Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/4.3.1
4.3.1 Inleiding
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS591082:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Het arrest inzake de Dordtse Autogarage, HR 16 maart 1933, NJ 1933/790 m.nt. E.M. Meijers, maakt de toenmalige opvatting van de Hoge Raad duidelijk ten aanzien van de vraag of het retentierecht ook kon worden ingeroepen tegen een ouder gerechtigde eigenaar. De casus is zowel eenvoudig als illustratief voor het standaardgeval. De Credietmaatschappij gaf twee auto’s in huurkoop aan Van Pelt. Van Pelt gaf deze auto’s in reparatie aan de Dordtse Autogarage. Van Pelt betaalde de Dordtse Autogarage niet. Van Pelt betaalde evenmin de huurkooptermijnen. De huurkoopovereenkomst werd daarop ontbonden en de Credietmaatschappij vorderde afgifte van de auto’s; de garage beriep zich op een retentierecht (van art. 1652 BW-oud, dat betrof het retentierecht van de aannemer van werk). De Hoge Raad besliste dat het retentierecht niet kon worden tegengeworpen aan de Credietmaatschappij. Het kon, als een uit de aannemingsovereenkomst voortspruitend recht alleen worden ingeroepen tegen Van Pelt. Een dergelijk persoonlijk recht kan volgens de Hoge Raad alleen werking tegenover derden hebben indien daarvoor steun is in de wet. Nadien (bij wet van 23 april 1936, S.202, zie Heyning-Plate 1969, p. 207) is overigens met de regeling van huurkoop art. 1576o BW-oud ingevoerd, dat bepaalde dat het retentierecht ook werking heeft tegen de huurverkoper als de retentor zijn wederpartij (de huurkoper) voor eigenaar mocht houden. Art. 1576o (oud) BW is vervallen bij de invoering van het BW in 1992. Zie Fesevur 1992, p. 155- 156 voor een weergave van de (positieve en negatieve) kritiek op het arrest.
Zie par. 2.2.6.
Zie par. 4.4.4 over de kwalificatie als ‘recht op de zaak’ in de zin van art. 3:291 BW.
Zie met name par. 5.4.3.
105. Art. 3:291 lid 2 BW regelt de werking van het retentierecht jegens anterieure derden. Art. 3:291 lid 2 BW onderscheidt twee alternatieve criteria waaronder het retentierecht tegen een ouder gerechtigde kan worden ingeroepen: ofwel de schuldenaar was bevoegd om de overeenkomst met de retentor te sluiten óf de retentor hoefde niet te twijfelen aan die bevoegdheid van de schuldenaar.
De vraag of het retentierecht kon worden ingeroepen tegen anterieure derden is van oudsher veel meer omstreden dan de werking tegen posterieure derden.1 Dit blijkt ook uit de vergelijkbare figuren in Duitsland. Het Duitse recht staat bijvoorbeeld wel de werking van het HGB-retentierecht jegens posterieure derden toe, maar niet jegens anterieure derden en de verkrijging van een wettelijk pandrecht van een onbevoegde is hoogst omstreden.2 Het feit dat het retentierecht kan worden ingeroepen tegen een rechthebbende, die reeds een recht op de zaak had, behoeft (kennelijk) meer rechtvaardiging dan de werking jegens een posterieure derde. Iemand die een recht op een zaak verkrijgt, ongeacht of dit nu een gebruiksrecht, een pandrecht of een eigendomsrecht is, gaat ervan uit dat dit ongestoord zal kunnen worden uitgeoefend. De anterieur gerechtigde heeft het ontstaan van het retentierecht niet ingecalculeerd, en wordt tegen wil en dank geconfronteerd met iemands anders niet-nakoming.
In paragraaf 4.3.2 ga ik in op de totstandkoming van art. 3:291 lid 2 BW. Bij de daaropvolgende behandeling van de twee criteria voor derdenwerking jegens anterieuren, volg ik de structuur van de wet. Ik ga in paragraaf 4.3.3 in op het vereiste van de bevoegdheid van de schuldenaar en in paragraaf 4.3.4 op het daaraan ‘niet hoeven twijfelen’ van de retentor. Gemakshalve ga ik in deze paragraaf in de regel uit van een anterieure eigenaar, maar het kan ook gaan om een anterieur beperkt recht, of een ander anterieur recht op de zaak in de zin van art. 3:291 BW.3 In deze paragraaf houd ik het zo algemeen mogelijk; ik ga niet in op de specifieke rechtsverhouding tussen de ouder gerechtigde en de schuldenaar. Eén geval krijgt in hoofdstuk 5 specifieke aandacht in verband met het feit dat een retentierecht ook mogelijk is op onroerende zaken, namelijk de verhouding hypotheekhouder-hypotheekgever.4