In de eerste ronde bij het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft het hof de verdachte bij arrest van 18 maart 2016 wegens “medeplegen van zware mishandeling” (van [betrokkene 1] ) veroordeeld voor een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het medeplegen van poging doodslag op [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en het medeplegen van zware mishandeling van [betrokkene 2] . Het cassatieberoep was ingetrokken voor zover dat was gericht tegen deze vrijspraken.
HR, 13-07-2021, nr. 20/02483
ECLI:NL:HR:2021:1136
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-07-2021
- Zaaknummer
20/02483
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1136, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑07‑2021; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:579
ECLI:NL:PHR:2021:579, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑06‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1136
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑01‑2021
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2021-0257
JIN 2021/126 met annotatie van Oort, C. van
NJ 2021/332 met annotatie van W.H. Vellinga
NTS 2021/65
JIN 2021/126 met annotatie van Oort, C. van
Uitspraak 13‑07‑2021
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. OM o.g.v. art. 349.3 Sv niet-ontvankelijk in vervolging t.z.v. medeplegen van zware mishandeling in discotheek in Nijmegen (art. 302.1 Sr), omdat OM vanwege zwaarwegend opsporingsbelang heeft geweigerd medewerking te verlenen aan bevel van RC om informant als getuige op te roepen. Verhouding tussen art. 349.3 Sv en art. 359a Sv. 1. Had hof bij beoordeling van rechtsgevolg dat moet worden verbonden aan weigering van OM om getuige op roepen, moeten uitgaan van regeling van art. 359a Sv? 2. Moet weigering van OM worden aangemerkt als vormverzuim dat moet worden beoordeeld met inachtneming van HR:2020:1889? Ad 1. Art. 349.3 Sv bepaalt dat rechter niet-ontvankelijkheid van OM in vervolging uitspreekt, als (i) rechter een bevel heeft gegeven om getuige op te roepen maar (ii) OM weigert aan dat bevel uitvoering te geven omdat OM die getuige heeft toegezegd dat hij op geen andere wijze zal worden gehoord dan als bedreigde of afgeschermde getuige en (iii) die getuige o.g.v. onherroepelijke rechterlijke beslissing niet als bedreigde of afgeschermde getuige is aangemerkt. Deze regeling stelt (blijkens wetsgeschiedenis bij art. 349.3 Sv) OM in staat om i.v.m. zwaarwegende opsporingsbelangen de toezegging aan getuige na te komen, ook als rechter de getuige niet als bedreigde of afgeschermde getuige aanmerkt. Daar staat tegenover dat door weigering om uitvoering te geven aan bevel om getuige op te roepen aan zowel rechter als verdediging de mogelijkheid wordt ontnomen om getuige te ondervragen. Mede gelet op recht op eerlijk proces en i.h.b. ondervragingsrecht van verdediging moet rechter dan o.g.v. art. 349.3 Sv niet-ontvankelijkheid van OM in vervolging uitspreken. Die niet-ontvankelijkverklaring hoeft niet definitief te zijn. Zo is het mogelijk dat OM opnieuw tot dagvaarding voor hetzelfde feit overgaat nadat weigeringsgrond is opgeheven, bijvoorbeeld omdat getuige alsnog bereid blijkt op tz. te verschijnen om te kunnen worden ondervraagd. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2002:AD8843 m.b.t. niet-ontvankelijkverklaring van OM in vervolging o.g.v. art. 349.3 Sv. Hof heeft beslist dat CIE-informant als getuige moet worden gehoord en heeft vastgesteld dat informant niet bereid is aan getuigenverhoor medewerking te verlenen en dat OM is gebleven bij weigering om gevolg te geven aan opdracht van hof om getuige voor te brengen. Ook in zo’n geval moet (zoals hof heeft gedaan) worden beslist overeenkomstig regeling van art. 349.3 Sv. Daarbij doet het er niet toe welke inspanningen OM heeft geleverd om getuige te bewegen om wel medewerking te verlenen aan verhoor als getuige. Regeling van art. 349.3 Sv staat er overigens niet aan in de weg dat rechter alsnog afziet van bevel om getuige op te roepen, omdat hij is nagegaan of op andere wijze recht kan worden gedaan aan recht van verdachte op eerlijk proces. In dat geval blijft toepassing van art. 349.3 Sv achterwege. Ad 2. Art. 359a Sv heeft betrekking op vormverzuimen waarvan rechtsgevolgen niet uit wet blijken, terwijl regeling van art. 349.3 Sv voor situaties die onder bereik van die regeling vallen, rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van OM in vervolging voorschrijft. Verder is van belang dat overwegingen uit HR:2020:1889 betrekking hebben op vormverzuimen die niet “bij voorbereidend onderzoek” plaatsvinden omdat het gaat om vormverzuim door ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast maar dat niet is begaan bij voorbereidend onderzoek tegen verdachte of om onrechtmatige handeling jegens verdachte door andere functionaris of persoon dan zo’n opsporingsambtenaar. Deze overwegingen hebben geen betrekking op situatie waarin OM weigert gevolg te geven aan een door rechter na aanvang van onderzoek ttz. gegeven bevel om getuige op te roepen. Volgt verwerping. Vervolg op HR:2017:3060.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/02483
Datum 13 juli 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 augustus 2020, nummer 21-000989-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de verdachte, S.F.W. van ’t Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De plaatsvervangend advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof bij de beoordeling van het rechtsgevolg dat moet worden verbonden aan de weigering van het openbaar ministerie om een getuige op roepen, niet is uitgegaan van de regeling van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en de rechtspraak van de Hoge Raad die op deze regeling betrekking heeft.
