Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/4.2.3
4.2.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584831:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Meijers motiveerde zijn keuze om aan de vruchtgebruiker de bevoegdheid tot het opzeggen van niet-opeisbare vorderingen toe te kennen op dezelfde wijze als de toekenning van de bevoegdheid tot inning, namelijk dat de vruchtgebruiker meer belang heeft bij de uitoefening van deze bevoegdheid dan de hoofdgerechtigde. Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 655.
Zie M.v.A. II, Pari. Gesch. Boek 3, p. 656.
Zie voor de gezamenlijke uitoefening van het keuzerecht door de deelgenoten (art. 3:170 lid 2 BW), Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 150; Losbladige Verbintenissenrecht 2010 G.W.A. Biemans), art. 6:17, aant. 7, met verdere literatuurverwijzingen.
Zie voor bewind en levensverzekering ook art. 7:966 lid 1 sub ben lid 3 BW.
Zie Asser/Perrick 4* 2009, nr. 516; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 352. Ook het uitoefen van claimrechten en het uitoefenen van een stemrecht wordt door deze schrijvers (t.a.p.) daaronder gebracht. Vgl. daarover ook De Boer 1982, p. 288 e.v.; Asser/Maeijer 2-III 2000, nr. 280; Leijten 1996, p. 425-426; B.M.E.M. Schols 2007, p. 239-241, met verdere literatuurverwijzingen.
Vgl. B.M.E.M. Schols 2007, p. 240; en zie hierna nr. 700-701.
Dit biedt steun aan de stelling dat de pandhouder en de beslaglegger de beheersbevoegdheid missen, zoals betoogd hiervóór in nr. 46.
Zie hierna nr. 520.
Art. 3:246 lid 3 en lid 4 BW zijn op deze bevoegdheid ook van toepassing. Vgl. M. v .A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 773; Verdaas 2008a, nr. 363; Losbladige Vermogensrecht 2009 (P.A. Stein), art. 3:246, aant. 23.2. De bevoegdheid van de pandhouder volgt dus niet, zoals Verdaas betoogt (zie Verdaas 2008a, nr. 363), uit de door hem aangenomen beheersbevoegdheid van de pandhouder. De pandhouder is niet beheersbevoegd (zie hiervóór nr. 46). Gelet op de afzonderlijke, wettelijke bepaling is de beheersbevoegdheid ook niet nodig als grondslag voor de toekenning van deze bevoegdheid.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 773.
Zie Verdaas 2008a, nr. 363; Reehuis 1987, nr. 384; Losbladige Vermogensrecht 2009 (P.A. Stein), art. 3:246, aant. 23.7.
In het oude recht was deze bevoegdheid voor de beslaglegger al aanvaard in het arrest Ontvanger/Schot. Zie HR 23 juni 1961, NJ 1962, 263 (Ontvanger/Schot), m.nt. LEHR. Zie over dit arrest, Broekveldt 2003a, nr. 71. Voor pand, vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 771-772. Zie voorts Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering 2000 (A.I.M. van Mierlo), art. 477, aant. 3; Mijnssen 1992, p. 20; Vander Kwaak 1990, p. 78; F.M.J. Jansen 1990, p. 216; Mijnssen & Van Mierlo 2009, par. 3.1, sub c (p. 81); Stein/Rueb 2009, par. 17.5.10.
Art. 477 lid 4 Rv is ontleend aan art. 3:246 lid 2 BW. Zie M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 176.
Vgl. Horsten 1999 (juni), p. 44. Anders: Losbladige Vermogensrecht 2009 (P.A. Stein), art. 3:246, aant. 23.2, waar dit voorbehoud niet wordt gemaakt.
Zie Reehuis 1987, p. 237.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 771-772. Vgl. hiervóór nr. 74 en hierna nr. 725.
Art. 6:19 lid 3 BW is te beschouwen als een aanvulling op art. 3:246 lid 2 BW en art. 477 lid 4 Rv. Zie M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1215; en Schoordijk 1979, p. 105. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-l* 2008, nr. 150; Verdaas 2008a, nr. 370; Losbladige Verbintenissenrecht 2010 G.W.A. Biemans), art. 6:19, aant. 7.
