Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.3.3
3.3 De gemeenschappelijke verkrijging door de echtgenoten zelf naar geldend recht
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948090:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding 2008, p. 177-181 en B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding (R&P nr. PFR2) 2011, p. 59-61.
Zie Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/175 en 302; C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 118; Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 147; T.H. Sikkema, ‘Zaaksvervanging en vermogensallocatie in het huwelijksvermogensrecht. Een heikele kwestie’, WPNR 2021/7351, p. 975-976; T.H. Sikkema, ‘Zaaksvervanging bij gezamenlijke verkrijging door echtgenoten’, FTV 2020/28, p. 10; R.E. Brinkman e.a., ‘Zaaksvervanging in het huwelijksvermogensrecht’, WPNR 2018/7198, p. 470-472 en W.G. Huijgen, ‘Nieuw huwelijksvermogensrecht: opnieuw een aandachtspunt gesignaleerd’, JBN 2018/33, p. 5.
Zie paragraaf 2.2 hiervóór, onder verwijzing naar paragraaf 6.1 van hoofdstuk 5.
Zie T.H. Sikkema, ‘Zaaksvervanging bij gezamenlijke verkrijging door echtgenoten’, FTV 2020/28, p. 10 en T.H. Sikkema, ‘Zaaksvervanging en vermogensallocatie in het huwelijksvermogensrecht. Een heikele kwestie’, WPNR 2021/7351, p. 975-976.
Zie T.H. Sikkema, ‘Zaaksvervanging bij gezamenlijke verkrijging door echtgenoten’, FTV 2020/28, p. 10 en T.H. Sikkema, ‘Zaaksvervanging en vermogensallocatie in het huwelijksvermogensrecht. Een heikele kwestie’, WPNR 2021/7351, p. 976 (zie ook de voetnoten 26-28 op die pagina). Alhoewel Sikkema daar niet expliciet op ingaat, lijkt uit zijn opvattingen te volgen dat wanneer de echtgenoten niet gelijktijdig gemeenschappelijk een goed hebben verkregen, wél per afzonderlijk aandeel beoordeeld dient te worden of dit krachtens artikel 1:95 lid 1 BW van de werking van boedelmenging is uitgezonderd. In dat geval gaat het immers om twee verkrijgingen, opvolgend in tijd, krachtens een andere titel. In dat geval kan dus niet meer van ‘één’ verkrijging worden gesproken.
Vgl. paragraaf 2.2 hiervóór (met name randnummer 437), onder verwijzing naar paragraaf 6.1 van hoofdstuk 5.
446. In de vorige paragraaf is uiteengezet dat wanneer men het geldend recht volgt, er geen goede reden bestaat waarom artikel 1:95 lid 1 BW niet van toepassing zou zijn wanneer een goed gemeenschappelijk door de echtgenoten wordt verkregen. Hiermee is echter nog geen antwoord gegeven op de vraag waar toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW dan toe leidt. Evenmin is duidelijk wat heeft te gelden wanneer de echtgenoten een goed gemeenschappelijk verkrijgen en er bij die verkrijging sprake is van een verkrijging rechtstreeks krachtens erfrechtelijke titel of schenking. Wat is bijvoorbeeld rechtens, wanneer de echtgenoten gemeenschappelijk een goed verkrijgen en een van hen zijn aandeel rechtstreeks krachtens erfrecht of schenking heeft verkregen (en de ander niet)? In deze paragraaf zal op deze vragen worden ingegaan.
447. In de literatuur wordt verschillend gedacht over de gevolgen voor de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen, wanneer de echtgenoten gemeenschappelijk een goed verkrijgen en bij die verkrijging een deel van de tegenprestatie ten laste van eigen vermogen van één of beide echtgenoten komt. Ervan uitgaande dat een aandeel in een goed als afzonderlijk goed kwalificeert, bepleit Breederveld dat per afzonderlijk aandeel beoordeeld dient te worden of dit op grond van artikel 1:95 lid 1 BW wel of niet buiten de huwelijksgemeenschap valt.1 Is bij een echtgenoot de voor de verkrijging van zijn aandeel verschuldigde tegenprestatie voor meer dan de helft ten laste van zijn eigen vermogen gekomen, dan valt dat aandeel op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap. Aldus kan het gebeuren dat het aandeel van de ene echtgenoot op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap valt, en het aandeel van de andere echtgenoot niet. Anderen bepleiten daarentegen dat bij een gemeenschappelijke verkrijging door de echtgenoten beide aandelen voor de toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW als één geheel moeten worden gezien, en dat ten aanzien van dat geheel beoordeeld moet worden of dit in of buiten de huwelijksgemeenschap valt. Daarbij zal dat geheel buiten de huwelijksgemeenschap vallen, indien de som van de bijdragen uit het eigen vermogen van beide echtgenoten meer dan de helft bedraagt van de totale tegenprestatie die voor de verkrijging van de beide aandelen verschuldigd