2.2
Het hof heeft zijn beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als volgt gemotiveerd:
“De verdediging heeft (voor het eerst) ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 januari 2012 verzocht om een CIE-informant - wiens informatie is opgenomen in een proces-verbaal, opgemaakt door [verbalisant] , Groepschef van de Criminele Inlichtingen Eenheid bij de Politie Gelderland-Zuid op 2 augustus 2011, en welk proces-verbaal deel uitmaakt van het onderhavige dossier - als getuige te doen horen. De rechtbank heeft dit verzoek, nadat zij in een eerdere beslissing het verzoek had toegewezen en het openbaar ministerie had geweigerd medewerking aan het oproepen van de informant als getuige te verlenen, alsnog het verzoek tot het horen van de informant afgewezen.
Bij appelschriftuur heeft de verdediging opnieuw verzocht om de CIE-informant te horen als getuige. Gedurende de procedure in hoger beroep hebben zowel de CIE-officier van justitie als de TCI-chef van de politie in processen-verbaal antwoord gegeven op een aantal vragen van de verdediging aangaande de informant en de door de informant gegeven informatie.
Uit deze processen-verbaal, gedateerd 29 maart 2014 en 4 april 2014, blijkt dat de informant op geen enkele wijze bereid was medewerking te verlenen aan een getuigenverhoor. Tevens blijven in beide processen-verbaal veel van de gestelde vragen onbeantwoord, met als reden dat een antwoord kan bijdragen aan het bekend worden van de identiteit van de informant.
De verdediging heeft het verzoek tot het horen van de informant ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2015, herhaald. Dit hof heeft het verzoek bij tussenarrest van 9 april 2015 afgewezen op de grond dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de informant informatie heeft over de betrokkenheid van de verdachte en er in het dossier reeds vele uiteenlopende verklaringen van personen zijn opgenomen, zodat het hof niet ziet wat een nieuwe verklaring zou kunnen toevoegen. Dit hof heeft vervolgens, op 18 maart 2016, een deels veroordelend arrest gewezen.
Namens verdachte is tegen dit arrest cassatie ingesteld. Het namens verdachte voorgestelde middel behelsde onder meer de klacht dat het hof het verzoek om de informant als getuige te horen bij tussenarrest van 9 april 2015 niet begrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft in cassatie bij arrest van 5 december 2017 het bestreden arrest vernietigd, omdat de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van de CIE-informant niet begrijpelijk was. Het heeft daartoe overwogen:
2.4. (...)
Mede in aanmerking genomen de inhoud van de van de informant ingekomen informatie - erop neerkomend dat een ander dan de verdachte zich aan
zware mishandeling heeft schuldig gemaakt - en voorts hetgeen door de verdediging aan dat verzoek ten grondslag is gelegd, is dat oordeel niet begrijpelijk.
Nadat de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden naar dit hof is teruggewezen, heeft de verdediging bij brief van 5 oktober 2018 en ter terechtzitting van 29 oktober 2018 opnieuw verzocht om de informant als getuige te doen horen. De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting van 29 oktober 2018 op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen en heeft daarbij opgemerkt dat het openbaar ministerie zich altijd verzet tegen het horen van een CIE-informant, omdat daardoor de identiteit van de informant bekend kan worden.
Het hof heeft het verzoek om de informant als getuige te doen horen bij tussenarrest van 12 november 2018 toegewezen, op de grond dat het verdedigingsbelang om de informant als getuige te doen horen door de verdediging voldoende is gemotiveerd. Het hof heeft de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris en daarbij overwogen dat de raadsheer-commissaris voorzorgsmaatregelen dient te treffen om te voorkomen dat de identiteit van de informant bekend wordt.
De advocaat-generaal heeft op 3 mei 2019, ten overstaan van de raadsheer-commissaris, te kennen gegeven dat het openbaar ministerie geen gevolg zal geven aan de opdracht van het hof om de informant als getuige voor te brengen. De risico’s dat de identiteit van de informant bekend wordt en daarmee diens veiligheid wordt geschaad zijn daarvoor te groot.
Naar aanleiding van het verzoek van de verdediging aan de advocaat-generaal om de informant (dan) ter terechtzitting van 9 december 2019 op te roepen, heeft de advocaat-generaal per e-mailbericht van 4 december 2019 (ook) aan het hof te kennen gegeven dat het openbaar ministerie niet alsnog de door het hof toegewezen getuige zal oproepen.
Op verzoek van het hof heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 december 2019 toegezegd om met de CIE-officier van justitie na te gaan of, gelet op de verschillende mogelijkheden om de anonimiteit van de informant bij een verhoor door de raadsheer-commissaris te kunnen waarborgen, het openbaar ministerie alsnog bereid is mee te werken aan het horen van de toegewezen getuige, en zo ja onder welke voorwaarden.
De advocaat-generaal heeft het hof per e-mailbericht van 23 december 2019 te kennen gegeven dat het openbaar ministerie, na intern overleg met onder meer de CIE-officier van justitie, blijft bij zijn weigering om te voldoen aan de opdracht van het hof om de informant als getuige te doen horen. De advocaat-generaal heeft daarbij opgemerkt dat uit het hiervoor besproken proces-verbaal van 4 april 2014 volgt dat de informant niet bereid is om een getuigenverklaring af te leggen, omdat hij vreest voor zijn veiligheid. Wanneer het openbaar ministerie de informant dan toch zou verplichten een verklaring afte leggen, kan dit anderen er van weerhouden om als informant op te treden, welk gevolg het openbaar ministerie niet wenselijk acht.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich ter terechtzitting van 27 juli 2020 op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie, gelet op het voorgaande, ingevolge artikel 349, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting van 27 juli 2020 verzocht om zijn beslissing om de informant als getuige te doen horen te heroverwegen, in die zin dat het horen van de informant niet wenselijk is en/of het belang van de verdediging niet dient.
Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het voorgaande niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat het geen reden ziet de beslissing ten aanzien van het horen van de CIE-informant te herzien en wijst het daartoe strekkende verzoek van de advocaat-generaal af. Het hof overweegt daartoe dat er zich sinds de toewijzing van het verzoek bij tussenarrest van 12 november 2018 geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen, zodat het verdedigingsbelang - gelet op de inhoud van de van de informant ingekomen informatie - nog onverkort geldt.
Het hof constateert naar aanleiding van het hiervoor weergegeven procesverloop dat laatstelijk in 2014 is gebleken dat de betreffende informant geen medewerking wenste te verlenen aan een getuigenverhoor. Het openbaar ministerie is, zo blijkt uit het voorgaande, sinds 2014 en onder verwijzing naar de/het proces(sen)-verbaal uit hetzelfde jaar, gebleven bij zijn weigering om de informant als getuige op te roepen. Het hof constateert daarnaast dat de advocaat-generaal na afloop van de zitting van 9 december 2019, en pas op aandringen van het hof, weliswaar nogmaals contact heeft opgenomen met de CIE-officier van justitie, maar dat uit dit overleg niet - en overigens ook niet anderszins - is gebleken dat door het openbaar ministerie is getracht om de betreffende informant te bewegen om zijn weigering tot het afleggen van een getuigenverklaring te heroverwegen, bijvoorbeeld door de informant voor te houden dat en welke maatregelen er kunnen worden genomen om zijn identiteit en daarmee zijn veiligheid te waarborgen. Bij het ontbreken van (informatie over) de gedane inspanningen in die richting en nu het openbaar ministerie het kennelijk ook niet verantwoord heeft geacht om de getuige als bedreigde getuige te doen horen en er van heeft afgezien de daartoe voorgeschreven procedure te volgen, brengt de ratio van artikel 349, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering - mede gelet op ECLI:NL:HR:2010:BJ8674 - naar het oordeel van het hof mee, dat aan de opstelling van het openbaar ministerie hetzelfde gevolg moet worden verbonden als daar is voorgeschreven, te weten de niet ontvankelijkheid in de vervolging.”
2.3.1
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 264 lid 2 Sv:
“De officier van justitie kan bij een met redenen omklede beslissing een door de verdachte of de voorzitter der rechtbank opgegeven getuige of deskundige weigeren te doen oproepen of weigeren een door de rechtbank gegeven bevel tot oproeping van de getuige ten uitvoer te leggen:
a. indien de getuige een bedreigde getuige is of een afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen is gehouden, dan wel
b. indien de officier van justitie de getuige heeft toegezegd dat hij op geen andere wijze zal worden gehoord dan als bedreigde getuige of als afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden.”
- Artikel 349 lid 3 Sv:
“Ingeval de officier van justitie op grond van artikel 264, tweede lid, onder b, weigert een door de rechter gegeven bevel tot dagvaarding of oproeping van een getuige ten uitvoer te leggen, terwijl die getuige ingevolge een onherroepelijke rechterlijke beslissing geen bedreigde getuige of afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden is, spreekt de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging uit.”
- Artikel 359a lid 1 Sv:
“De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:
a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;
b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;
c. het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.”
2.3.2
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 11 november 1993 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten (getuigenbescherming) (Stb. 1993, 603), waarbij artikel 349 lid 3 in het Wetboek van Strafvordering is gevoegd, houdt onder meer het volgende in:
“Krachtens het voorgestelde artikel 264 kan de officier van justitie bij met redenen omklede beslissing in een tweetal gevallen weigeren een door de verdachte op de voet van artikel 263, eerste tot en met derde lid, opgegeven getuige ter terechtzitting te doen dagvaarden of te doen oproepen of een door de rechter ter terechtzitting op de voet van artikel 280, vierde lid, of artikel 315 bevolen dagvaarding of oproeping van een getuige ten uitvoer te leggen, namelijk als de desbetreffende getuige een bedreigde getuige is of als de officier van justitie op grond van zijn oordeel, dat de getuige voldoet aan de in artikel 226a, eerste lid, onder a en b, genoemde voorwaarden, hem heeft toegezegd dat hij op geen andere wijze dan overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 226c-226f zal worden verhoord. Als de getuige een bedreigde getuige is, is de weigeringsgrond gerechtvaardigd vanwege de aan het onderhavige wetsvoorstel ten grondslag liggende gedachte dat bedreigde getuigen niet op de openbare terechtzitting mogen worden verhoord. De tweede weigeringsgrond is gelegitimeerd, als de officier van justitie op grond van zijn oordeel dat de getuige als een bedreigde getuige dient te worden aangemerkt, hem heeft toegezegd dat hij anoniem zal worden verhoord. Als de officier van justitie een dergelijke toezegging niet kan doen, dan zal, naar verwachting, de bereidheid van bedreigde getuigen om een verklaring af te leggen in sterke mate afnemen. De officier van justitie mag een dergelijke toezegging evenwel alleen doen, indien hij van oordeel is dat de desbetreffende getuige voldoet aan de aan een bedreigde getuige gestelde eisen. Er dient dus een duidelijk verband te bestaan tussen het oordeel van de officier van justitie omtrent de gegrondheid van de anonimiteit en de door hem gedane toezegging omtrent die anonimiteit. De legitimerende grondslag van deze weigeringsgrond is vooral hierin gelegen dat de officier van justitie met het oog op het doen van een toezegging aan een getuige dat hij anoniem zal worden verhoord, niet het oordeel van de rechter omtrent de gegrondheid van de anonimiteit zal kunnen afwachten, omdat anders de bereidheid van getuigen om een verklaring af te leggen te zeer zal afnemen. Zou deze voorwaarde niet gesteld worden, dan laat de wettelijke regeling de mogelijkheid open om ook aan getuigen die naar het oordeel van officier van justitie niet als bedreigde getuigen aangemerkt dienen te worden, een dergelijke toezegging te doen.