Zie art. 7:971 BW. Zie daarover nader Asser/Clausing & Wansink 5-VI 2007, nr. 567 e.v.; Kalkman 2005, p. 249 e.v. De bepaling is van regelend recht, aldus Asser/ Clausing & Wansink 5-VI 2007, nr. 567; Kalkman 2005, p. 249. Anders (kennelijk): Losbladige Vermogensrecht 2009 (P.A. Stein), art. 3:246, aant. 23.7.
Art. 7:986 lid 4 eerste zin BW bepaalt dat een beperking of uitsluiting van het recht van afkoop (art. 7:978 lid 1 BW) niet kan worden tegengeworpen aan schuldeisers van de verzekeringnemer, de curator in het faillissement van de verzekeringnemer, diens bewindvoerder in geval van surseance van betaling of toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wei de vereffenaar van de nalatenschap van de verzekeringnemer.
Zie daarover o.a. N.v.W. 1, toelichting, Parl. Gesch. Titel7.17, p. 248-249; M.v.A. I, Parl. Gesch. Titel7.17, p. 251-252; Asser/Clausing & Wansink 5-VI 2007, nr. 567 e.v. en nr. 574 e.v.; Kalkman 2005, p. 261-268; Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering 2006 (A.I.M. van Mierlo), art. 479m, 479n en 479p Rv; Mijnssen & Van Mierlo 2009, par. 3.1, sub c (p. 82).
Zie O.M. en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 4, p. 1007. Zie Asser/Perrick 4* 2009, nr. 524; B.M.E.M. Schols 2007, p. 344-345.
Vgl. HR 5 september 2008, NJ 2008, 478, met betrekking tot de afkoop van twee pensioenvoorzieningen (Individual Retirement Accounts) door de curator.
Ondanks het ontbreken van een schakelbepaling als art. 4:215 lid 5 BW is goed verdedigbaar dat art. 22a Fw ook van overeenkomstige toepassing is op de executele.
198. Als door de overgang van de vordering de stille cessionaris het recht om de vordering opeisbaar te maken en het keuzerecht bij een alternatieve verbintenis, de bevoegdheid ex art. 6:19 lid 1 BW en de wilsrechten uit de verzekering verkrijgt, is het vervolgens de vraag of de stille cedent deze rechten dient te kunnen uitoefenen. Uit een analyse van de andere rechtsfiguren waarbij een derde andermans vordering kan innen, blijkt dat de inningsbevoegde derde stééds bevoegd is om de genoemde rechten en bevoegdheden uit te oefenen, zij het op verschillende gronden. Geen reden bestaat om aan te nemen dat dit voor de stille cessie anders zou moeten zijn. Is de stille cedent inningsbevoegd, dan moet hij in beginsel ook bevoegd worden geacht om de vordering opeisbaar te maken.
199. Blijkens de parlementaire geschiedenis bij art. 3:210 lid 2 BW is de vruchtgebruiker op grond van zijn beheersbevoegdheid bevoegd om de vordering opeisbaar te maken. Art. 3:210 lid 2 BW bepaalt dat tenzij bij de vestiging anders is bepaald, de vruchtgebruiker tot ontbinding en opzegging van overeenkomsten slechts bevoegd is, wanneer dit tot een goed beheer dienstig kan zijn. In art. 3.8.8 lid 2 O.M. (art. 3:210 lid 2 BW) was nog bepaald dat de vruchtgebruiker bevoegd is tot ontbinding en opzegging van overeenkomsten, alsmede tot opzegging van niet-opeisbare vorderingen, voor zover dit door een goed beheer wordt geëist,1 In de definitieve tekst is de vermelding van de bevoegdheid tot opzegging van niet-opeisbare vorderingen komen te vervallen. Volgens de wetgever vloeit deze bevoegdheid voort uit de bevoegdheid om overeenkomsten op te zeggen. De bevoegdheden zijn volgens hem een "precisering" van de beheersbevoegdheid.2 De vruchtgebruiker kan de vordering derhalve door opzegging opeisbaar maken wanneer dit tot een goed beheer dienstig kan zijn, tenzij bij de vestiging anders is bepaald (art. 3:210 lid 2 BW). Mocht de opzegging niet tot een goed beheer dienstig kunnen zijn, dan zijn de vruchtgebruiker en hoofdgerechtigde daartoe slechts gezamenlijk bevoegd (art. 3:207 lid 2 tweede zin BW).
