Rb. Den Haag, 21-05-2026, nr. 09/230682-23, 09/118654-24, 09/130075-25 en 09/113041-25 (ttz. gev.)
ECLI:NL:RBDHA:2026:12915
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
21-05-2026
- Zaaknummer
09/230682-23, 09/118654-24, 09/130075-25 en 09/113041-25 (ttz. gev.)
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:12915, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 21‑05‑2026; (Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak)
Uitspraak 21‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Veroordeling demonstrant Extinction Rebellion voor tweemaal in vereniging beschadigen van een tunnelwand aan de A12 en tweemaal in vereniging veroorzaken van gevaar en hinder op de snelweg. Verwerping verweer verdediging dat openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en dat verdachte wegens artikelen 10 en 11 EVRM moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Afwijzing verzoek verdediging tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU. Strafoplegging: een taakstraf van 25 uren en tweemaal een geldboete van 500,- euro. Integrale toewijzing van de vorderingen van benadeelde partijen.
Partij(en)
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/230682-23, 09/118654-24, 09/130075-25 en 09/113041-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 13 maart 2025 (regiezitting), 17 september 2025, 30 maart 2026 en 21 april 2026 (inhoudelijke behandelingen) en is gesloten op de terechtzitting van 11 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. H.J. Starrenburg en N. Stolk, en van wat door de verdachte en zijn raadslieden mrs. C.J.M. van den Brûle, J.K. Kramer, W.H. Jebbink en J. van Lunen naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding met parketnummers 09/230682-23 (dagvaarding I, vernieling/beschadiging tunnelwand A12 op 14 februari 2023), 09/118654-24 (dagvaarding II, vernieling/beschadiging tunnelwand A12 op 26 maart 2024), parketnummer 09/130075-25 (dagvaarding III, blokkade A12 op 11 januari 2025) en 09/113041-25 (dagvaarding IV, blokkade A12 op 5 april 2025). De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie (dagvaarding III en IV)
3.1
Het standpunt van de verdediging
Op de zitting van 13 maart 2025 heeft de verdediging zich bij wijze van preliminair verweer, overeenkomstig de overgelegde pleitnotities, op het standpunt gesteld dat de beslissing om de verdachte te vervolgen in de zaken met parketnummers 09/230682-23 en 09/118654-24 een zodanig ernstige schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De verdediging heeft bepleit dat onbegrijpelijk is dat het openbaar ministerie is overgegaan tot de vervolging van de verdachte, nu meerdere andere demonstranten niet zijn vervolgd. Het preliminaire verweer is door de rechtbank op voornoemde zitting ongegrond verklaard.
Op de zitting van 17 september 2025 heeft de verdediging zich bij wijze van preliminair verweer, overeenkomstig de overgelegde pleitnotities, op het standpunt gesteld dat de beslissing om de verdachte te vervolgen en rauwelijks te dagvaarden, zonder kennisname van het standpunt van de verdachte, in de zaken met parketnummers 09/113041-25 en 09/130075-25 in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde ex artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), in het bijzonder het recht op een eerlijk proces met behoorlijke rechtsbijstand. Ook heeft de verdediging aangevoerd dat het openbaar ministerie is overgegaan tot de vervolging van de verdachte, terwijl meerdere andere demonstranten die vergelijkbaar gedrag hebben vertoond niet zijn vervolgd. In het bijzonder is gewezen op anderen, onder wie medeverdachte [medeverdachte] , die de andere busjes hebben bestuurd. Volgens de verdediging dienen deze schendingen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het preliminaire verweer is door de rechtbank op voornoemde zitting ongegrond verklaard.
Bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op 21 april 2026, heeft de verdediging de op 13 maart 2025 en 17 september 2025 gevoerde preliminaire verweren gehandhaafd.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen. De verdachte is de afgelopen jaren vaker tijdens demonstraties opgepakt voor strafbare feiten en het openbaar ministerie wenst een uitspraak van de rechter, zodat er duidelijkheid komt over de ruimte van bestraffing. Daarbij heeft het openbaar ministerie aangegeven dat zij vaker personen hebben vervolgd voor overtreding van artikel 162 van het Wetboek van Strafrecht en dat in de zaken die vergelijkbaar zijn met die van de verdachte met parketnummers 09/113041-25 en 09/130075-25 thans nog geen vervolgingsbeslissing is genomen, omdat het openbaar ministerie de uitspraak in deze zaak afwacht.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
In artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Zo’n uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, oftewel het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.
Uit de processen-verbaal over deze zaken (vier feiten tijdens vier verschillende demonstraties) blijkt dat een concrete strafrechtelijke verdenking bestond en dat met de strafrechtelijke handhaving een concreet strafrechtelijk belang werd gediend. Daarbij is duidelijk geworden dat de verdachte voor deze feiten is vervolgd, omdat hij met enige regelmaat met justitie in aanraking is gekomen. Dat staat in een persbericht d.d. 15 januari 2025 en is door de officier van justitie ook uitgelegd op de terechtzitting van 13 maart 2025. De rechtbank heeft geen reden gevonden om aan deze uitleg te twijfelen. Het stond de officier van justitie vrij dit te laten meewegen bij de beslissing om in deze zaken tot vervolging over te gaan. Daarnaast heeft te gelden dat het eventueel ten onrechte niet vervolgen van derden van wie de gedragingen mogelijk evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging hadden kunnen zijn niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging tegen de verdachte. Daarbij heeft de rechtbank als het gaat om het feit op 11 januari 2025 (dagvaarding III) geen reden om te twijfelen aan de mededeling van de officier van justitie dat in de zaken tegen andere verdachten, onder wie medeverdachte [medeverdachte] , nog geen beslissing is genomen (waarbij de rechtbank ook heeft kunnen kijken naar het strafblad van medeverdachte [medeverdachte] ).
