De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.3.5:3.5 Voorhuwelijkse gemeenschappelijke verkrijgingen door de echtgenoten zelf
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.3.5
3.5 Voorhuwelijkse gemeenschappelijke verkrijgingen door de echtgenoten zelf
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948246:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 11, p. 3 en Kamerstukken I 2016/17, 33 987, C, p. 2-3.
Zie Kamerstukken I 2016/17, 33 987, C, p. 2.
Zie paragraaf 3.2 hiervóór.
Zie paragraaf 3.5 van hoofdstuk 7.
Zie Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 11, p. 3.
Vgl. paragraaf 3.4 hiervóór, onder randnummers 454-456.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
457. Tot nu toe is er in deze paragraaf telkens van uitgegaan dat een goed tijdens het bestaan van de wettelijke gemeenschap van goederen aan de echtgenoten gemeenschappelijk is gaan toebehoren. Het is echter óók mogelijk dat de echtgenoten reeds vóór het bestaan van de wettelijke gemeenschap van goederen gemeenschappelijk een goed hebben verkregen, waarbij in die gemeenschappelijke verkrijging een element van erfrecht of gift besloten heeft gelegen. Met name bij de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen verdienen deze voorhuwelijkse gemeenschappelijke verkrijgingen nog enige bijzondere aandacht. Dat komt doordat bij de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen gemeenschappelijke voorhuwelijkse verkrijgingen – anders dan voorhuwelijkse goederen en schulden die slechts door één echtgenoot zijn verkregen – op grond van artikel 1:94 lid 2, aanhef, BW onder de werking van boedelmenging zijn gebracht, terwijl verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift juist expliciet van die huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd. Dit roept de vraag op welke van de twee wettelijke regels nu voorgaat. Is dit de regel dat voorhuwelijkse gemeenschappelijke verkrijgingen tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren, of is dat de regel dat verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel of gift buiten de beperkte huwelijksgemeenschap vallen?
458. Het antwoord op die vraag is dat de uitzondering op de werking van boedelmenging vóórgaat op de hoofdregel van de werking van boedelmenging. Dat betekent dat gemeenschappelijke voorhuwelijkse verkrijgingen van de echtgenoten in de beperkte huwelijksgemeenschap vallen, tenzij zij zijn verkregen krachtens een erfrechtelijke titel of schenking. Deze uitkomst volgt uit de opbouw van artikel 1:94 lid 2 BW. Die opbouw is aldus dat in de aanhef van artikel 1:94 lid 2 BW eerst wordt aangegeven welke goederen onder de reikwijdte van de werking van boedelmenging vallen, waarna in sub a-c categorieën van goederen worden opgesomd die in beginsel onder die reikwijdte vallen, maar toch van de werking van boedelmenging zijn uitgezonderd. Vanuit diezelfde opbouw vallen voorhuwelijkse gemeenschappelijke verkrijgingen in beginsel onder de reikwijdte van boedelmenging (artikel 1:94 lid 2, aanhef, BW), maar vallen zij erbuiten als zij krachtens erfrechtelijke titel of krachtens schenking zijn verkregen (artikel 1:94 lid 2 sub a BW). Een andere uitkomst zou ook lastig te verklaren zijn. Als de echtgenoten tijdens het bestaan van de beperkte gemeenschap gemeenschappelijk een goed krachtens erfrechtelijke titel of schenking verkrijgen, valt dit op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW buiten de beperkte huwelijksgemeenschap. Niet valt in te zien waarom dit dan niet zou gelden bij een gemeenschappelijk goed dat de echtgenoten vóórhuwelijks krachtens een dergelijke titel hebben verkregen. Deze opvatting wordt ook gesteund door de parlementaire geschiedenis. Uit die parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat de initiatiefnemers van de Wet beperking gemeenschap van goederen alléén beoogden om voorhuwelijkse eenvoudige gemeenschappen die niet als ‘privévermogen’ kwalificeren alsnog in de beperkte huwelijksgemeenschap te laten vallen (dus verkrijgingen die ook tijdens het huwelijk niet onder de werking van artikel 1:94 lid 2 sub a-c BW zouden vallen).1 Zij hadden daarbij met name het oog op eenvoudige gemeenschappen die kunnen zijn ontstaan doordat de echtgenoten vóór het huwelijk een tijd met elkaar hebben samengeleefd, en die als het ware ‘uit die samenleving zijn voortgevloeid’.2
459. Gaat het om een voorhuwelijkse gemeenschappelijke verkrijging rechtstreeks krachtens erfrechtelijke titel of gift, dan prevaleert dus de regel dat goederen die krachtens een dergelijke titel zijn verkregen buiten de beperkte huwelijksgemeenschap vallen. Maar hoe zit dat wanneer het een voorhuwelijkse gemeenschappelijke verkrijging met een indirect element van erfrecht of gift betreft (i.e. wanneer de tegenprestatie voor de verkrijging van het voorhuwelijkse gemeenschappelijke goed voor meer dan de helft ten laste van door erfrecht of gift verkregen ‘eigen’ vermogen van de (latere) echtgenoten is gekomen)? Zou een dergelijke verkrijging tijdens het bestaan van de beperkte huwelijksgemeenschap hebben plaatsgevonden, dan zou het gemeenschappelijk verkregen goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de beperkte huwelijksgemeenschap kunnen vallen, afhankelijk van welke opvatting men over de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap volgt.3 Gaat men ervan uit dat artikel 1:95 lid 1 BW óók op een gemeenschappelijke verkrijging door de echtgenoten van toepassing is, dan geldt dat ook voor een voorhuwelijkse