(...)
Betwijfeld kan worden of een wettelijke regeling, die zonder meer de officier van justitie de bevoegdheid verleent om ook de tenuitvoerlegging van de dagvaarding van getuigen, ten aanzien van wie door de rechter onherroepelijk is beslist dat zij geen bedreigde getuigen zijn, te weigeren zich verdraagt met het in artikel 6, derde lid onder d, EVRM neergelegde recht van de verdediging om de opgegeven getuigen te kunnen ondervragen («to obtain the attendance and examination of witnesses on his behalf under the same conditions as witnesses against him»). Deze verdragsbepaling impliceert dat, ingeval de verdediging aannemelijk kan maken dat zij belang heeft bij de dagvaarding van de opgegeven getuigen, zulks niet door de officier van justitie kan worden verijdeld. Een ernstige bedreiging van de getuige kan enkel en alleen een rechtvaardiging vormen voor een anoniem verhoor van die getuige, niet voor het geheel achterwege laten van diens verhoor. Indien de anonimiteit van de getuige wordt gewaarborgd, is er sprake van een toereikende bescherming van de belangen van de getuige. Er bestaat geen reden om hem dan geheel en al te ontheffen van zijn wettelijke plicht om getuigenis af te leggen. Ingeval in twee instanties door de rechter is geoordeeld dat de getuige geen aanspraak toekomt op een anoniem verhoor, dient de getuige zijn wettelijke getuigplicht na te komen. Het verzoek om zijn identiteit verborgen te houden kan achteraf de toets aan de daartoe in de wet opgenomen maatstaven niet doorstaan. De bevoegdheid tot weigering van de tenuitvoerlegging van de dagvaarding van een getuige, die naar het oordeel van de rechter geen bedreigde getuige is, kan dus niet worden gebaseerd op het recht van de getuige op bescherming van zijn fundamentele rechten en belangen. Deze weigeringsbevoegdheid kan echter wel worden gerechtvaardigd door het opsporingsbelang, namelijk het belang dat pretense bedreigde getuigen niet worden afgeschrikt om een verklaring tegenover de politie of de rechter-commissaris af te leggen, omdat hun anonimiteit niet wordt gegarandeerd. Indien dit opsporingsbelang zo zwaar weegt dat de officier van justitie een door hem aan de getuige gedane toezegging tot garantie van de anonimiteit gestand wil doen, niettegenstaande het feit dat de rechter in twee instanties heeft beslist dat deze anonimiteit ongegrond is, dan dient de strafzaak te worden beëindigd. Ik stel daarom voor aan artikel 349 een nieuw derde lid toe te voegen, waarin is bepaald dat in geval van een weigering van de officier van justitie om een door de rechter gegeven bevel tot dagvaarding of oproeping van een getuige ten uitvoer te leggen, terwijl die getuige ingevolge een onherroepelijke rechterlijke beslissing geen bedreigde getuige is, de rechtbank de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging dient uit te spreken.
Voor alle betrokkenen dient vooraf duidelijk te zijn welk rechtsgevolg een dergelijke weigering zal hebben.
Ik opteer voor een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie om een tweetal redenen. In geval van een dergelijke einduitspraak kan het openbaar ministerie in beginsel opnieuw tot dagvaarding overgaan, als de weigeringsgrond is opgeheven, bij voorbeeld omdat de getuige alsnog bereid blijkt op de terechtzitting te verschijnen ten einde te kunnen worden ondervraagd. In de tweede plaats kan de officier van justitie tegen deze einduitspraak hoger beroep en daarna beroep in cassatie instellen, indien hij bij voorbeeld van oordeel is dat de rechtbank ten onrechte de dagvaarding van de desbetreffende getuige heeft bevolen. In geval van een vernietiging van het vonnis, wordt de zaak opnieuw door het gerecht in eerste aanleg behandeld. In de voorgestelde regeling heeft de rechter dus het laatste woord, waar het gaat om de gegrondheid van de anonimiteit van een getuige. De regeling biedt voorts het openbaar ministerie de mogelijkheid om ten einde aan pretense bedreigde getuigen een garantie omtrent hun anonimiteit ter gelegenheid van een verhoor te kunnen verschaffen om een verhoor op de openbare terechtzitting van die getuige te kunnen tegenhouden. Gelet op de consequenties van deze beslissing zowel voor de verdedigingspositie van de verdachte als voor de vrijheid van de rechter om de door hem noodzakelijke geachte onderzoekshandelingen te kunnen laten verrichten - voor wat betreft het onderzoek ter terechtzitting is de rechter immers «dominus litis» - dient de strafzaak een einde te nemen.”
