Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.3.6:8.3.6 Conclusies
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.3.6
8.3.6 Conclusies
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS575955:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien een rechtersregeling, dan wel een daaruit afkomstige regel, wordt overgenomen door een hogere rechter kan deze regel(ing) in verticale zin precedentwerking verkrijgen. Alle rechters op een lager niveau, alsmede de desbetreffende rechter zélf, zijn dan gebonden op dezelfde wijze als zij aan gewone precedenten van hogere rechters gebonden zijn. Deze binding is echter zeker niet onbeperkt: de rechter zal mogen afwijken in gevallen waarin vasthouden aan de regeling tegen de achtergrond van onder meer gewijzigde maatschappelijke opvattingen of overtuigingen niet langer aanvaardbaar is.
Deze vorm van precedentbinding strekt zich slechts uit tot de normatieve oordelen over het recht (rechtsoordelen) die in een rechtersregeling zijn neergelegd en die door een hogere rechter als eigen rechtsopvatting worden overgenomen. Het kan hierbij gaan om wetsuitleg in algemene zin, zoals bijvoorbeeld de uitleg van begrippen als 'eis in de hoofdzaak', 'tijdige betekening' of 'niet te goeder trouw ontstane schulden'. Het kan echter evenzeer gaan om de vaststelling van factoren die een bepaalde vorm van rechterlijke beleidsruimte normeren. Een voorbeeld van dit laatste vormen de in de kantonrechtersformule neergelegde factoren (loon en arbeidsduur) die in acht moeten worden genomen bij de bepaling van een ontbindingsvergoeding.
Binding aan een rechtsopvatting die in eerste instantie was neergelegd in een rechtersregeling, berust na overname daarvan door de rechtspraak strikt genomen niet op die rechtersregeling zélf, maar op de uitspraken waarbij de regeling is aanvaard. Dit is in overeenstemming met hetgeen eerder is betoogd: de beantwoording van rechtsvragen door de rechter dient uiteindelijk te geschieden via uitspraken.1 De vaststelling van rechtersregelingen ter zake is op zich niet 'verboden' - en in bepaalde opzichten zelfs positief te waarderen2 - , maar zal slechts achteraf, na aanvaarding van de regeling in een of meer uitspraken, kunnen leiden tot binding van de betrokken rechters.