Van schending van het gelijkheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Voor zover het verweer erop neerkomt dat in strijd is gehandeld met het recht van de verdachte op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM zal de rechtbank dat verwerpen met dezelfde motivering als die van 17 september 2025:
De officier van justitie heeft ervoor gekozen om de verdachte middels parallelle dagvaardingen te vervolgen voor twee extra feiten. Het opportuniteitsbeginsel speelt hierbij een belangrijke rol. Het is in beginsel aan de officier van justitie om te beslissen wie waarvoor wordt vervolgd. De officier van justitie heeft daarin een ruime bevoegdheid die terughoudend moet worden getoetst. De rechtbank is van
oordeel dat het openbaar ministerie op de vorige zitting voldoende duidelijk heeft toegelicht waarom zij tot de keuze is gekomen om over te gaan tot vervolging van de verdachte. Bij het vervolgen van deze extra feiten met pleegdata in 2025 zijn naar het oordeel van de rechtbank geen rechtsbeginselen geschonden. De rechtbank stelt vast dat de verdachte in beide zaken door de politie is gehoord, waarbij hij de mogelijkheid had tot bijstand van een advocaat voorafgaand aan en tijdens het verhoor. De verhoren van de verdachte betroffen de gedragingen die tot de verdenking hebben geleid, waarbij geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de officier van justitie op een later moment kan besluiten de verdachte voor een
ander feit te vervolgen. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een apert onredelijke vervolgingsbeslissing (…). Met betrekking tot het recht van de verdachte op effectieve rechtsbijstand stelt de rechtbank vast dat de verdachte ter terechtzitting is aanwezig met zijn advocaat. De verdachte is ongeveer een maand voor de zitting opgeroepen voor de zaken met de betreffende parketnummers, waarvan zijn advocaat ook op de hoogte is gebracht. De verdediging heeft alle gelegenheid voor het voeren van verweren. Dat gedurende een bepaalde periode sprake is geweest van moeilijkheden bij het verstrekken van dossiers is een praktisch, maar niet onoverkomelijk probleem waar niet alleen de advocatuur, maar ook de rechtbank en vooral het openbaar ministerie last van hebben gehad. De rechtbank acht ten slotte de proceseconomische redenen dat de nieuwe feiten gelijktijdig worden afgedaan met de feiten waarvoor de verdachte reeds werd vervolgd niet onbegrijpelijk.
In aanvulling daarop stelt de rechtbank vast dat de verdediging ter terechtzitting van 17 september 2025 onderzoekswensen heeft gedaan, dat op die zitting een getuige is gehoord en dat de zaak tegen de verdachte op 17 september 2025 niet is afgedaan en op de zitting van 30 maart 2026 juist met het oog op rechtsbijstand van de verdachte is aangehouden.
Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging, zodat het verweer wordt verworpen.
4. Verzoek tot prejudiciële vragen van de verdediging
4.1
De verzoeken van de verdediging (ter zake van dagvaarding I en II)
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – kort en zakelijk weergegeven – prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJEU) moeten worden gesteld over de reikwijdte van de bescherming van artikel 3 lid 8 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: het Verdrag van Aarhus) van milieudemonstranten.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen noodzaak bestaat tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Indien een vraag rijst voor een rechtelijke instantie over de uitleg van het primaire en/of secundaire gemeenschapsrecht, kan de rechterlijk instantie het HvJEU om uitleg vragen. Indien er redelijkerwijs geen twijfel daarover bestaat, kan het stellen van een prejudiciële vraag achterwege blijven. Ook moet het antwoord op de prejudiciële vraag noodzakelijk zijn voor het wijzen van het vonnis.
Het Verdrag van Aarhus draagt volgens artikel 1 van dat verdrag bij aan de bescherming van het recht van elk persoon om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn. Elke partij bij dit verdrag waarborgt in dat kader het recht op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter over milieuaangelegenheden. Zowel Nederland als de Europese Unie zijn sinds 2005 partij bij dit verdrag.
Artikel 3 lid 8 van het Verdrag van Aarhus luidt als volgt:
“Elke Partij waarborgt dat personen die hun rechten uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag niet worden gestraft, vervolgd of op enige wijze gehinderd wegens hun betrokkenheid. Deze bepaling laat onverlet de bevoegdheden van de nationale rechter om in een rechtsgeding redelijke kosten toe te wijzen.”
