Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.2.1:5.2.1 Algemeen
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.2.1
5.2.1 Algemeen
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS580693:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het vorige hoofdstuk is onder meer besproken of ook voor rechtersregelingen de eis geldt dat deze, om te kunnen gelden als recht in de zin van art. 79 RO, op zelfbinding door de rechter moeten berusten. Hoewel een zodanige eis in het rolrichtlijnen-arrest niet met zoveel woorden wordt gesteld, is deze vraag bevestigend beantwoord. Ten eerste kan dit worden afgeleid uit het feit dat de bevoegdheid tot vaststelling van rechtersregelingen - evenals in het verleden de bevoegdheid tot vaststelling van (bestuurlijke) beleidsregels -gezien kan worden als een 'impliciete' bevoegdheid, die voortvloeit uit het feit dat de wetgever aan de rechter een bepaalde beslissingsruimte heeft toegekend.1 Daarnaast speelde een rol dat de (individuele) rechter niet alleen onafhankelijk dient te zijn ten opzichte van de overige staatsmachten, maar dat hij tevens onafhankelijk is ten opzichte van andere rechters, zowel binnen als buiten het gerecht waarvan hij deel uitmaakt. Hoewel met name de onafhankelijkheid ten opzichte van andere rechters zeker niet onbeperkt is, komt deze vorm van onafhankelijkheid het best tot haar recht door te aanvaarden dat rechtersregelingen inderdaad via zelfbinding tot stand moeten komen.2 Het vereiste van zelfbinding komt, in een iets andere formulering, erop neer dat een rechtersregeling - wil deze als recht in de zin van art. 79 RO gekwalificeerd kunnen worden - dient te worden vastgesteld door een daartoe 'bevoegd orgaan'. Wat moet hieronder nu worden verstaan? Met betrekking tot beleidsregels geldt dat een bevoegd orgaan is: het orgaan dat de bestuursbevoegdheid waarop een beleidsregel betrekking heeft, kan uitoefenen. Naar analogie hiermee zou voor rechtersregelingen tot uitgangspunt kunnen worden genomen dat deze moeten worden vastgesteld door het orgaan waaraan de desbetreffende rechtsprekende bevoegdheid3 toekomt. Dit betekent dat allereerst de vraag zal moeten worden beantwoord, aan wie binnen de rechterlijke organisatie precies rechtsprekende bevoegdheden toekomen: zijn dit de gerechten, de kamers binnen die gerechten of de individuele rechters afzonderlijk (§ 5.2.2)? Vervolgens wordt behandeld welk gremium of welke gremia binnen de rechterlijke organisatie - gegeven het antwoord op de vraag aan wie rechtsprekende bevoegdheden toekomen - in de hier bedoelde zin 'bevoegd' zijn te achten om rechtersregelingen tot stand te brengen (§ 5.2.3).