HR, 13-09-2019, nr. 19/00892
19/00892
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-09-2019
- Zaaknummer
19/00892
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:1316, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑09‑2019; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2019:59
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑09‑2019
- Vindplaatsen
V-N 2019/43.22 met annotatie van Redactie
NLF 2019/2211 met annotatie van Jeannette van der Vegt
FED 2019/148 met annotatie van E. POELMANN
NTFR 2019/2320 met annotatie van Mr. F.C. van der Bogt
FutD 2019-2369
Viditax (FutD) 2019091317
Uitspraak 13‑09‑2019
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/00892
Datum 13 september 2019
ARREST
In de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 januari 2019, nrs. 17/01359 tot en met 17/01379, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. LEE 15/4507 tot en met 15/4523 en 17/146 t/m 17/149) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1990 tot en met 2000 opgelegde (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de over de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake verhogingen/boeten en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de klachten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Naar aanleiding van door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens betreffende de tenaamstelling van rekeningen bij Kredietbank Luxemburg, met gegevens van saldi op 31 januari 1994, heeft de Belastingdienst onderzoek laten instellen naar de identiteit van de rekeninghouders met adresgegevens in Nederland. De Inspecteur heeft een proces-verbaal overgelegd waarin belanghebbende is geïdentificeerd als houder van rekeningen bij Kredietbank Luxemburg.
2.1.2
De inkomsten uit en saldi van die rekeningen zijn niet vermeld in de door belanghebbende gedane aangiften.
De Inspecteur heeft over de jaren 1990 tot en met 1999 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), en over de jaren 1991 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting opgelegd, en daaraan ten grondslag gelegd dat belanghebbende over de rekeningen in Luxemburg beschikte. Op dezelfde grond is de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2000 van de aangifte afgeweken. Met betrekking tot alle (navorderings)aanslagen zijn verhogingen toegepast of vergrijpboeten opgelegd van 100 procent.
2.1.3
Op vordering van de Staat heeft de voorzieningenrechter belanghebbende in kort geding veroordeeld tot het verschaffen van door de Inspecteur verlangde gegevens en inlichtingen, op verbeurte van dwangsommen tot een maximum van een half miljoen euro. In dat vonnis is overwogen dat de Staat voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende gerechtigd is tot de rekeningen bij Kredietbank Luxemburg.Het vonnis van de voorzieningenrechter is door het Hof bekrachtigd bij arrest van 8 april 2014.
2.2.1
Bij de behandeling van het beroep en het hoger beroep betreffende de hiervoor in 2.1.2 genoemde (navorderings)aanslagen was telkens in geschil of belanghebbende terecht is aangemerkt als rechthebbende ten aanzien van de rekeningen bij Kredietbank Luxemburg.Belanghebbende heeft dat ook in hoger beroep bestreden met de stelling dat die rekeningen door derden moeten zijn geopend met gebruik van paspoorten die in 1980 bij een inbraak in belanghebbendes auto zijn gestolen.
2.2.2
Het Hof heeft, voor zover hier van belang, op grond van onder meer de bevindingen in het proces-verbaal van identificatie, als bewijsvermoeden aangenomen dat belanghebbende gerechtigd is geweest tot de bankrekeningen bij Kredietbank Luxemburg. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende het bewijsvermoeden niet heeft ontzenuwd.
2.3
In cassatie wordt onder meer erover geklaagd dat “de rechter in de dwangsomprocedure (hoger beroep 2014)” ook deel uitmaakte van de meervoudige kamer die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Belanghebbende meent dat hij reden heeft “voor ernstige twijfels over een eerlijke rechtspraak”.