Uit zowel het rapport van de ‘Compliance Committee’ over het Verdrag van Aarhus, als de rapporten van de ‘UN Special Rapporteur on Environmental Defenders under the Aarhus Convention’ volgt dat een vreedzame milieudemonstratie onder de bescherming van het Verdrag van Aarhus valt. De reikwijdte van die bescherming vloeit volgens die rapporten voort uit internationale mensenrechtelijke verdragen, zoals artikelen 10 en 11 EVRM en de rechtspraak hierover van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). Volgens voornoemde rapporten houdt die bescherming op bij – kort gezegd – geweld en dat geweld wordt omschreven als het gebruik van fysiek geweld jegens anderen, waardoor waarschijnlijk lichamelijk letsel of de dood kan worden veroorzaakt, dan wel waardoor ernstige schade aan private eigendommen kan ontstaan. Of een demonstratie vreedzaam is en onder de bescherming van internationale mensenrechtelijke verdragen valt, betreft een geval-tot-geval beoordeling.
Gelet hierop is de rechtbank is van oordeel dat er geen onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van de bescherming door het Verdrag van Aarhus van milieudemonstranten. De grens ligt bij het plegen van geweld door milieudemonstranten en daarbij wordt nadrukkelijk aangesloten bij het kader zoals dat volgt uit Europese wetgeving en rechtspraak op dit punt.
Nu de noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU niet is gebleken, wijst de rechtbank het verzoek van de verdediging op dit punt af.
5. De bewijsbeslissing
5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van dagvaardingen I en II op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat de wederrechtelijkheid van de gedragingen van de verdachte niet kan worden bewezen.
Met betrekking tot dagvaardingen III en IV heeft de verdediging (inhoudelijk bezien) gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde feit, namelijk het onderdeel dat ziet op gevaar als bedoeld in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft alle ten laste gelegde handelingen bekend.
De rechtbank komt bij alle feiten tot een bewezenverklaring, zoals hierna zal worden toegelicht.
De rechtbank heeft als bijlage 2 opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
5.4
Nadere bewijsoverwegingen
De rechtbank zal - voor zover dat is aangewezen - responderen op de door de verdediging aangevoerde verweren.
Dagvaardingen I & II (telkens vernieling tunnelwand A12)
Op 14 februari 2023 (dagvaarding I) en op 26 maart 2024 (dagvaarding II) heeft Extinction Rebellion actie gevoerd, onder andere in de tunnelbuis van de A12 te Den Haag, waarbij in beide gevallen met een kleurstof leuzen zijn aangebracht op de tunnelwand. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte, al dan niet met anderen, deze leuzen daarop heeft aangebracht.
Bewijsoverwegingen
De verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij op respectievelijk 14 februari 2023 en 26 maart 2024 een leus heeft aangebracht op de tunnelwand. De rechtbank acht bewezen dat hij dit in beide gevallen tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gedaan, gelet op de omstandigheid dat de verdachte en de ander(en) ongeveer gelijktijdig op de tunnelwand ongeveer gelijkluidende spreuken hebben aangebracht en dat zij daarbij gebruik hebben gemaakt van spuitbussen met krijtverf van hetzelfde merk, terwijl zij in de directe omgeving van elkaar zijn aangehouden. Uit deze combinatie van omstandigheden volgt dat naar de uiterlijke verschijningsvorm in beide gevallen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking die erop was gericht om meerdere leuzen op de tunnelwand aan te brengen om daarmee hun boodschap te onderstrepen.
De rechtbank verwerpt het door de verdediging gevoerd verweer dat de wederrechtelijkheid van de gedragingen van de verdachte niet kan worden bewezen, nu uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder de aangifte van de gemeente Den Haag, volgt dat de verdachte niet gerechtigd was tot het plegen van de bewezenverklaarde gedragingen.
Verzoek tot onderzoek (krijtspray)
De rechtbank wijst af het verzoek om de aard en verwijderbaarheid van de krijtspray te laten onderzoeken, nu de noodzaak daarvan niet is gebleken. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht. Uit het procesdossier van dagvaarding I blijkt dat een bepaald soort krijtverf is gebruikt, terwijl de gebruiksaanwijzing daarvan nadrukkelijk vermeldt dat deze kleurstof, afhankelijk van de weersomstandigheden, enkele dagen tot weken blijft zitten en bovendien niet in alle gevallen volledig kan worden verwijderd, namelijk alleen als de kleurstof wordt aangebracht op niet-poreuze ondergrond (bijv. p. 114 van het procesdossier inzake dagvaarding I: “wipes clean only on non-porous surfaces!”). Ook uit het procesdossier van dagvaarding II (p. 13-14) blijkt dat de productdetails van de krijtspray nadrukkelijk vermelden dat deze kleurstof, afhankelijk van de weersomstandigheden, enkele dagen tot weken blijft zitten en dat de verwijderbaarheid van de krijtspray afhankelijk is van de mate van porositeit van het gebruikte oppervlak.
Dagvaarding III
De verdediging heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan om de als getuige gehoorde verbalisant [verbalisant] , die op 11 januari 2025 werkzaam was als centralist van de verkeerscentrale, als getuige te horen, indien de rechtbank haar verklaring voor het bewijs zou bezigen. De rechtbank wijst dat verzoek af, omdat de verklaring van [verbalisant] niet voor het bewijs is gebruikt en dus niet aan de voorwaarde is voldaan.