Uit de parlementaire geschiedenis volgt een beheersbevoegde derde op grond van zijn beheersbevoegdheid bevoegd is om de door hem beheerde vordering opeisbaar te maken als dit dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering. Het is goed verdedigbaar dat de toekenning van deze bevoegdheid op grond van de beheersbevoegdheid zich voor overeenkomstige toepassing leent voor vergelijkbare gevallen. De beheersbevoegdheid omvat niet alleen de bevoegdheid om een vordering door opzegging vervroegd opeisbaar te maken, maar ook vergelijkbare bevoegdheden, zoals het keuzerecht van de schuldeiser bij een alternatieve verbintenis,3 de bevoegdheid ex art. 6:19 lid 1 BW om het keuzerecht naar zich toe te trekken als het keuzerecht aan de schuldenaar of een derde toekomt en het recht op afkoop bij een levensverzekering, als de uitoefening daarvan dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering.4 In de literatuur wordt aangenomen dat de executeur op grond van zijn beheersbevoegdheid in het algemeen bevoegd zal zijn om een keuze uit te brengen bij een keuzedividend,5 hetgeen vergelijkbaar is met het uitbrengen van een keuze bij een alternatieve verbintenis en derhalve het voorgaande ondersteunt.
De beheersbevoegde derde zal over zijn keuze rekening en verantwoording moeten afleggen.6 Uit de omstandigheden van het geval kan voortvloeien dat de beheersbevoegde derde omtrent zijn keuze in overleg dient te treden met de rechthebbende.
200. Aan de pandhouder en aan de beslaglegger- aan wie de beheersbevoegdheid niet is toegekend - zijn de hiervoor genoemde bevoegdheden in afzonderlijke wettelijke bepalingen toegekend.7 De bevoegdheid van de pandhouder en de beslaglegger om de vordering door opzegging vervroegd opeisbaar te maken, is geregeld in art. 3:246 lid 2 BW respectievelijk art. 477 lid 4 Rv; de bevoegdheid bij een alternatieve verbintenis om een termijn te stellen aan de keuzegerechtigde en zo nodig zelf het keuzerecht uit te oefenen in art. 6:19 lid 3 BW; en de bevoegdheid om een sommenverzekering af te kopen in art. 7:984 lid 1 BW respectievelijk art. 479m-479n Rv. De toekenning van de bevoegdheid aan de pandhouder en de beslaglegger om het opzeggingsrecht en het recht op afkoop uit te oefenen, is opmerkelijk, omdat zij in het normale geval niet bevoegd zijn tot de beëindiging van de aan de vordering onderliggende overeenkomst.8
Art. 3:246 lid 2 BW bepaalt (onder meer) dat de inningsbevoegde pandhouder bevoegd is tot opzegging, wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar kan worden gemaakt.9 In de opzegging door de pandhouder kan mededeling van de verpanding besloten liggen.10 De pandhouder is jegens de pandgever gehouden om niet nodeloos van de bevoegdheid tot opzegging gebruik te maken.11Art. 477 lid 4 eerste zin Rv bepaalt op vergelijkbare wijze dat de beslaglegger bevoegd is