2.4.1
Artikel 8:15 Awb houdt in dat een rechter op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Artikel 8:16, lid 1, Awb bepaalt dat het verzoek wordt gedaan zodra die feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2.4.2
Uit de gedingstukken blijkt niet dat belanghebbende de in 2.3 weergegeven feiten en omstandigheden in hoger beroep naar voren heeft gebracht. In de toelichting op de klachten is niet vermeld dat het gaat om feiten en omstandigheden die aan belanghebbende pas bekend zijn geworden uit de bestreden uitspraak. Van dat laatste kan in cassatie niet worden uitgegaan. In de uitspraak in de door belanghebbende genoemde dwangsomprocedure (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 april 2014, zaaknummer 200.139.110-01, ECLI:NL:GHARL:2014:2884) is namelijk vermeld dat deze mede is gewezen door een raadsheer met dezelfde naam en voorletter als een van de raadsheren die blijkens het proces-verbaal in hoger beroep aan de behandeling ter zitting heeft deelgenomen, en onder de gedingstukken bevindt zich een afschrift van een aan belanghebbende gerichte brief van 3 september 2018 waarin mededeling wordt gedaan van de namen en voorletters van de raadsheren die de zaak ter zitting van 16 oktober 2018 zullen behandelen. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat belanghebbende niet eerder dan door de bestreden uitspraak kennis heeft genomen van de omstandigheid dat de betrokken raadsheer aan de behandeling van de zaak zou deelnemen en kan daarover, mede in het licht van artikel 8:16, lid 1, Awb, in beginsel niet voor het eerst in cassatie worden geklaagd. De klachten bevatten geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Op het voorgaande stuiten de klachten af.
2.5
De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten voor het overige niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2019.
Beroepschrift 13‑09‑2019
Aan de Raad der Nederlanden( belastingkamer)
Belanghebbende , [X] vraagt u zijn verzoek om de uitspraak van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden met uitspraakdatum 8 januari 2019 ,nummer 17/ 01359 tot 17/ 01379 , om bepaalde rechtsvragen opnieuw te beoordelen , en zijn verzoek , ontvankelijk te stellen.
Ontstaan, loop geding , feiten etc , staan in de bijgevoegde uitspraak van het gerechtshof
Om niet in oneindige en onnodige herhalingen te vervallen, laat ik dit achterwege, behalve dat ik als belanghebbende , de microfiche , bankafschriften , berekeningen navorderingen niet erken .
De belastingdienst heeft op grond van de microfiche navorderingen opgelegd, er is op alle navorderingen bezwaargemaakt, de inspecteur heeft aan mijn toenmalige accountant gevraagd om uitstel voor het doen van beslissing op bezwaar, hiermee is ingestemd op de voorwaarden die in de wet gelden., voor uitstel beslissing bezwaar, art 7:10 lid 4 letter c de inspecteur mag op grond van deze zich niet meer beroepen op art 47 awr ten aanzien van de al opgelegde navorderingen , om deze van motivering te voorzien .
Aan deze voorwaarden heeft de belasting zich gehouden , tot 2013
Juli 2013 ontving ik een vragenbrief van de inspecteur over de jaren vanaf 2007 tot 2010 , deze heb ik beantwoord teruggestuurd, hierbij is voldaan aan de plicht
De brief augustus 2013 van de advocaat waarin zij om informatie vroeg vanaf 1994 kwam rauwelijks op mijn dak, in alle voorgaande jaren ( 10 jaren aaneen gesloten was er nooit meer gevraagd om informatie door een inspecteur )
De brieven van de advocaat waren zodanig dreigend , met een zeer grote dwangsom in het vooruitzicht
Het rauwelijks arrangeren van een dwangsomprocedure in 2013 , zonder dat er een gesprek is geweest met een inspecteur, na 2004 , de inspecteur vroeg in juli 2013 immers vanaf 2007 in een brief ,
De opzet van de dwangsom , is enkel gebaseerd op een bekentenis, niet op juiste belastingheffing, dit is in een brief van Pels & Rijcken duidelijk , bovendien heeft een dwangsom niets met het opleggen van aanslagen nodig ,
Mijn grief is dan ook ; dat de rechter in de dwangsom procedure (hoger beroep 2014 ) , dat dezelfde rechter ook in meervoudige kamer deelnam.
Deze rechter kan zijn eerder genomen arrest , niet verloochenen
Ik heb dan ook ernstige twijfels over een eerlijke rechtspraak
En deze vrees is niet ongegrond, gezien herhaalde motivatie uit het dwangsom arrest , die weer is overgenomen van de advocaat van de Staat.