(Kamerstukken II 1991/92, 22483, nr. 3, p. 27-29)]
2.4.1
Artikel 349 lid 3 Sv bepaalt dat de rechter de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging uitspreekt, als (i) de rechter een bevel heeft gegeven om een getuige te dagvaarden of op te roepen maar (ii) het openbaar ministerie weigert aan dat bevel uitvoering te geven omdat het openbaar ministerie die getuige heeft toegezegd dat hij op geen andere wijze zal worden gehoord dan als bedreigde of afgeschermde getuige, en (iii) die getuige op grond van een onherroepelijke rechterlijke beslissing niet als bedreigde of afgeschermde getuige is aangemerkt. Deze regeling stelt, zo volgt ook uit de onder 2.3.2 vermelde wetsgeschiedenis, het openbaar ministerie in staat om in verband met zwaarwegende opsporingsbelangen de toezegging aan de getuige na te komen, ook als de rechter de getuige niet als bedreigde of afgeschermde getuige aanmerkt. Daar staat tegenover dat door de weigering om uitvoering te geven aan het bevel om de getuige te dagvaarden of op te roepen aan zowel de rechter als de verdediging de mogelijkheid wordt ontnomen om de getuige te ondervragen. Mede gelet op het recht op een eerlijk proces en in het bijzonder het in artikel 6 lid 3, onder d, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht van de verdediging om getuigen te kunnen ondervragen, moet de rechter dan op grond van artikel 349 lid 3 Sv de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging uitspreken. Zoals ook in de wetsgeschiedenis is opgemerkt, hoeft die niet-ontvankelijkverklaring niet definitief te zijn. Zo is het mogelijk dat het openbaar ministerie opnieuw tot dagvaarding voor hetzelfde feit overgaat nadat de weigeringsgrond is opgeheven, bijvoorbeeld omdat de getuige alsnog bereid blijkt op de terechtzitting te verschijnen om te kunnen worden ondervraagd.
2.4.2
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8843 geoordeeld dat als het openbaar ministerie vanwege een zwaarwegend opsporingsbelang een toezegging heeft gedaan aan een persoon dat hij in het geheel niet als getuige wordt gehoord – ook niet als bedreigde of afgeschermde getuige – en het openbaar ministerie weigert om uitvoering te geven aan het door de rechter gegeven bevel om die persoon als getuige te dagvaarden of op te roepen, de rechter het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet verklaren in de vervolging op grond van artikel 349 lid 3 Sv.
2.4.3
In de onderhavige zaak heeft het hof beslist dat een CIE-informant als getuige moet worden gehoord. Het hof heeft vastgesteld dat de informant niet bereid is gebleken aan een getuigenverhoor medewerking te verlenen en dat het openbaar ministerie – ook na intern overleg over de mogelijkheden om de informant op zodanige wijze te horen dat zijn anonimiteit wordt gewaarborgd – is gebleven bij de weigering om gevolg te geven aan de opdracht van het hof om de getuige voor te brengen. Ook in zo’n geval moet – zoals het hof heeft gedaan – worden beslist overeenkomstig de regeling van artikel 349 lid 3 Sv. Daarbij doet het er niet toe welke inspanningen het openbaar ministerie heeft geleverd om de getuige te bewegen om wel medewerking te verlenen aan een verhoor als getuige.
2.4.4
De regeling van artikel 349 lid 3 Sv staat er overigens niet aan in de weg dat de rechter alsnog afziet van het bevel om de getuige op te roepen of te dagvaarden, omdat hij naar aanleiding van de weigering van het openbaar ministerie om vanwege een zwaarwegend opsporingsbelang uitvoering te geven aan het door de rechter gegeven bevel om een getuige te dagvaarden of op te roepen, is nagegaan of op andere wijze recht kan worden gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces, bijvoorbeeld door het uitsluiten van bewijsmateriaal of door het horen van andere getuigen. In dat geval blijft toepassing van artikel 349 lid 3 Sv achterwege.
2.5.1
In de toelichting op het cassatiemiddel wordt betoogd dat de weigering van het openbaar ministerie om vanwege een zwaarwegend opsporingsbelang uitvoering te geven aan het door de rechter gegeven bevel om een getuige te dagvaarden of op te roepen, moet worden aangemerkt als een vormverzuim dat moet worden beoordeeld met inachtneming van wat de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889.
2.5.2
Dit arrest houdt onder meer het volgende in:
“Vormverzuimen “bij het voorbereidend onderzoek” en daarbuiten
2.2.1
De toepassing van artikel 359a Sv is onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” tegen de verdachte. Op grond van artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn in het bijzonder ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Daarbij dient op grond van artikel 132a Sv onder opsporing te worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.
Daarnaast heeft “het voorbereidend onderzoek” in artikel 359a Sv uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in artikel 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Artikel 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. (Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR: 2004:AM2533, rechtsoverweging 3.4.2 en HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:706, rechtsoverweging 4.3.)
2.2.2
Deze begrenzing tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” tegen de verdachte, sluit echter niet uit dat de vraag aan de orde kan komen of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a Sv ligt. In dit verband kan worden gedacht aan het verzuim van de officier van justitie om tijdig op grond van artikel 311 lid 1 Sv het voornemen tot het indienen van de ontnemingsvordering en/of het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek kenbaar te maken (HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN2297 en HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0251), het gebruik van de resultaten van het door een inlichtingen- en veiligheidsdienst ingestelde onderzoek (HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7544) en het optreden van een particuliere beveiliger (HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7501). Genoemd kan ook worden de rechtspraak waarin met betrekking tot onderzoek dat is verricht onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat, is aanvaard dat de Nederlandse strafrechter mag onderzoeken of het gebruik van de resultaten van dat onderzoek in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM (HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629).
