De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.3.1:3.1 Inleidende opmerkingen
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.3.1
3.1 Inleidende opmerkingen
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948130:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
441. In de vorige paragraaf is ingegaan op de situatie dat een echtgenoot (een ‘aandeel in’) een gemeenschappelijk goed heeft verkregen en dat dat aandeel vervolgens wordt uitgebreid. In deze paragraaf gaat het over de situatie dat de echtgenoten samen een goed gemeenschappelijk verkrijgen en in die verkrijging een element van erfrecht of gift besloten ligt. Ook hier kan dit een ‘direct’ element van erfrecht of gift zijn, i.e. een verkrijging rechtstreeks krachtens erfrechtelijke titel of schenking, maar óók een verkrijging waarbij de tegenprestatie geheel of gedeeltelijk ten laste van privévermogen is gekomen dat een echtgenoot krachtens erfrecht of gift heeft verkregen (een ‘indirect’ element van erfrecht of gift). In dat laatste geval zal aan de hand van artikel 1:95 lid 1 BW beoordeeld moeten worden wat de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen is. Daarbij bestaat er geen eenduidige opvatting over het antwoord op de vraag of artikel 1:95 lid 1 BW überhaupt van toepassing is op gezamenlijke verkrijgingen door de echtgenoten. Daarom zal in paragraaf 3.2 eerst op die vraag worden ingegaan. Daarbij zal blijken dat het voor beantwoording van deze vraag verschil uitmaakt of men van kwalificatie van de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap naar geldend recht uitgaat, of dat men de alternatieve opvatting volgt. In paragraaf 3.3 zal vervolgens vanuit de kwalificatie van de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap naar geldend recht, worden ingegaan op de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen bij gemeenschappelijke verkrijgingen door de echtgenoten zelf. In paragraaf 3.4 komt de alternatieve visie aan de orde. In paragraaf 3.5 zal tot slot aandacht worden besteed aan vóórhuwelijkse gemeenschappelijke verkrijgingen door beide echtgenoten zelf met een element van erfrecht of gift, met name waar het de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen betreft.