Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.3.3
8.3.3 Verhouding Hoge Raad - lagere rechters
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS579478:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie §7.5.3.
Zie § 7.5.4; zie voor nadere uitwerking van deze mogelijkheid hierna § 8.3.5.
Zie voor enige voorbeelden in deze zin § 6.3.3.
HR 26 februari 1999, NJ 1999,717 m.nt. HJS. Zie in gelijke zin HR 3 oktober 2003 (Ontvanger/Heemhorst), RvdW 2003, 155 m.b.t. de belastingaanslag als 'eis in de hoofdzaak'.
De vergadering van rechtbankpresidenten is bijv. niet te beschouwen als 'bevoegd orgaan' voor de vaststelling van een (bindende) rechtersregeling (zie § 5.2.3.5).
Afgezien van de gevallen waarin de Hoge Raad over eigen beleidsruimte beschikt, zoals bijv. ten aanzien van het verloop van de cassatieprocedure of de vaststelling van de proceskosten in cassatie. Om deze gevallen gaat het hier echter niet.
Zie §8.3.2.
Na hetgeen in hoofdstuk 7 reeds is besproken kan ik over de verhouding tussen Hoge Raad en lagere rechters hier betrekkelijk kort zijn. Naar geldend Nederlands recht kan worden aangenomen dat rechterlijke uitspraken, in het bijzonder de uitspraken van de hoogste rechter, in verdcale zin precedentwerking hebben. Uitspraken van de Hoge Raad zijn derhalve naar heersende rechtsopvatting bindend voor de lagere rechters (én voor de Hoge Raad zelf).1 Deze binding wordt echter niet als 'absoluut' gezien: in bepaalde gevallen is het de rechter toegestaan van precedenten af te wijken.2
Voor rechtersregelingen komt dit meer concreet geformuleerd op het volgende neer. Wanneer de Hoge Raad een rechtersregeling, althans een regel daaruit, die afkomsdg is van een lagere rechter (rechtbank of gerechtshof) in zijn jurisprudentie overneemt, zal de desbetreffende regeling dezelfde prece-denrwaarde verkrijgen als een gewone uitspraak van de Hoge Raad waarin een bepaalde rechtsregel wordt aanvaard. Het omgekeerde geval is uiteraard ook mogelijk: wanneer de Hoge Raad een uitspraak doet die inhoudelijk (geheel of gedeeltelijk) niet overeenstemt met een rechtersregeling, is de regeling daarmee in zoverre als 'overruled' te beschouwen.3
Ter illustrade van een en ander hier kan wederom gewezen worden op het arrest Ajax/Reule,4 dat eerder in § 6.3.3 al werd besproken. In deze zaak was onder meer de vraag aan de orde of een vordering in kort geding kan gelden als 'eis in de hoofdzaak' in de zin van art. 700 lid 3 Rv. Deze vraag was in een rechtersregeling van de rechtbankpresidenten reeds in bevestigende zin beantwoord. Hoewel hij niet uitdrukkelijk verwees naar de regeling sloot de Hoge Raad zich bij deze opvatting aan:
"Deze strekking [van het conservatoir beslag - KT] levert een toereikende rechtvaardiging op voor de door de wetstekst niet uitgesloten en inmiddels in de rechtspraak van kort gedingrechters in eerste aanleg gangbaar geworden opvatting dat ook een vordering in kort geding, strekkende tot een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot voldoening aan de vordering waarvoor conservatoir beslag is gelegd, kan gelden als eis in de hoofdzaak in de zin van art. 700 lid 3."
De door de rechtbankpresidenten vastgestelde rechtersregeling, die aanvankelijk niet in juridische zin als bindend kon gelden,5 verkreeg aldus dezelfde precedentwerking als een 'gewone' uitspraak van de Hoge Raad. Kortheidshalve zou nu ook gezegd kunnen worden dat de rechtersregeling hiermee zélf tot precedent is geworden, mits niet vergeten wordt van welke rechter dit precedent afkomstig is (in dit geval: de Hoge Raad). Het belang hiervan is ten eerste gelegen in het feit dat aldus alle lagere rechters (alsmede de Hoge Raad zelf) aan de rechtersregeling gebonden zijn, ook degenen die de regeling niet (mede) hadden vastgesteld. Voorts zal wijziging van deze rechtersregeling als gevolg hiervan niet zonder meer mogelijk zijn, maar nog slechts in de gevallen en op de gronden waarop ook van een uitspraak van de Hoge Raad mag worden afgeweken. Een dergelijke wijziging zal uiteindelijk eveneens via de weg van een of meer rechterlijke uitspraken dienen te geschieden.
Zoals besproken werd in § 8.2.3 ziet precedentwerking slechts op de in een eerdere uitspraak neergelegde rechtsoordelen en kan de loutere uitoefening van een bepaalde vorm van beleidsruimte niet leiden tot een precedent in de hier bedoelde zin. Nu is deze laatste situatie bij uitspraken van de Hoge Raad ook niet aan de orde, aangezien de cassatierechter zich slechts uitspreekt over rechtsvragen.6 Bedacht moet daarbij echter wel worden dat de Hoge Raad een beleid voert als gevolg waarvan hij niet over alle rechtsvragen een 'volledig' inhoudelijk oordeel geeft.7 In die gevallen komt het derhalve aan op het oordeel van de appèlrechter(s), waarover de volgende paragraaf handelt.