gemeenschappelijke verkrijging door de echtgenoten. In hoofdstuk 7 is immers al gebleken dat artikel 1:95 lid 1 BW ook op voorhuwelijkse verkrijgingen van toepassing is.4 Als men ervan uitgaat dat artikel 1:95 lid 1 BW ook op gemeenschappelijke verkrijgingen door de echtgenoten van toepassing is, geldt dat dus óók voor voorhuwelijkse gemeenschappelijke verkrijgingen door de echtgenoten. Ook in dat geval treft men dus een botsing van twee regels aan, te weten artikel 1:94 lid 2, aanhef, BW versus artikel 1:95 lid 1 BW. Ook hier heeft dan te gelden dat de uitzondering op de werking van boedelmenging (i.e. de regeling van artikel 1:95 lid 1 BW) vóórgaat op de hoofdregel. Neemt men aan dat artikel 1:95 lid 1 BW ook op een gemeenschappelijke verkrijging door de echtgenoten van toepassing is, dan valt derhalve ook een gemeenschappelijke voorhuwelijkse verkrijging met een indirect element van erfrecht of gift buiten de beperkte huwelijksgemeenschap (uiteraard indien en voor zover aan de (overige) vereisten van artikel 1:95 lid 1 BW is voldaan).5
460. Diezelfde uitgangspunten gelden vervolgens wanneer de echtgenoten niet gelijktijdig gemeenschappelijk een voorhuwelijks goed hebben verkregen (dus wanneer de ene echtgenoot eerst een (‘aandeel in’ een) goed heeft verkregen, en de andere echtgenoot pas daarna (een ‘aandeel in’) dat goed verkregen heeft). Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de initiatiefnemers ook op die situatie het oog hebben gehad, toen zij voorhuwelijkse gemeenschappelijke goederen alsnog onder de werking van boedelmenging brachten.6 Ook voorhuwelijkse gemeenschappelijke goederen die de echtgenoten niet gelijktijdig hebben verkregen, vallen dus onder de werking van boedelmenging. Ook hier gaat de uitzondering dan weer vóór op de hoofdregel; heeft de voorhuwelijkse verkrijging krachtens een erfrechtelijke titel of krachtens schenking plaatsgevonden, dan zal het voorhuwelijkse gemeenschappelijk verkregen goed alsnog van de werking van boedelmenging zijn uitgezonderd. Dat geldt óók als slechts een van de echtgenoten zijn aandeel krachtens erfrechtelijke titel of schenking heeft verkregen. Daarbij maakt het niet uit of men het geldend recht als uitgangspunt neemt, of dat men de alternatieve opvatting over de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap volgt. Volgt men de alternatieve opvatting over de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap, dan heeft ieder van de echtgenoten de gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijk vermogensrecht als zodanig (‘als geheel’) verkregen. In dat geval vormt de erfrechtelijke titel of schenking bij een van hen een belemmering om die gemeenschappelijke zaak of dat gemeenschappelijke vermogensrecht als zodanig tot de beperkte huwelijksgemeenschap te laten behoren; door die titel kan het betreffende goed niet door beide echtgenoten krachtens boedelmenging herverkregen worden.7 Maar ook als men het geldend recht volgt – en dus een aandeel in een gemeenschappelijk goed als een afzonderlijk goed beschouwt – vormt de erfrechtelijke titel of schenking van slechts één van de aandelen een belemmering om het voorhuwelijks gemeenschappelijk verkregen goed als geheel in de beperkte gemeenschap te laten vallen. In dat geval vormt de erfrechtelijke titel of schenking ten aanzien van dat ene aandeel een belemmering voor de werking van boedelmenging, terwijl voor het andere aandeel dan de regel overblijft dat dit voorhuwelijks is verkregen, waardoor dit om die reden buiten de beperkte huwelijksgemeenschap valt. Aldus worden beide aandelen van de huwelijksgemeenschap uitgezonderd, waardoor het goed als geheel buiten de beperkte huwelijksgemeenschap valt. En precies hetzelfde geldt, wanneer op de niet-gelijktijdige gemeenschappelijke voorhuwelijkse verkrijging artikel 1:95 lid 1 BW toegepast kan worden. In dat geval vormt artikel 1:95 lid 1 BW een belemmering om het voorhuwelijks gemeenschappelijk verkregen goed tot de beperkte huwelijksgemeenschap te laten behoren, óók als men van het geldend recht uitgaat waarin de aandelen in het gemeenschappelijk goed als afzonderlijke goederen kwalificeren. Weliswaar valt in dat laatste geval alleen het ene aandeel op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de beperkte huwelijksgemeenschap, maar ook hier blijft ten aanzien van het andere aandeel dan over dat dit een voorhuwelijks goed betreft, zodat dit om die reden buiten de beperkte huwelijksgemeenschap blijft. Aldus valt ook in dat geval het goed als geheel buiten de beperkte huwelijksgemeenschap. Daarbij is in paragraaf 3.4 wel reeds uiteengezet dat wanneer men de alternatieve opvatting over de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap volgt, artikel 1:95 lid 1 BW bij een gemeenschappelijke verkrijging door de echtgenoten opvolgend in tijd alléén bij de verkrijging door de eerste echtgenoot een rol speelt (zie randnummer 451 hiervóór). Dat geldt dus óók bij een voorhuwelijkse gemeenschappelijke verkrijging door de echtgenoten. Ligt in de verkrijging van de tweede echtgenoot een element van erfrecht of gift besloten, dan zal het voorhuwelijks gemeenschappelijk verkregen goed ‘gewoon’ tot de beperkte huwelijksgemeenschap gaan behoren. Gaat men uit van de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap naar geldend recht, dan moet artikel 1:95 lid 1 BW bij de verkrijging van ieder aandeel op de verkrijging van dat afzonderlijke aandeel worden toegepast. Verwezen wordt naar hetgeen daar in paragraaf 3.3 reeds over is opgemerkt.