Dagvaardingen III & IV
Ten aanzien van het primair tenlastegelegde
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het in dagvaardingen III en IV telkens primair tenlastegelegde, maar zal hierna vaststellen dat het bewezenverklaarde (telkens) geen strafbaar feit oplevert, zodat de rechtbank de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde
Het voorgaande betekent niet dat niet kan worden toegekomen aan het subsidiair tenlastegelegde, vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2011, en Gerechtshof Amsterdam 18 februari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:554.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte op 11 januari 2025 (dagvaarding III) en 5 april 2025 (dagvaarding IV) zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.
De verdachte heeft, tezamen met anderen, op respectievelijk 11 januari 2025 en 5 april 2025 de rijstroken van de A12, een snelweg in de richting van Den Haag, overdag geblokkeerd, door gezamenlijk diverse motorvoertuigen op de rijstroken te parkeren. Achterliggende verkeersdeelnemers zijn hierdoor onaangekondigd geforceerd tot stilstand gebracht. Ook was in beide gevallen de vluchtstrook geblokkeerd, waardoor voor verkeersdeelnemers geen uitwijkmogelijkheid bestond. Als gevolg hiervan konden verkeersdeelnemers de geblokkeerde rijbanen niet passeren en is een file ontstaan. Daarmee is in beide gevallen een gevaarzettende situatie veroorzaakt, waarbij een reële kans op een ongeval bestond. De achterliggende automobilisten zijn hier immers niet zonder meer op voorbereid, terwijl deze doorgaans, gelet op de plek waar de blokkade is veroorzaakt, met een hoge snelheid rijden. Ook blijkt dat verkeersdeelnemers hierdoor zijn gehinderd, waaronder een ambulance met optische en geluidssignalen.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat in beide zaken de verdachte, tezamen met anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
5.5
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I (09/230682-23)
hij op 14 februari 2023 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere (delen van) muren/wanden aan de A12, die aan gemeente 's-Gravenhage toebehoorden, heeft beschadigd door hierop een tekst te spuiten;
Dagvaarding II (09/118654-24)
hij op 26 maart 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere (delen van) muren/wanden aan de A12, die aan de gemeente 's-Gravenhage toebehoorden, heeft beschadigd door hierop een tekst te spuiten;
Dagvaarding III (09/130075-25)
primair:
hij op 11 januari 2025 te Voorburg, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een openbare landweg, te weten de A12, heeft versperd, door vier voertuigen op de rijbaan/weg naast elkaar tot stilstand te brengen en te laten staan (waardoor het achterop komend verkeer de doorgang/voortgang werd geblokkeerd);
subsidiair:
hij op 11 januari 2025 te Voorburg, tezamen en in vereniging met anderen, op de weg, de A12, op de rijbaan vier voertuigen tot stilstand heeft gebracht, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd;
Dagvaarding IV (09/113041-25)
primair:
hij op 5 april 2025 te Voorburg, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een openbare landweg, te weten de A12, heeft versperd, door voertuigen op de rijbaan/weg naast elkaar tot stilstand te brengen en te laten staan (waardoor het achterop komend verkeer de doorgang/voortgang werd geblokkeerd);
subsidiair:
hij op 5 april 2025 te Leidschendam, tezamen en in vereniging met anderen, op de weg, de A12, op de rijbaan drie voertuigen tot stilstand heeft gebracht, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
6.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte door het begaan van de strafbare feiten geen bevrijdend beroep op artikelen 10 en 11 EVRM toekomt.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Door de verdediging is ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij gebruik heeft gemaakt van zijn demonstratierecht ex artikelen 10 en 11 EVRM. Door de verdachte voor zijn handelen te vervolgen, te berechten en te bestraffen wordt op een ongeoorloofde manier inbreuk gemaakt op dit demonstratierecht.
Verder is door de verdediging aangevoerd dat hetgeen primair op de dagvaardingen III en IV ten laste is gelegd geen strafbaar feit oplevert.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het primair tenlastegelegde op dagvaardingen III en IV
Artikel 162 van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt:
Hij die opzettelijk enig werk dienende voor het openbaar verkeer of het luchtverkeer vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, enige openbare land- of waterweg verspert of een ten aanzien van zodanig werk of van zodanige weg genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.
De rechtbank stelt vast dat in dagvaardingen III en IV alleen de aanhef van artikel 162 van het Wetboek van Strafrecht ten laste is gelegd, maar niet het in de onder 1 en 2 genoemde gevaar voor de veiligheid van het verkeer dat van de in de aanhef genoemde handeling(en) te duchten is.
Het bewezenverklaarde levert daarom geen strafbaar feit op, waardoor de rechtbank de verdachte ten aanzien van deze feiten zal ontslaan van alle rechtsvervolging.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van feit uitsluiten.
Ten aanzien van het beroep op artikelen 10 en 11 EVRM
Bij de beoordeling van dit verweer heeft de rechtbank met name verschillende uitspraken van de Hoge Raad in aanmerking genomen, zoals ECLI:NL:HR:2022:126, ECLI:NL:HR:2023:1742, ECLI:NL:HR:2025:1313, ECLI:NL:HR:2025:1436 en ECLI:NL:HR:2025:1519. In deze uitspraken heeft de Hoge Raad, met verwijzing naar (ook deels door de verdediging aangehaalde) uitspraken van het EHRM, een lijn uitgezet die de rechtbank zal volgen.