tot opzegging, wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar gemaakt kan worden.12 Hij is jegens de geëxecuteerde gehouden niet onnodig van deze bevoegdheid gebruik te maken. De bepalingen zijn in de kern dezelfde.13 De pandhouder en de beslaglegger dienen niet van hun bevoegdheid gebruik te maken, als bijvoorbeeld bij een beslag of een faillissementsaanvraag door een andere schuldeiser, duidelijk is dat de schuldenaar goede redenen heeft om niet aan de desbetreffende schuldeiser te betalen en het beslag waarschijnlijk zal worden opgeheven en de faillissementsaanvraag waarschijnlijk zal worden afgewezen.14 Deze eis kan ook meebrengen dat als verschillende vorderingen onder het pandrecht of het beslag begrepen zijn, eerst de opeisbare vordering moet worden geïnd.15 In de Toelichting Meijers bij art. 3:246 lid 2 BW wordt opgemerkt dat om aansprakelijkheid te vermijden een voorzichtige pandhouder de toestemming van de pandgever zal vragen, alvorens hij tot opzegging al overgaan. Slechts wanneer de toestemming zonder redelijke grond wordt geweigerd, zal hij zelfstandig handelen.16
Indien op een alternatieve verbintenis een pandrecht of een beslag rust en de aangevangen executie bij gebreke van een keuze niet kan worden voortgezet, kan de pandhouder of de beslaglegger aan beide partijen een redelijke termijn stellen om overeenkomstig hun onderlinge rechtsverhouding een keuze uit te brengen (art. 6:19 lid 3 eerste zin BW). Indien de keuze niet binnen deze termijn geschiedt, gaat de bevoegdheid tot kiezen op de pandhouder of beslaglegger over. Zij zijn gehouden niet nodeloos van deze bevoegdheid gebruik te maken.17
Rust op de uit een sommenverzekering voortvloeiende rechten een openbaar pandrecht,18 dan kan de pandhouder de verzekering doen afkopen, tenzij de verzekeringnemer de bevoegdheid mist de verzekering te doen afkopen (art. 7:984 lid 1 BW). Is op de rechten die voor de geëxecuteerde als verzekeringnemer voortvloeien uit een levensverzekering beslag gelegd (art. 4791 e.v. Rv), dan kan de beslaglegger, nadat de verzekeraar derde-verklaring heeft gedaan, de levensverzekering doen afkopen, tenzij de verzekeringnemer de bevoegdheid mist de verzekering te doen afkopen, en zulks niet het gevolg is van een beperking of uitsluiting als bedoeld in art. 7:986 lid 4 BW (art. 479m lid 1 eerste zin Rv).19 Art. 7:984 BW bevat voor de pandhouder, en art. 479m, 479n en 479p Rv bevatten voor de beslaglegger een aantal inhoudelijke vereisten en vormvereisten waaraan de pandhouder respectievelijk de beslaglegger dient te voldoen, alvorens hij het recht op afkoop kan uitoefenen.20 Als bij beslag de begunstigde of de verzekeringnemer door de afkoop van de levensverzekering onredelijk zou worden benadeeld, verbiedt de voorzieningenrechter op diens vordering geheel of ten dele die afkoop (art. 479p lid 1 Rv).