was.2 Ter onderbouwing van deze methode wordt dan weer een beroep gedaan op het goederenrechtelijk eenheidsbeginsel Dat beginsel kwam hiervóór al meerdere keren aan de orde.3 Het goederenrechtelijk eenheidsbeginsel zou met zich meebrengen dat per zaak of vermogensrecht als geheel, dan wel het totale aandeel daarin, beoordeeld dient te worden of dit wel of niet in de huwelijksgemeenschap valt. Tot de voorstanders van deze opvatting behoort ook Sikkema.4 Dat is opvallend, omdat in paragraaf 2.2 (zie de randnummers 434 en 436) is gebleken dat hij toepassing van het goederenrechtelijk eenheidsbeginsel bij artikel 1:95 lid 1 BW afwijst wanneer het de uitbreiding van een aandeel in een gemeenschappelijk goed door een van de echtgenoten betreft. De nuance in zijn opvatting is echter hierin gelegen dat Sikkema toepassing van het goederenrechtelijk eenheidsbeginsel beperkt tot iedere afzonderlijke verkrijging opvolgend in tijd; als de aandelen in een gemeenschappelijk goed na elkaar worden verkregen, moet per afzonderlijk aandeel beoordeeld worden of dit in of buiten de huwelijksgemeenschap is gevallen; als de echtgenoten gelijktijdig gemeenschappelijk een goed verkrijgen, moet die verkrijging voor de toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW als één verkrijging worden gezien, ook al worden per saldo twee afzonderlijke goederen verkregen (i.e. ieder afzonderlijk aandeel in het gemeenschappelijke goed).5 Het gevolg hiervan is dat in dat geval voor het gemeenschappelijke goed als geheel beoordeeld moet worden of de som van de totale tegenprestatie voor meer dan de helft ten laste van het eigen vermogen van de echtgenoten is gekomen. Is dat het geval, dan zal het gemeenschappelijke goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW als geheel buiten de huwelijksgemeenschap vallen. Is dat niet het geval, dan valt het goed als geheel in de huwelijksgemeenschap.
448. Wat mij betreft moet deze opvatting niet gevolgd worden. Ook hier geldt dat de goederenrechtelijke zelfstandigheid van de aandelen nu eenmaal tot gevolg heeft dat per afzonderlijk aandeel beoordeeld dient te worden of het wel of niet in de huwelijksgemeenschap valt.6 Het goederenrechtelijk eenheidsbeginsel kan daar niets aan veranderen. Ook hier geldt onverkort dat wanneer men vindt dat een aandeel in een goed als een afzonderlijk goed kwalificeert, het bestaan van dat aandeel als afzonderlijk goed is gegeven, óók waar het de werking van boedelmenging betreft (vgl. randnummer 437 hiervóór). Uitzonderingen zijn niet mogelijk, óók niet wanneer de echtgenoten gelijktijdig ieder een eigen aandeel in een gemeenschappelijk goed verkrijgen (zowel wanneer de echtgenoten de enige twee deelgenoten zijn, als wanneer zij samen met één of meer anderen een goed gemeenschappelijk verkrijgen). Het enkele feit dat ieder van de echtgenoten gelijktijdig een eigen aandeel verwerft, betekent niet dat die aandelen niet meer als afzonderlijk goederen kwalificeren. Ook dan staat de goederenrechtelijke zelfstandigheid van de aandelen dus voorop, en zal per afzonderlijk aandeel beoordeeld moeten worden of dit wel of niet in de huwelijksgemeenschap valt. Het gevolg daarvan kan dan zijn dat het aandeel van ene echtgenoot buiten de huwelijksgemeenschap valt, en het aandeel van de andere echtgenoot tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren. Wat dat betreft sluit ik mij dus aan bij de opvatting van Breederveld.
449. Precies hetzelfde geldt wanneer de echtgenoten gemeenschappelijk een goed hebben verkregen, en een van hen zijn aandeel rechtstreeks krachtens een erfrechtelijke titel of schenking heeft verkregen (en de ander niet). Ook dan zal per afzonderlijk aandeel beoordeeld moeten worden of dit wel of niet in de huwelijksgemeenschap is gevallen. Net zoals bij de uitbreiding van een aandeel van een echtgenoot in een gemeenschappelijk goed, kan men in een dergelijk geval wel als uitgangspunt willen nemen dat ten aanzien van het gehele goed beoordeeld moeten worden of dit wel of niet in de huwelijksgemeenschap valt, maar is in het geheel niet duidelijk welke verkrijgingstitel dan prevaleert (vgl. randnummer 437 hiervóór). Ook hier zal dus een beoordeling per afzonderlijk aandeel dienen plaats te vinden. Het gevolg daarvan is dat het ene aandeel buiten de huwelijksgemeenschap kan vallen, en het andere aandeel niet. Aldus kan het ook hier gebeuren dat dezelfde zaak of hetzelfde vermogensrecht deels in en deels buiten de huwelijksgemeenschap valt, óók als dit gelijktijdig door de beide echtgenoten gemeenschappelijk is verkregen.