Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.2.2
3.2.2 De wilsrechten van artikel 4:19-4:22 BW en het wilsrechtenvruchtgebruik
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948141:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie M.J.A. van Mourik, in: Handboek erfrecht 2020, p. 92. Zie tevens Asser/Perrick 4 2021/104; Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Tweede gedeelte 2008/93 en De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 132.
Zie De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 132. Zie voorts M.J.A. van Mourik, in: Handboek erfrecht 2020, p. 92-109; Asser/Perrick 4 2017/104-111 en Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Tweede gedeelte 2008/78-91.
Zie De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 132. Zie voorts M.J.A. van Mourik, in: Handboek erfrecht 2020, p. 93-94 en Asser/Perrick 4 2021/104.
Zie Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Tweede gedeelte 2008/93 en Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/297.
Zie De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 132. Zie voorts M.J.A. van Mourik, in: Handboek erfrecht 2020, p. 93-94 en Asser/Perrick 4 2021/104.
Zie M.J.A van Mourik, in: Handboek erfrecht 2020, p. 92.
Zie J.W.A. Biemans, ‘H.A. Drielsma en W. Snijders over wilsrechten’, WPNR 2019/7239, p. 389. Zie tevens M.J.A van Mourik, in: Handboek erfrecht 2020, p. 92 en Snijders/Rank-Berenschot, Goederenrecht 2022/30.
Zie Snijders/Rank-Berenschot, Goederenrecht 2022/30 en 310; J.W.A. Biemans, ‘H.A. Drielsma en W. Snijders over wilsrechten’, WPNR 2019/7239, p. 389 en E.F. Verheul, ‘Overdraagbaarheid van contractuele wilsrechten’, RMThemis 2018/3.
Dat volgt uit het feit dat in de meeste huwelijksvermogensrechtelijke handboeken deze wilsrechten worden behandeld in het kader van de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen. Zie De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 131-132; Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 172-173 en Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Eerste gedeelte 2005/218-219. Zie tevens M.J.A. van Mourik, Handboek erfrecht 2020, p. 92. Zie anders J.W.A. Biemans, ‘H.A. Drielsma en W. Snijders over wilsrechten’, WPNR 2019/7239, p. 389.
Vgl. Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 137.
Zie in gelijke zin Asser/Perrick 4 2021/127a. Vgl. Asser/De Boer 1* 2010/320b. Zie anders Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/284 en 297.
Uit het woord ‘voorbehoud’ in artikel 4:19 en 4:21 BW mag niet worden afgeleid dat de vestiging van het vruchtgebruik besloten ligt in het enkele voorbehoud. Voor de vestiging van het vruchtgebruik op registergoederen is een notariële akte vereist en inschrijving daarvan in de openbare registers. Zie M.J.A. van Mourik, in: Handboek erfrecht 2020, p. 104, alsmede Asser/Perrick 4 2021/121. Hieruit volgt dat ook bij het wilsrechtenvruchtgebruik door uitoefening eerst een vordering tot vestiging ontstaat, waarvoor door inning van die vordering het vruchtgebruik in de plaats treedt.
Zie Kamerstukken II 2013/14, 33 987, nrs. 3 en 6, p. 1-2 en 5.
Zie hierover ook paragraaf 4.3 van hoofdstuk 7, met onder meer verwijzingen naar S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/24; S. Perrick, ‘Het wetsontwerp strekkende tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen schiet ernstig tekort’, WPNR 2015/7069 onder punt 7, alsmede de punten 12 en 13 van het naschrift van Perrick onder B. Breederveld e.a., ‘Reactie op “Het wetsontwerp strekkende tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen schiet ernstig tekort” van prof. dr. S. Perrick in WPNR (2015) 7069’, WPNR 2015/7070.
288. In de vorige paragraaf is de versterfrechtelijke positie van de kinderen van erflater aan de orde gekomen. Zij verkrijgen op grond van artikel 4:13 lid 3 BW een vordering in geld op de langstlevende echtgenoot; als de kinderen in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen zijn gehuwd, valt die vordering buiten de huwelijksgemeenschap. Dat volgt uit artikel 1:94 lid 2 sub a BW. Het wettelijk versterferfrecht voorziet voor de kinderen echter ook nog in een aantal wilsrechten. Die wilsrechten zijn vastgelegd in artikel 4:19-4:22 BW. Zij geven de kinderen de bevoegdheid om de langstlevende echtgenoot/stiefouder te verplichten goederen van de nalatenschap, of andere in artikel 4:24 lid 1 BW omschreven goederen, aan hen over te dragen. Met de toekenning van deze vier wilsrechten heeft de wetgever enerzijds beoogd om aan de kinderen de mogelijkheid te geven zekerheid te verkrijgen voor de voldoening van hun vordering op de langstlevende echtgenoot, en anderzijds om aan hen de mogelijkheid te bieden om boedelgoederen veilig te stellen, in het bijzonder ‘familiegoederen’ en goederen met affectiewaarde.1 De betreffende wilsrechten kunnen in twee categorieën worden onderscheiden.2 De eerste categorie bewerkstelligt dat de kinderen goederen verkrijgen uit de nalatenschap van de eerste dan wel tweede ouder, terwijl de langstlevende ouder respectievelijk de stiefouder zich het vruchtgebruik van de goederen kan voorbehouden.3 Dat vruchtgebruik wordt ook wel aangeduid als het ‘wilsrechtenvruchtgebruik’.4 Bij het overlijden van de vruchtgebruiker komt dat vruchtgebruik te vervallen, zodat de kinderen vanaf dat moment de onbelaste eigendom van de door hen verkregen goederen hebben.5 Wilsrechten van deze eerste categorie zijn de wilsrechten van artikel 4:19 en 4:21 BW. De tweede categorie wilsrechten bewerkstelligt dat de kinderen direct bij het overlijden van de langstlevende ouder, respectievelijk stiefouder, de onbelaste eigendom van goederen verkrijgen met een waarde van ten hoogste de omvang van de geldvordering op de langstlevende ouder ex artikel 4:13 lid 3 BW.6 Dat zijn de wilsrechten van artikel 4:20 en 4:22 BW.