201. De curator en de vereffenaar en de executeur van een nalatenschap zijn op grond van hun bevoegdheid om goederen "te gelde te maken" (zie art. 68 Fw, art. 4:215 en 4:147 BW), ook bevoegd om de vordering vervroegd opeisbaar te maken. Dit volgt uit de parlementaire geschiedenis bij de executele. Art. 4:147 lid 1 BW bepaalt dat de executeur bevoegd is door hem beheerde goederen te gelde te maken, voor zover dit nodig is voor de tot zijn taak behorende voldoening van schulden der nalatenschap en de nakoming der hem opgelegde lasten. In het Ontwerp Meijers werd in art. 4.5.3.10 nog gesproken van het 'verkopen' van de goederen, maar later is dat bij de Memorie van Antwoord II gewijzigd in het te gelde maken van de goederen. Daaronder is ook begrepen "het opzeggen en het incasseren van een tot de beleggingen uitstaande vordering, bijvoorbeeld een rentedragende hypothecaire vordering met behoorlijk onderpand."21
De curator, de executeur en de vereffenaar van een nalatenschap zijn op grand van hun bevoegdheid om goederen te gelde te maken, ook bevoegd om een redelijke termijn te stellen zoals bedoeld in art. 6:19 lid 1 BW, indien het keuzerecht toekomt aan de schuldenaar of een derde. Komt het keuzerecht aan de schuldeisers (de erfgenamen) toe, dan dienen de vereffenaar en de executeur op grand van art. 4:215 lid 2 en 4:147 lid 2 BW omtrent de keuze in overleg te treden met de erfgenamen.22
Uit art. 22a lid 1 sub a Fw volgt dat de curator het recht op afkoop van de levensverzekering kan uitoefenen.23 De bevoegdheid komt hem niet toe voor zover de begunstigde of de verzekeringnemer door de afkoop onredelijk wordt benadeeld. Voor de uitoefening van het recht op afkoop behoeft de curator de toestemming van de rechter-commissaris, die daarbij zo nodig vaststelt tot welk bedrag deze rechten mogen worden uitgeoefend (art. 22a lid 2 eerste zin Fw).24 De regeling van art. 22a Fw is van overeenkomstige toepassing op de vereffening van een nalatenschap (art. 4:215 lid 5 BW).25
202. Uit het voorgaande blijkt dat in alle wettelijke regelingen de inningsbevoegde derde bevoegd is om de vordering opeisbaar te maken. Daarbij bestaat evenwel een verschil of de vordering door de inningsbevoegde derde opeisbaar wordt gemaakt in het kader van de vereffening (executie) of in het kader van het beheer van de vordering.
Aan de vereffenaars zijn de bevoegdheden veelal toegekend in afzonderlijke, wettelijke bepalingen. Dit geldt met name voor de pandhouder en de beslaglegger. Aan hen worden ten aanzien van de uitoefening specifieke eisen gesteld. Bij de alternatieve verbintenis kunnen zij bijvoorbeeld niet direct overgaan tot het uitoefenen van het keuzerecht als dit aan de schuldeiser toekomt, maar dienen zij eerst een redelijke termijn te stellen aan de schuldeiser om de keuze te maken. Bij het recht van afkoop worden verschillende inhoudelijke vereisten en vormvereisten aan de uitoefening gesteld. Op de pandhouder en de beslaglegger rust de verplichting om niet onnodig van hun bevoegdheden gebruik te maken.
Aan de beheersbevoegde derde komen de bevoegdheden toe op grond van zijn beheersbevoegdheid. Aan hem wordt alleen als eis gesteld dat de uitoefening van de bevoegdheid dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering.
203. De bevoegdheden van de stille cedent worden bepaald door hetgeen de stille cedent en de stille cessionaris daarover in de lastgeving zijn overeengekomen. Zijn de stille cedent en de stille cessionaris over de uitoefening van de bevoegdheid tot het door opzegging opeisbaar maken van de vordering, de bevoegdheid tot het afkopen van de verzekering en het keuzerecht bij de alternatieve verbintenis niets overeengekomen, dan brengt een redelijke uitleg van de (privatieve) last tot inning met zich dat de stille cedent in beginsel tot het uitoefenen van deze bevoegdheden bevoegd is. Daarbij dient naar mijn mening niet te worden aangesloten bij de regelingen van pand en beslag, maar steun te worden gezocht bij de regelingen waarin de inningsbevoegde derde tot het vervroegd opeisbaar maken van de vordering bevoegd is op grond van zijn beheersbevoegdheid. De stille cedent is bevoegd tot het door opzegging vervroegd opeisbaar maken van de vordering, het uitoefenen van het keuzerecht en het afkopen van de verzekering als dit dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering.
Is een privatieve last tot inning gegeven, dan is de stille cessionaris niet bevoegd tot uitoefening van deze bevoegdheden. Gaat de stille cessionaris over tot de uitoefening van een van de genoemde bevoegdheden, dan zal daarin mededeling van de stille cessie besloten liggen en mogelijk ook opzegging van de (privatieve) last.