Juridisch kader
De volgende bepalingen zijn van belang:
- artikel 350 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, dat het strafbaar maakt om goederen van een ander opzettelijk en wederrechtelijk te vernielen, te beschadigen en onbruikbaar te maken (een misdrijf),
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, dat het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg strafbaar maakt (een overtreding),
- artikel 10 lid 1 EVRM, dat het recht op vrijheid van meningsuiting formuleert (met de beperkingen en voorwaarden in lid 2) en
- artikel 11 lid 1 EVRM dat het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging formuleert (met de beperkingen en voorwaarden in lid 2).
De in artikelen 10 en 11 EVRM gegarandeerde rechten zijn fundamentele rechten in een democratische samenleving. Beide rechten hangen nauw met elkaar samen. Uit de rechtspraak van het EHRM kan worden afgeleid dat artikel 11 EVRM betrekking heeft op uiteenlopende vormen van protesten (zoals blokkades en bezettingen, die ook in de onderhavige zaak aan de orde zijn), alsmede het recht omvat om, binnen de door lid 2 van die bepaling gestelde grenzen, tijd, plaats en wijze van protest vrijelijk te kiezen.
In deze zaak waren het openbaar ministerie en de verdediging het erover eens dat bij alle feiten sprake was van vreedzame demonstraties, namelijk zonder gewelddadige intenties of het aanzetten daartoe. De rechtbank deelt die visie. Kortom, de verdachte komt in beginsel bescherming toe van artikel 11 EVRM.
Uitgangspunten in de EHRM rechtspraak
Uitoefening van de rechten van artikelen 10 en 11 van het EVRM kan worden beperkt indien:
- 1.
de beperking bij wet is voorzien;
- 2.
de beperking een gerechtvaardigd doel dient;
- 3.
de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving.
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de eerste twee vereisten die artikelen 10 en 11 EVRM stellen aan beperkingen op de daarin neergelegde rechten. De beperking vindt immers haar grondslag in de strafbaarstelling van artikelen 350 van het Wetboek van Strafrecht en 5 van de Wegenverkeerswet 1994 en is daarmee bij wet voorzien. Daarmee is ook voldaan aan de door het EHRM gehanteerde eisen van voorzienbaarheid en toegankelijkheid (‘accessibility’ en ‘foreseeability’). Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de beperking een gerechtvaardigd doel dient. De beperking was in de eerste plaats gericht op het (verder) voorkomen van strafbare feiten, in het bijzonder het voorkomen van hinder en schade. Het voorkomen van strafbare feiten is niet alleen in de artikelen 10 en 11 EVRM expliciet neergelegd, maar dit doel wordt ook in de rechtspraak van het EHRM als legitiem beschouwd.
Bij de vraag of zo’n beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving komt de nationale autoriteiten een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid (‘margin of appreciation’) toe bij het afwegen van de verschillende concrete belangen die in het geding zijn. De beperking moet restrictief worden geïnterpreteerd: er moet sprake zijn van een noodzaak tot eventuele beperkingen. De inmengingen moeten tegemoet komen aan een dwingende maatschappelijke behoefte (‘pressing social need’), in verhouding staan tot dat doel (het proportionaliteitsbeginsel) en de redenen moeten afdoende (‘relevant and sufficient’) zijn. De aard en de ernst van de opgelegde of op te leggen straf(fen) zijn eveneens factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de proportionaliteit.
Ook dient te worden gekeken naar de maatregelen die door de autoriteiten zijn genomen. In dit verband is dan met name van belang dat de verdachte in de zaak met dagvaarding I op 14 februari 2023 om 14.40 uur is aangehouden, naar het politiebureau is vervoerd, is opgehouden voor verhoor, in verzekering is gesteld en om 22.51 uur is heengezonden. Verder is op 14 februari 2023 aan de verdachte een gedragsaanwijzing ex artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering opgelegd, die ongedaan is gemaakt door een gegrond beroep daartegen op 4 april 2023. In de zaak met dagvaarding II is de verdachte op 26 maart 2024 om 20.10 uur aangehouden, naar het politiebureau vervoerd, opgehouden voor verhoor en op 27 maart 2024 om 13.31 uur heengezonden. In de zaak met dagvaarding III is de verdachte op 11 januari 2025 om 12.55 uur aangehouden, naar het politiebureau vervoerd, opgehouden voor verhoor en om 19.00 uur heengezonden. In de zaak met dagvaarding IV is de verdachte op 5 april 2025 om 11.55 uur aangehouden, naar het politiebureau vervoerd, opgehouden voor verhoor en vermoedelijk in die middag of avond heengezonden. Verder is het rijbewijs van de verdachte op 5 april 2025 ingevorderd. Op 15 april 2025 is een brief naar de verdachte gestuurd dat dat rijbewijs aan hem zal worden teruggegeven.