Grief 2 hof gaat voorbij aan het feit dat de opgelegde navorderingen niet op feiten waren gebaseerd , de inspecteur jarenlang heeft stilgezeten , hij rauwelijks een dwangsom is gestart in 2013 , in de pleitnota van de advocaat van de Staat wordt gememoreerd aan het protocol 2011 , dat geen informatie door belasting voor 2011 kan worden opgevraagd , en dat het een noodzaak is gegevens te verkrijgen door een dwangsom op te leggen , laat dit nu geheel tegenstrijdig zijn met de nu door inspecteur aangeleverde stukken , het is opmerkelijk dat die rechter die de dwangsom heeft opgelegd ,dit accepteert gezien zijn zittingen in beide zaken
Grief 3 onderzoek verkregen informatie van inspecteur, gezien het feit dat het protocol richtlijn 2011 / zonder meer uitwijst dat er geen informatie gevraagd kon worden over oude niet meer bestaande rekeningen, en het enkel bestaande of nieuwe rekeningen moesten zijn , en dat er pas vanaf tijdvlak 2011 informatie gevraagd mocht worden over deze rekeningen , er geen terugwerkende kracht was, de minister heeft dit duidelijk gesteld in een kamer debat , daarom is het onbegrijpelijk dat de rechter , op de vraag hoe is de inspecteur aan bankafschriften gekomen dit terzijde stelt , met een overweging die kant nog wal raakt , en de inspecteur in het gelijk wordt gesteld, zonder te overwegen dat juist deze richtlijn protocol 2011 een basis was voor het opleggen van een dwangsom in 2013 , omdat zoals de lands advocaat wisman stelde dat de belasting zelf geen informatie kon verkrijgen ,
Het is onbegrijpelijk dat een rechter die een dwangsom oplegt ,wegens het niet anders kunnen verkrijgen, nu toestaat dat alles conform de regels wel mag worden verzameld
De aanvraag over jaren 2011 tm 2015 vallen zo bij zo onder fishing expedition
De belasting beschikte over wetenschap dat de rekening niet meer bestond
Het doet er niet toe of iets gestandaardiseerd is en of betrekking heeft op meerdere belastingplichtigen , het gaat om wat de wet stelt. En daaraan dient een overheid zich eveneens aan te houden
Uit mijn contact met het ministerie van financiën over hoe de belasting aan informatie is gekomen, komt naar voren dat het een individueel inlichtingen verzoek is geweest van de behandelende belasting inspecteur, dus een geheel ander verhaal dan de overweging van het Hof , ik had hierover vorig zomer al 2018 contact opgenomen met de inspecteur, met de vraag hoe hij aan informatie kwam , die wilde mij geen informatie geven , enkel dat ik dat maar aan de rechter moest voorleggen , kennelijk is het de inspecteur ontgaan , dat ik zelf aan het ministerie van financiën informatie had gevraagd, hieruit blijkt geheel iets anders , dan het Hof 's overweging , mijn conclusie hierover is ; dat het handelen van de inspecteur niet deugt .
Het oordeel van het hof is des te meer onbegrijpelijk dat de informatie drang van de inspecteur die buiten proporties is , en wel degelijk vallen onder fishing expedition , en deze toelaatbaar acht ,
De inspecteur mag geen gegevens meer verzamelen voor de beroepsprocedure als deze is aangevangen; schending gelijke partijen, ook hieraan gaat het Hof voorbij
Grief 4 blad 18
Het hof heeft het niet goed begrepen, er was geen sprake van een ontvanger die de woning heeft geveild , de executie van de woning is door de staat , advocaat Pels en Rijcken verkocht, Pels en Rijcken moet hiervan een deel aan de ontvanger geven, de ontvanger had de navorderingen veilig gesteld , voor 130.000,00 euro de staat heeft zich schuldig gemaakt aan oneigenlijke verrijking door de woning te veilen , gezien wat we nu weten is de dwangsom volkomen onterecht; er is sprake van dubbele bestraffing , belasting beschikte zelf over uitstekende instrumenten om informatie te vergaren, en is het opleggen van een dwangsom een ongehoorde verrijking , het valt niet onder belasting , ook niet onder geleden schade, omdat het kosten schade plaatje al was betaald voor de veiling