Uit deze en andere rechtspraak van de Hoge Raad die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 76-99 is besproken, volgt dat onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte zoals bedoeld in 2.2.1, of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo’n opsporingsambtenaar. In deze rechtspraak worden criteria aangelegd die naar de bewoordingen niet steeds gelijkluidend zijn, maar waarin als algemene overkoepelende maatstaf besloten ligt dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. In een dergelijk geval is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg wordt verbonden aan het vormverzuim of de onrechtmatige handeling, en zo ja: welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van dat verzuim of die handeling. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de maatstaven die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn ontwikkeld met betrekking tot de verschillende rechtsgevolgen die aan een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv kunnen worden verbonden.”
2.5.3
Het betoog in de toelichting op het cassatiemiddel miskent dat artikel 359a Sv betrekking heeft op vormverzuimen waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, terwijl de regeling van artikel 349 lid 3 Sv voor de situaties die onder het bereik van die regeling vallen, het rechtsgevolg van de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging voorschrijft. Verder is van belang dat de onder 2.5.2 weergegeven overwegingen van de Hoge Raad betrekking hebben op vormverzuimen die niet “bij het voorbereidend onderzoek” plaatsvinden omdat het gaat om een vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, of om een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo’n opsporingsambtenaar. Deze overwegingen hebben geen betrekking op de situatie waarin het openbaar ministerie weigert gevolg te geven aan een door de rechter na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting gegeven bevel om een getuige te dagvaarden of op te roepen.
2.6
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juli 2021.
Conclusie 08‑06‑2021
Inhoudsindicatie
Conclusie plv-AG. OM-cassatie. Het hof heeft het OM niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging omdat het OM weigert uitvoering te geven aan de opdracht van het hof om een CIE-informant als getuige op te roepen. In cassatie wordt de vraag opgeworpen of de arresten van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889 en ECLI:NL:HR:2020:1890) waarin de Hoge Raad zich heeft uitgesproken over de rechtsgevolgen van vormverzuimen die buiten het bereik van art. 359a Sv vallen, nopen tot een andere uitleg van art. 349 lid 3 Sv respectievelijk HR 25 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8843, rov 3.8. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/02483
Zitting 8 juni 2021
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
1.1.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 10 augustus 2020 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging van de verdachte omdat het openbaar ministerie weigert uitvoering te geven aan de opdracht van het hof om een CIE-informant als getuige op te roepen.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld door de advocaat-generaal bij het hof. De advocaat-generaal mr. W.J.V. Spek heeft een middel van cassatie voorgesteld.
1.3.
Mr. S.F.W. van ’t Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.
1.4.
De onderhavige zaak is eerder in cassatie geweest bij de Hoge Raad. Bij arrest van 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3060 vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem – voor zover aan zijn oordeel onderworpen1.– omdat de afwijzing van het verzoek om een CIE-informant als getuige te horen niet begrijpelijk was. De Hoge Raad wees de zaak in zoverre terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem. Het bestreden arrest is het vervolg daarop.
2. Het middel
2.1.
In het middel wordt geklaagd dat het hof bij zijn beoordeling van de weigering van het openbaar ministerie om een informant als getuige op te roepen blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting, althans dat het hof zijn beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging ontoereikend en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
2.2.
Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De verdediging heeft (voor het eerst) ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 januari 2012 verzocht om een ClE-informant – wiens informatie is opgenomen in een proces-verbaal, opgemaakt door [verbalisant] , Groepschef van de Criminele Inlichtingen Eenheid bij de Politie Gelderland-Zuid op 2 augustus 2011, en welk proces-verbaal deel uitmaakt van het onderhavige dossier – als getuige te doen horen. De rechtbank heeft dit verzoek, nadat zij in een eerdere beslissing het verzoek had toegewezen en het openbaar ministerie had geweigerd medewerking aan het oproepen van de informant als getuige te verlenen, alsnog het verzoek tot het horen van de informant afgewezen.
Bij appelschriftuur heeft de verdediging opnieuw verzocht om de CIE-informant te horen als getuige. Gedurende de procedure in hoger beroep hebben zowel de CIE-officier van justitie als de TCI-chef van de politie in processen-verbaal antwoord gegeven op een aantal vragen van de verdediging aangaande de informant en de door de informant gegeven informatie. Uit deze processen-verbaal, gedateerd 29 maart 2014 en 4 april 2014, blijkt dat de informant op geen enkele wijze bereid was medewerking te verlenen aan een getuigenverhoor. Tevens blijven in beide processen-verbaal veel van de gestelde vragen onbeantwoord, met als reden dat een antwoord kan bijdragen aan het bekend worden van de identiteit van de informant.
De verdediging heeft het verzoek tot het horen van de informant ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2015, herhaald. Dit hof heeft het verzoek bij tussenarrest van 9 april 2015 afgewezen op de grond dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de informant informatie heeft over de betrokkenheid van de verdachte en er in het dossier reeds vele uiteenlopende verklaringen van personen zijn opgenomen, zodat het hof niet ziet wat een nieuwe verklaring zou kunnen toevoegen. Dit hof heeft vervolgens, op 18 maart 2016, een deels veroordelend arrest gewezen.