De rechtbank zal daarbij ook betrekken dat biometrische gegevens in het kader van het onderzoek zijn verzameld, zoals het maken van een foto en het vermelden van persoonsgegevens op de ID-staat, welke informatie ook aan bijvoorbeeld de benadeelde partij(en) en medeverdachten is verstrekt, alsmede - indien van toepassing, hetgeen de rechtbank niet kan vaststellen - het afnemen van vingerafdrukken. Of het verzamelen en verspreiden van biometrische gegevens in deze zaak onrechtmatig is gebeurd, laat de rechtbank buiten beschouwing, nu, zelfs als dat kan worden aangenomen, een rechtsgevolg, zoals bewijsuitsluiting of strafvermindering, niet voor de hand ligt. In dat kader verdient opmerking dat het niet ontdekken van een strafbaar feit niet geldt als een rechtens te respecteren belang. De rechtbank zal echter wel, zoals vermeld, alle op de verdachte betrekking hebbende maatregelen na de aanhouding meenemen in het kader van de vraag of sprake was van een rechtmatige beperking van het recht op een vreedzame demonstratie, met als achtergrond: hoe meer maatregelen, des te eerder is er sprake van een ontoelaatbare inbreuk op artikel 11 EVRM. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU, ook omdat de lijn van dit Hof duidelijk is blijkens de arresten van 26 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:49, en van 19 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:219, namelijk – kort gezegd – dat het verzamelen van biometrische gegevens ‘op de automatische piloot’ niet is toegestaan. Het verzoek daartoe zal dus worden afgewezen.
Ten slotte kan elke demonstratie een zekere mate van “disruption to ordinary life” met zich brengen, maar dat is op zichzelf niet voldoende om een beperking te rechtvaardigen van het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent echter niet dat elk strafrechtelijk optreden naar aanleiding van de verdenking van een strafbaar feit dat in relatie tot een demonstratie plaatsvindt tot een schending van artikel 10 en/of 11 EVRM leidt. Bij een vervolging moet de rechter zich echter ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijke optreden, waaronder ook de bestraffing, niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vreedzame vergadering.
Waar ligt de grens als het gaat om de gedraging van de verdachte?
De vrijheid om deel te nemen aan een vreedzame bijeenkomst is van zo'n groot belang dat iemand niet kan worden bestraft voor deelname aan een demonstratie die niet verboden is, zolang die persoon daarbij zelf geen laakbare daad/gedraging (“reprehensible act”) begaat. Wanneer dat wel gebeurt, kan een deelnemer aan een vreedzame demonstratie worden onderworpen aan (de dreiging van) een straf of maatregel. De vraag of en wanneer sprake is van zo’n “reprehensible act” laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.
Toegespitst op het gedrag van de verdachte
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 14 februari 2023 en 26 maart 2024 deel uitmaakte van een groep actievoerders die op de A12 demonstreerden en dat de verdachte als een symbolische actie en om de demonstratie kracht bij te zetten teksten op de muur heeft gespoten. Dit heeft geleid tot schade aan die muur, hetgeen kosten met zich heeft meegebracht omdat die moest worden hersteld (wat een tijdrovende en moeilijke klus is geweest). Het beschadigen van goederen van de gemeente is een inbreuk op het eigendomsrecht van anderen. Dat de goederen eigendom zijn van overheidsorganen maakt dat niet anders. Door zo te handelen heeft de verdachte gezorgd voor een meer ingrijpende ordeverstoring dan een normale vreedzame uitoefening van de door artikelen 10 en 11 EVRM gewaarborgde rechten. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat de aanleiding voor het strafrechtelijke optreden tegen en de vervolging van de verdachte niet was gelegen in het deelnemen aan het protest, maar in het tijdens die protestactie spuiten van de muur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte hiermee een “reprehensible act” gepleegd, waartegen strafrechtelijk optreden geboden was, zodat de daaruit voortvloeiende beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd en noodzakelijk was. Bij dit oordeel heeft de rechtbank ook de hierboven beschreven maatregelen betrokken die ten aanzien van de verdachte zijn genomen, alsmede dat de (hierna te noemen) strafoplegging proportioneel is en niet zo ingrijpend is dat daarvan een “chilling effect” uitgaat.
Ten aanzien van het spuiten van de muur van de A12 heeft de verdediging de nadruk gelegd op het arrest van 30 november 2021 van het EHRM inzake Genov en Sarbinska tegen Bulgarije (ECLI:CE:ECHR:2021:1130JUD05235815), waarin is geoordeeld dat de veroordeling van de verdachten voor het bekladden van een monument niet te rijmen was met de bescherming van artikel 11 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat een vergelijking niet opgaat. Ten eerste is er in de zaak tegen de verdachte duidelijk sprake van een eigenaar van de muur, die voor herstel heeft moeten zorgen en voor de kosten heeft moeten opdraaien, terwijl in de uitspraak van het EHRM gewicht wordt toegekend aan dat er geen bewijs is dat onherstelbare schade is toegebracht, dat niets bekend is over de kosten van de verwijdering en niet bekend is wie die zou(den) moeten betalen. Ten tweede heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2025:1519, dat ging over het bekladden van trams in het kader van een demonstratie, de verwerping van het OVAR-verweer op grond van artikelen 10 en 11 EVRM in stand heeft gelaten, terwijl in die zaak door de verdediging (ook) een beroep op dat EHRM-arrest is gedaan.
Kortom, voor zover het gaat over het spuiten van de muren van de A12 is de rechtbank van oordeel dat het optreden van de politie, de vervolging, de veroordeling en de (hierna te noemen) strafoplegging verenigbaar is met artikelen 10 en 11 EVRM. Het OVAR-verweer met betrekking tot die feiten wordt verworpen.