De belasting is er op uit , verwarring te zaaien, eerst werd er gezegd dat de woning verkocht werd door het openbaar ministerie, bij navraag bij het openbaar ministerie bleek dit helemaal niet zo te zijn, bij navraag aan de verkopende notaris ,ook Pels en Rijcken, wil hij ook geen opdracht overeenkomst laten zien , wie er verantwoordelijk is voor de verkoop , waarom zoveel geheimzinnigheid , als persoon in kwestie heb je recht op inzage in al het geen jou treft,
Zowel de Staat ( Directoraat — Generaal — Belastingdienst ) is schuldig aan het verzaken van ; zoals van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, zij laat het afweten , door zelf geen verantwoordelijkheid te nemen,
Alsmede de inspecteur die zich niet aan deze heeft gehouden ; en alle regels van het algemeen behoorlijk bestuur naast zich neerlegt
Grief; in de zitting van de belastingkamer Het Hof heeft een rechter deelgenomen die ook al een dwangsom had opgelegd, in de civiele dwangsom procedure
Mijn vraag is ;
Kan deze dan onafhankelijk oordelen , deze rechter kan zijn genomen besluit arrest niet verloochenen,
Ik heb dan ook ernstige twijfels , over een eerlijke rechtspraak , ik denk dat mijn vrees niet ongegrond is, en wel om de volgende reden
De dwangsomprocedure is rauwelijks opgestart uit het niets,
Er is geen enkele aanwijzing door de inspecteur gedaan , dat hij voornemens was een procedure te starten,
Op grond van een brief van de belasting , dat na beëindiging van bedrijf de gegevens nog 7 jaren bewaard moesten worden , was de bewaartermijn in 2007 voorbij, in deze 7 jaren en nog jaren er na is er nooit meer gevraagd om informatie, het afdwingen van documentatie in 2013 die je niet hebt en ook niet hoeft te hebben is dan onrechtmatig, na 10 jaar stilzitten,
In de pleitnota van de advocaat van belasting wordt gememoreerd aan het protocol 2011 gegevens uitwisseling; dat de belasting beslist niet zelf informatie kan vragen omdat dit pas vanaf 2011 mogelijk is en dat enkel door het opleggen van een dwangsom gegevens verkregen kunnen worden
De rechter die de dwangsom heeft toegewezen , wordt gevraagd te onderzoeken hoe de inspecteur aan zijn informatie is gekomen,
Hof's oordeel is onbegrijpelijk , nu is er geen enkel probleem, onder 2.45 blad 12 staat dat er namens de staatssecretaris van financiën door belastingdienst informatie is gevraagd. Waarom dan eerst dwangsommen opleggen als men zich niet hoeft te houden aan het protocol 2011, de dwangsom is dan een ongehoorde verrijking door het uitwinnen (executie ) zoals de staat heeft gedaan op 12 dec 2018 de belasting oftewel de staat was heel goed in staat om informatie te verzamelen voor de jaren voor 2011 zonder dwangsommen , door deze actie is de dwangsom door het uitwinnen niets anders dan een ordinaire zelf verrijking geworden , dit heeft de raadsheer die mede de dwangsom heeft opgelegd, gewoon terzijde gelegd
De overweging die gemaakt is door het Hof , is niet te volgen
Dat het verzoek eerst op de belastingjaren 2011 / 2015 ziet is niet van belang , belanghebbende had geen buitenlandse rekening , waarover informatie gevraagd kon worden, dat het verzoek een gestandaardiseerd karakter in houd is ongeloofwaardig , buiten de wettelijke normen gegevens ; informatie opvragen over personen is niet standaard, correspondentie opvragen is niet standaard omdat deze onder persoonlijk eigendom vallen zolang zij niet als basis registratie zijn aan te merken en niet gerelateerd zijn aan heffingen , Hof miskent dat de inspecteur door zoveel informatie te vragen , dat hij op zoek was en dat dit wel degelijk onder fishing expedition valt en dat daardoor het verdrag op grond van het protocol door de inspecteur is geschonden , de toenmalige minister ( Jan Kees de Jager) heeft in de kamer nogmaals uitgelegd , dat er alleen vanaf 2011 gegevens konden worden opgevraagd. En dat er geen terugwerkende kracht bestond. Dit is terug te vinden op internet kamer debatten,