289. Zoals gezegd kwalificeren alle hiervoor genoemde rechten van de kinderen van erflater en de langstlevende echtgenoot als wilsrechten. Een wilsrecht verschaft de bevoegdheid om eenzijdig wijziging te brengen in een bepaalde rechtstoestand.7 De enkele wilsverklaring van de rechthebbende volstaat om het rechtsgevolg te bewerkstelligen.8 Als het wilsrecht aan de definitie van artikel 3:6 BW beantwoordt, kwalificeert het als een vermogensrecht en dus als een goed in de zin van artikel 3:6 BW.9 Over het algemeen wordt aangenomen dat de wilsrechten van artikel 4:19-4:22 BW als vermogensrechten kwalificeren.10 Omdat deze wilsrechten als vermogensrecht kwalificeren, kunnen zij in de wettelijke gemeenschap van goederen vallen waarin de kinderen zijn gehuwd. Artikel 1:94 lid 2 sub a BW zondert deze wilsrechten echter noch in sub a, noch in sub c, met zoveel woorden van de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen uit. Desalniettemin moet worden aangenomen dat ook de wilsrechten van de kinderen van erflater buiten de beperkte huwelijksgemeenschap vallen waarin zij (mogelijk) zijn gehuwd. De wilsrechten zijn immers door de wetgever aan de versterfrechtelijke positie van de kinderen gekoppeld, zodat deze wilsrechten als ‘krachtens erfopvolging bij versterf verkregen goederen’ in de zin van artikel 1:94 lid 2 sub a BW kwalificeren.11 Hetzelfde geldt voor het wilsrechtenvruchtgebruik van de langstlevende (stief)ouder. Ook dat vruchtgebruik is niet met zoveel woorden van de beperkte huwelijksgemeenschap uitgezonderd (terwijl dit wel geldt voor het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:29 en 4:30 BW, zie daarover paragraaf 3.3.3 van dit hoofdstuk). Desalniettemin moet worden aangenomen dat ook dit wilsrechtenvruchtgebruik van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap is uitgezonderd, omdat ook deze kwalificeert als een ‘verkrijging krachtens erfopvolging bij versterf’ in de zin van artikel 1:94 lid 2 sub a BW.12 Bij dit alles moet dan nog wel het volgende worden opgemerkt.
290. De wilsrechten van artikel 4:19-4:22 BW kenmerken zich hierdoor dat door uitoefening van het wilsrecht een vordering tot levering of vestiging ontstaat, waarna door inning van die vordering één of meerdere goederen worden verkregen of een vruchtgebruik wordt gevestigd (in geval van het wilsrechtenvruchtgebruik).13 Aldus treedt bij uitoefening van het wilsrecht tweemaal een vervanging op. De eerste vervanging treedt op bij uitoefening van het wilsrecht. In dat geval wordt het wilsrecht vervangen door een vordering tot levering of vestiging. De tweede vervanging treedt op wanneer die vordering wordt geïnd. De vordering wordt dan vervangen door één of meer geleverde goederen of een recht van vruchtgebruik. De vordering tot levering die door uitoefening van het wilsrecht ontstaat, en hetgeen op die vordering wordt geïnd, kwalificeren als zelfstandige goederen. Aldus zal ten aanzien van deze goederen afzonderlijk bepaald moeten worden of deze wel of niet in de beperkte huwelijksgemeenschap vallen. Het ligt voor de hand om daarbij aan te nemen dat niet alleen het wilsrecht zélf, maar ook de vordering tot levering of vestiging, alsmede het daarop geïnderechtstreeks onder de uitzondering van artikel 1:94 lid 2 sub a BW vallen. Dat is in overeenstemming met de bedoeling van de Wet beperking gemeenschap van goederen om enkel hetgeen door inspanning van beide echtelieden gedurende het huwelijk is opgebouwd in de huwelijksgemeenschap te laten vallen. Juist om die reden zijn erfrechtelijke verkrijgingen en giften van de beperkte wettelijke gemeenschap uitgesloten.14 Ook de vordering tot levering of vestiging die ontstaat als een erfrechtelijke wilsrecht wordt uitgeoefend, alsmede hetgeen vervolgens op die vordering wordt geïnd, zijn niet door gemeenschappelijke inspanning van de echtgenoten verkregen. Aldus mag worden aangenomen dat ook deze als ‘erfrechtelijke verkrijging’ in de zin van artikel 1:94 lid 2 sub a BW kwalificeren, waardoor de hele trits van wilsrecht-vordering-geïnde rechtstreeks buiten de beperkte huwelijksgemeenschap valt. Daardoor is er géén regeling van zaaksvervanging nodig om dat resultaat te bereiken. Zou daar anders over worden gedacht, dan mag worden aangenomen dat de vervanging van het wilsrecht door de vordering, en de vervanging van de vordering door het geïnde, beide worden beheerst door (analoge) toepassing van) artikel 1:94 lid 6 BW. Alsdan vallen de vordering en het daarop geïnde op die grond buiten de beperkte huwelijksgemeenschap, ook al kwalificeert de uitoefening van een wilsrecht (de eerste stap in de ‘trits’) strikt genomen niet als ‘de inning van een vordering’ als bedoeld in artikel 1:94 lid 6 BW.15