Ook bij het veroorzaken van gevaar/hinder op de weg is de rechtbank van oordeel dat de beperking van artikelen 10 en 11 EVRM een gerechtvaardigd doel dient en in dit geval noodzakelijk is geweest in een democratische samenleving. De verdachte heeft, samen met anderen, een drukke snelweg midden op de dag geblokkeerd (waarbij op 11 januari 2025 een ambulance met optische- en geluidssignalen veel moeite had om de blokkade te passeren en op 5 april 2025 optische- en geluidssignalen van een politieagent op een motor zijn genegeerd), naar het oordeel van de rechtbank zijn dat laakbare gedragingen, waardoor er een dwingende maatschappelijke noodzaak bestond om hiertegen op te treden. Het optreden van de autoriteiten is niet dermate ingrijpend geweest dat daarmee een ontoelaatbare inbreuk is gemaakt op de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Gelet op de, weliswaar niet onbegrensde, beoordelingsvrijheid die de autoriteiten toekomt bij het beperken van de in artikelen 10 en 11 EVRM neergelegde rechten, is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop is ingegrepen geen schending oplevert van de genoemde verdragsbepalingen.
Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
7. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
8. De strafoplegging
8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een strafoplegging te volstaan met de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zodat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich in vereniging schuldig gemaakt aan twee beschadigingen, door twee keer met een spuitbus verf op de tunnelwand aan de A12 aan te brengen. Daarbij heeft hij schade toegebracht aan het eigendom van een ander. Daarnaast heeft de verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar en hinder op de snelweg. Daarbij heeft de verdachte risico’s in het leven geroepen voor de verkeersveiligheid van andere verkeersdeelnemers. De verdachte heeft dan ook met zijn handelen de grenzen van het toelaatbare, ook tijdens de uitoefening van het recht op demonstratie, overschreden.
De rechtbank slaat ten aanzien van de straftoemeting acht op straffen die in vergelijkbare zaken doorgaans worden opgelegd. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat met betrekking tot dagvaarding I sprake is van enige overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak behoort te worden afgerond.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 februari 2026. Daaruit blijkt dat hij eerder op 9 december 2022 is veroordeeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland, in verband met het medeplegen van overtreding van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht, met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank zal komen tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft gevorderd. Dat komt omdat de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde op dagvaardingen III en IV en het primair tenlastegelegde (telkens) een overtreding betreft.
De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf passend is en dat onder deze omstandigheden voor een beschadiging 15 uur taakstraf (per keer) op zijn plaats is, met 5 uur in mindering (per keer) vanwege de overschrijding van de redelijk termijn. Nu de redelijke termijn bij één beschadiging is overschreden, zal de rechtbank 5 uur in mindering brengen.
Gelet hierop acht de rechtbank een taakstraf van 25 uur passend en geboden.
Voor de overtredingen van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 zal twee keer een geldboete van € 500,- worden opgelegd.
9. De vorderingen van de benadeelde partij (dagvaardingen I en II)
Gemeente Den Haag heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Ter zitting is de benadeelde partij vertegenwoordigd door raadsvrouw mr. I. de Kroes.
Het gevorderde bedrag met betrekking tot dagvaarding I bestaat uit € 9.634,63 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering met betrekking tot dagvaarding II bestaat uit € 5.094,10. Tevens heeft de benadeelde partij blijkens het schriftelijke standaard voegingsformulier verzocht om vergoeding van de proceskosten (op dat moment nog niet concreet begroot) en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht de vorderingen van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
Met betrekking tot dagvaarding I is aangevoerd uit het dossier niet, althans onvoldoende, blijkt dat de door de gemeente Den Haag gemaakte herstelkosten rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde feit, omdat aan de betreffende muren reeds eerder schade is toegebracht (door anderen). Daarnaast heeft de verdediging erop gewezen dat de krijtverf eenvoudig afwasbaar was. De verdediging heeft voorts betoogd dat tussen de geleden schade, de kosten van de schoonmaakwerkzaamheden, en het feit op dagvaarding I onvoldoende causaal verband bestaat nu die werkzaamheden op een later moment, op 18, 19 en 20 april 2023, zijn uitgevoerd.
Subsidiair heeft de verdediging bepleit de hoogte van de vorderingen te matigen, ook omdat de verdachte niet de enige is die schade heeft toegebracht.