Ik kan de beoordeling niet begrijpen , het is nog maar de vraag of het zo is , zo als de inspecteur de zaken heeft overlegd, ik heb namelijk zelf aan het ministerie van financiën gevraagd hoe de inspecteur aan zijn informatie is gekomen, en uit onderzoek van specialisten , is het een individueel inlichtingen verzoek geweest van een behandelende belasting inspecteur aangezien ik geen idee had wie mijn behandelende inspecteur is , is er contact gezocht met […] tevens de verweerder in de procedure , om te vragen hoe hij aan informatie is gekomen hij wilde hierover niets zeggen , ik moest het maar aan de rechter laten,
Kennelijk heeft de inspecteur geen wetenschap gehad , dat ik andere informatie had , misschien heeft hij niet de juiste informatie hierover verstrekt,,,,, de overweging van het Hof is daardoor voor mij onbegrijpelijk , kennelijk verzint men zaken , om de inspecteur in gelijkheid te stellen,
De inspecteur heeft de regel geschonden van gelijkheid partijen , door informatie te vergaren , terwijl de zaak al onder rechter was ,
Uit het oordeel van het Hof , hoeft de inspecteur zich niet meer aan de regels te houden, zoals zij in de AWR zijn vast gelegd , mag hij wetten overtreden om zijn doelstelling te halen , mogen er rauwelijks dwangsommen worden opgelegd, ongehoorzaamheid inspecteur inzake wetsovertreding protocollen worden weggepoetst ,
Worden er overwegingen gemaakt, zonder juiste feiten aan te geven
Alle berekeningen wijs ik af , over aangiftes van alle genoemde jaren is belasting betaald. De bankafschriften van de inspecteur bevatten geen naamsregistratie en hij heeft de bijbehorende basis registratie ten naam stelling van de bankafschriften van de desbetreffende bank niet overlegd , volgens wettelijke basis regels behoren deze bij juiste bankgegevens ,
Een kleine beschouwing van hoe de zaken er voor mij bijstaan
Micro fiche ; ( 147.000,00 euro )
Opgelegde dwangsom ; 500.000,00 euro
Kosten verhaal aan de staat betaald ruim 10.000,00 euro
Plus advocaat (pels en rijcken ) kosten aan de staat van ruim 5.000,00 euro
Executie verkoop woning door de staat opgeleverd 265.000,00 euro ( Pels&Rijcken
Hiervan heeft de ontvanger 130.000,00 euro voor de navorderingen veiliggesteld
Blijft over 265.000,00 − 130.000,00 = 135.000,00
500.000,00 −135.000,00 = 465.000,00 EURO
KORT GEZEGD , DE OVERHEID EIST IN TOTAAL 645.000,000 EURO
INCLUSIEF BETAALDE VERGOEDING VAN ruim 15.000,00 EURO (kosten/schade verhaal ) aan pels en rijcken
Pels en Rijcken heeft per deurwaarders exploot met datum 12 februari 2019 laten weten , dat zij het overige wenst te innen
De Staat heeft geen schade geleden / door de kosten / verhaal / te betalen. Door [X]
Gezien het feit , dat de dwangsom is opgelegd , wegens geen mogelijkheid om de gegevens zelf te verkrijgen,
Terwijl de staatssecretaris van financiën een opdracht kan geven aan belasting om via het C.L.O. informatie op te vragen, en alle informatie zonder dwangsommen verkrijgbaar zijn , is bewezen dat de dwangsom onrechtmatig is geweest
Tevens heeft de dwangsom geen heffingsbelang aangetoond , deze is in 2013 opgelegd , maar er zijn geen aanslagen opgelegd,
Naar aanleiding van de dwangsom, indien er heffingsbelang was geweest in 2013 ,hadden er na het arrest aanslagen moeten worden opgelegd, het is inmiddels 2019
Mijn verzoek aan u ; de Staat te gelasten geen deurwaardersexploten te versturen inzake gebleken onterechte dwangsom, te stoppen met een advocaat die deze verstuurt. Zich te houden aan de normale beschikkingen zoals een behoorlijk overheid betaamd,
Een duidelijk standpunt in te nemen ; inzake geen onafhankelijk raadsheer
Civiel en belastingkamer van belanghebbende
De vorderingen van de Staat belastingdienst af te wijzen , wegens ontoelaatbaar handelen , waardoor er geen eerlijk proces zonder vooroordelen is geweest
Het niet houden aan wettelijk voorgeschreven protocollen waardoor een doorkruising van gerechtigheid is ontstaan, twee keer verschillende uitleg over wat is toegestaan,
Houding van een overheid in deze ; is niet zo als van een behoorlijk handelend overheid wordt verwacht, het achter houden van juiste informatie in procedures is zeer ernstig,
Het ontbreken van een persoonsregistratie van de bank behorende bij de bankafschriften, is niet overlegd door inspecteur,