Namens verdachte is tegen dit arrest cassatie ingesteld. Het namens verdachte voorgestelde middel behelsde onder meer de klacht dat het hof het verzoek om de informant als getuige te horen bij tussenarrest van 9 april 2015 niet begrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft in cassatie bij arrest van 5 december 2017 het bestreden arrest vernietigd, omdat de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van de CIE-informant niet begrijpelijk was. Het heeft daartoe overwogen:
2.4. (...) Mede in aanmerking genomen de inhoud van de van de informant ingekomen informatie – erop neerkomend dat een ander dan de verdachte zich aan zware mishandeling heeft schuldig gemaakt – en voorts hetgeen door de verdediging aan dat verzoek ten grondslag is gelegd, is dat oordeel niet begrijpelijk.
Nadat de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden naar dit hof is teruggewezen, heeft de verdediging bij brief van 5 oktober 2018 en ter terechtzitting van 29 oktober 2018 opnieuw verzocht om de informant als getuige te doen horen. De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting van 29 oktober 2018 op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen en heeft daarbij opgemerkt dat het openbaar ministerie zich altijd verzet tegen het horen van een CIE-informant, omdat daardoor de identiteit van de informant bekend kan worden.
Het hof heeft het verzoek om de informant als getuige te doen horen bij tussenarrest van 12 november 2018 toegewezen, op de grond dat het verdedigingsbelang om de informant als getuige te doen horen door de verdediging voldoende is gemotiveerd. Het hof heeft de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris en daarbij overwogen dat de raadsheer-commissaris voorzorgsmaatregelen dient te treffen om te voorkomen dat de identiteit van de informant bekend wordt.
De advocaat-generaal heeft op 3 mei 2019, ten overstaan van de raadsheer-commissaris, te kennen gegeven dat het openbaar ministerie geen gevolg zal geven aan de opdracht van het hof om de informant als getuige voor te brengen. De risico’s dat de identiteit van de informant bekend wordt en daarmee diens veiligheid wordt geschaad zijn daarvoor te groot.
Naar aanleiding van het verzoek van de verdediging aan de advocaat-generaal om de informant (dan) ter terechtzitting van 9 december 2019 op te roepen, heeft de advocaat-generaal per e-mailbericht van 4 december 2019 (ook) aan het hof te kennen gegeven dat het openbaar ministerie niet alsnog de door het hof toegewezen getuige zal oproepen.
Op verzoek van het hof heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 december 2019 toegezegd om met de CIE-officier van justitie na te gaan of, gelet op de verschillende mogelijkheden om de anonimiteit van de informant bij een verhoor door de raadsheer-commissaris te kunnen waarborgen, het openbaar ministerie alsnog bereid is mee te werken aan het horen van de toegewezen getuige, en zo ja onder welke voorwaarden.
De advocaat-generaal heeft het hof per e-mailbericht van 23 december 2019 te kennen gegeven dat het openbaar ministerie, na intern overleg met onder meer de CIE-officier van justitie, blijft bij zijn weigering om te voldoen aan de opdracht van het hof om de informant als getuige te doen horen. De advocaat-generaal heeft daarbij opgemerkt dat uit het hiervoor besproken proces-verbaal van 4 april 2014 volgt dat de informant niet bereid is om een getuigenverklaring af te leggen, omdat hij vreest voor zijn veiligheid. Wanneer het openbaar ministerie de informant dan toch zou verplichten een verklaring af te leggen, kan dit anderen er van weerhouden om als informant op te treden, welk gevolg het openbaar ministerie niet wenselijk acht.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich ter terechtzitting van 27 juli 2020 op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie, gelet op het voorgaande, ingevolge artikel 349, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting van 27 juli 2020 verzocht om zijn beslissing om de informant als getuige te doen horen te heroverwegen, in die zin dat het horen van de informant niet wenselijk is en/of het belang van de verdediging niet dient. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het voorgaande niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat het geen reden ziet de beslissing ten aanzien van het horen van de CIE-informant te herzien en wijst het daartoe strekkende verzoek van de advocaat-generaal af. Het hof overweegt daartoe dat er (…) sinds de toewijzing van het verzoek bij tussenarrest van 12 november 2018 geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen, zodat het verdedigingsbelang – gelet op de inhoud van de van de informant ingekomen informatie – nog onverkort geldt.
Het hof constateert naar aanleiding van het hiervoor weergegeven procesverloop dat laatstelijk in 2014 is gebleken dat de betreffende informant geen medewerking wenste te verlenen aan een getuigenverhoor. Het openbaar ministerie is, zo blijkt uit het voorgaande, sinds 2014 en onder verwijzing naar de/het proces(sen)-verbaal uit hetzelfde jaar, gebleven bij zijn weigering om de informant als getuige op te roepen. Het hof constateert daarnaast dat de advocaat-generaal na afloop van de zitting van 9 december 2019, en pas op aandringen van het hof, weliswaar nogmaals contact heeft opgenomen met de CIE-officier van justitie, maar dat uit dit overleg niet – en overigens ook niet anderszins – is gebleken dat door het openbaar ministerie is getracht om de betreffende informant te bewegen om zijn weigering tot het afleggen van een getuigenverklaring te heroverwegen, bijvoorbeeld door de informant voor te houden dat en welke maatregelen er kunnen worden genomen om zijn identiteit en daarmee zijn veiligheid te waarborgen. Bij het ontbreken van (informatie over) de gedane inspanningen in die richting en nu het openbaar ministerie het kennelijk ook niet verantwoord heeft geacht om de getuige als bedreigde getuige te doen horen en er van heeft afgezien de daartoe voorgeschreven procedure te volgen, brengt de ratio van artikel 349, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering – mede gelet op ECLI:NL:HR:2010:BJ8674 – naar het oordeel van het hof mee, dat aan de opstelling van het openbaar ministerie hetzelfde gevolg moet worden verbonden als daar is voorgeschreven, te weten de niet ontvankelijkheid in de vervolging.