Met betrekking tot dagvaarding II heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende duidelijk uit het dossier blijkt dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het aanbrengen van de leuzen en de schade. In het bijzonder heeft de verdediging erop gewezen dat op de factuur van de werkzaamheden is vermeld dat het om het spoorviaduct gaat, zodat onduidelijk is of deze schade aan de verdachte is aan te rekenen.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van dagvaarding I
De rechtbank stelt op basis van het dossier en de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding het volgende vast. De verdachte heeft erkend dat hij op 14 februari 2023 teksten heeft aangebracht op de wanden van de A12/Utrechtsebaan. De rechtbank acht bewezen dat hij dit in vereniging met anderen heeft gedaan. Daardoor is schade ontstaan. De mogelijkheid dat anderen voorafgaand daaraan, of mogelijk zelfs daarna nog, óók teksten hebben aangebracht op de tunnelwand doet daar niet aan af. Op 17 en 18 april 2023 heeft de gemeente Den Haag de teksten door een particulier bedrijf laten verwijderen. Uit de toelichting ter terechtzitting door de raadsvrouw van de gemeente komt naar voren dat veel moeite is gedaan om de teksten te verwijderen. Eerst is getracht de teksten met hogedrukspuit (en water) te verwijderen, vervolgens is getracht om de teksten met een chemisch middel te verwijderen. De teksten konden daarmee niet volledig worden verwijderd, hetgeen logenstraft dat de verdachte (en zijn mededaders) daarbij gebruik hebben gemaakt van ‘eenvoudig afwasbare’ krijtverf. Uiteindelijk zijn de betreffende delen van de wand overgeschilderd. Onder deze omstandigheden staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat de teksten die op 17 en 18 april 2023 zijn verwijderd door onder andere de verdachte zijn aangebracht. Hiermee is het causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en de schade gegeven.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij de gevorderde schadebedragen voldoende onderbouwd. De hoogte van de gevorderde bedragen is door de verdediging ook niet gemotiveerd betwist. De schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit op dagvaarding I. De verdachte is daarom aansprakelijk voor de geleden schade.
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij daarom toewijzen ter hoogte van het gevorderde bedrag, te weten € 9.634,63.
De rechtbank ziet geen aanleiding om dit bedrag te matigen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 4 mei 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met anderen heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover (een) mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft/hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Geen schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal aan de verdachte geen verplichting opleggen tot betaling van het toegewezen bedrag aan de Staat. Naar het oordeel van de rechtbank is de ratio van de schadevergoedingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht dat natuurlijke personen bij de inning van de schadevergoeding worden ontlast. Van de gemeente Den Haag mag worden verwacht dat zij zelf de wegen kent om de toegewezen schadevergoeding bij de verdachte te incasseren. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel acht de rechtbank dan ook niet passend.
Ten aanzien van dagvaarding II
De rechtbank stelt op basis van het dossier en de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding het volgende vast. De verdachte heeft erkend op 26 maart 2024 teksten te hebben aangebracht op de wand van de A12/Utrechtsebaan. Uit het dossier en de toelichting door de Gemeente Den Haag blijkt dat daardoor schade is ontstaan. De teksten zijn vervolgens door het bedrijf Gevelmeesters verwijderd. De kosten voor de verkeersmaatregelen zijn onderbouwd met een factuur en door de verdediging niet betwist. Gevelmeesters offreert op 29 maart 2024 een bedrag van € 1.575,00 (ex BTW) voor het “verwijderen van graffiti/overschilderen aan de Utrechtsebaan”. De factuur van 10 april 2024 van € 1.575,00 van Gevelmeester vermeldt bij de betreft-regel weliswaar “Spoorviaduct boven de A12 Utrechtsebaan te Den Haag”, maar gelet op de voornoemde offerte met daarop hetzelfde geldbedrag is de rechtbank van oordeel dat de gemeente het schadebedrag voldoende heeft onderbouwd. De hoogte van het schadebedrag is door de verdediging ook niet betwist. De schade is een rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde beschadiging. De verdachte is daarom aansprakelijk voor de geleden schade. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij daarom toewijzen ter hoogte van het gevorderde bedrag, te weten € 5.094,10.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van de laatste factuurdatum, 15 april 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft/hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Geen schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal aan de verdachte geen verplichting opleggen tot betaling van het toegewezen bedrag aan de Staat. Naar het oordeel van de rechtbank is de ratio van de schadevergoedingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht dat natuurlijke personen bij de inning van de schadevergoeding worden ontlast. Van de gemeente Den Haag mag worden verwacht dat zij zelf de wegen kent om de toegewezen schadevergoeding bij de verdachte te incasseren. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel acht de rechtbank dan ook niet passend.
10. De toepasselijke wetsartikelen
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, met uitzondering van het primair tenlastegelegde op dagvaardingen III en IV, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding 1:
het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
ten aanzien van dagvaarding II:
het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
ten aanzien van dagvaarding III, subsidiair:
het medeplegen van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
ten aanzien van dagvaarding IV, subsidiair:
het medeplegen van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte ten aanzien van de feiten op dagvaardingen I en II tot:
een taakstraf voor de tijd van 25 (vijfentwintig) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 12 (twaalf) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;
veroordeelt de verdachte ten aanzien van het subsidiaire feit op dagvaarding III voorts tot: een geldboete van € 500,- (vijfhonderd euro);
bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen
door hechtenis voor de tijd van 5 dagen;
en veroordeelt de verdachte ten aanzien van het subsidiaire feit op dagvaarding IV tot een geldboete van € 500,- (vijfhonderd euro);
bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen
door hechtenis voor de tijd van 5 dagen;
de vordering van de benadeelde partij Gemeente Den Haag (dagvaarding I)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om een bedrag van € 9.634,63, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 mei 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan de gemeente Den Haag;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als een mededader de toegewezen schadevergoeding en/of proceskosten deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
de vordering van de benadeelde partij Gemeente Den Haag (dagvaarding II)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 5.094,10 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 april 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan de gemeente Den Haag;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als een mededader de toegewezen schadevergoeding en/of proceskosten deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.M. Krans, voorzitter,
mr. M. Rootring, rechter,
mr. E.R.F. van Engelen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Straaten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 mei 2026.