoeken.29 Is die uiteenzetting zo onnauwkeurig dat die toets niet mogelijk is, dan kan dat tot weigering van het verzoek leiden.30 De uiteenzetting van de feiten dient er niet toe de beoordeling van de schuld of onschuld van de opgeëiste persoon mogelijk te maken en hoeft hem daarom ook niet in staat te stellen een onschuldverweer te voeren. Iets vergelijkbaars geldt voor de aanduiding van de opgeëiste persoon: die dient toereikend te zijn om identiteit en nationaliteit vast te stellen.31 Aangaande de nationaliteit van de opgeëiste persoon lijkt de Hoge Raad er genoegen mee te nemen dat kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon in elk geval niet de Nederlandse nationaliteit heeft.32