Het hof wijst het door de verdediging ter terechtzitting herhaalde verzoek om de informant
als getuige te doen horen, gelet op het voorgaande, af.”
2.3.
“Ingeval de officier van justitie op grond van artikel 264, tweede lid, onder b, weigert een door de rechter gegeven bevel tot dagvaarding of oproeping van een getuige ten uitvoer te leggen, terwijl die getuige ingevolge een onherroepelijke rechterlijke beslissing geen bedreigde getuige of afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden is, spreekt de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging uit.”
2.4.
De Memorie van Toelichting bij de invoering van het derde lid van art. 349 Sv houdt, voor zover van belang, het volgende in:2.
“Betwijfeld kan worden of een wettelijke regeling, die zonder meer de officier van justitie de bevoegdheid verleent om ook de tenuitvoerlegging van de dagvaarding van getuigen, ten aanzien van wie door de rechter onherroepelijk is beslist dat zij geen bedreigde getuigen zijn, te weigeren zich verdraagt met het in artikel 6, derde lid onder d, EVRM neergelegde recht van de verdediging om de opgegeven getuigen te kunnen ondervragen («to obtain the attendance and examination of witnesses on his behalf under the same conditions as witnesses against him»). Deze verdragsbepaling impliceert dat, ingeval de verdediging aannemelijk kan maken dat zij belang heeft bij de dagvaarding van de opgegeven getuigen, zulks niet door de officier van justitie kan worden verijdeld. Een ernstige bedreiging van de getuige kan enkel en alleen een rechtvaardiging vormen voor een anoniem verhoor van die getuige, niet voor het geheel achterwege laten van diens verhoor. Indien de anonimiteit van de getuige wordt gewaarborgd, is er sprake van een toereikende bescherming van de belangen van de getuige. Er bestaat geen reden om hem dan geheel en al te ontheffen van zijn wettelijke plicht om getuigenis af te leggen. Ingeval in twee instanties door de rechter is geoordeeld dat de getuige geen aanspraak toekomt op een anoniem verhoor, dient de getuige zijn wettelijke getuigplicht na te komen. Het verzoek om zijn identiteit verborgen te houden kan achteraf de toets aan de daartoe in de wet opgenomen maatstaven niet doorstaan. De bevoegdheid tot weigering van de tenuitvoerlegging van de dagvaarding van een getuige, die naar het oordeel van de rechter geen bedreigde getuige is, kan dus niet worden gebaseerd op het recht van de getuige op bescherming van zijn fundamentele rechten en belangen. Deze weigeringsbevoegdheid kan echter wel worden gerechtvaardigd door het opsporingsbelang, namelijk het belang dat pretense bedreigde getuigen niet worden afgeschrikt om een verklaring tegenover de politie of de rechter-commissaris af te leggen, omdat hun anonimiteit niet wordt gegarandeerd. Indien dit opsporingsbelang zó zwaar weegt dat de officier van justitie een door hem aan de getuige gedane toezegging tot garantie van de anonimiteit gestand wil doen, niettegenstaande het feit dat de rechter in twee instanties heeft beslist dat deze anonimiteit ongegrond is, dan dient de strafzaak te worden beëindigd. Ik stel daarom voor aan artikel 349 een nieuw derde lid toe te voegen, waarin is bepaald dat in geval van een weigering van de officier van justitie om een door de rechter gegeven bevel tot dagvaarding of oproeping van een getuige ten uitvoer te leggen, terwijl die getuige ingevolge een onherroepelijke rechterlijke beslissing geen bedreigde getuige is, de rechtbank de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging dient uit te spreken. Voor alle betrokkenen dient vooraf duidelijk te zijn welk rechtsgevolg een dergelijke weigering zal hebben.
[…]
Gelet op de consequenties van deze beslissing [de weigering om mee te werken aan een door de rechter gegeven bevel tot dagvaarding of oproeping van een getuige; PF] zowel voor de verdedigingspositie van de verdachte als voor de vrijheid van de rechter om de door hem noodzakelijke geachte onderzoekshandelingen te kunnen laten verrichten - voor wat betreft het onderzoek ter terechtzitting is de rechter immers «dominus litis» - dient de strafzaak een einde te nemen.”
2.5.
Uit de geciteerde passages uit de Memorie van Toelichting blijkt dat als het openbaar ministerie van oordeel is dat het opsporingsbelang zo zwaar weegt dat de officier van justitie een door hem aan de getuige gedane toezegging tot garantie van de anonimiteit gestand wil doen, zelfs wanneer de rechter in twee instanties heeft beslist dat deze anonimiteit ongegrond is, de strafzaak “dient” te worden beëindigd. Uit het gebruik van het woord “dient” kan worden afgeleid dat art. 349 lid 3 Sv de rechter geen ruimte biedt om in de in dat artikellid bedoelde situatie de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet uit te spreken. Dat blijkt ook uit de tekst van art. 349 lid 3 Sv zelf, nu dat artikel niet inhoudt dat de rechtbank deze niet-ontvankelijkheid “kan” uitspreken. Dat de wetgever hier zo strikt is, is niet verwonderlijk, nu het niet het openbaar ministerie is maar de rechter die bepaalt welke informatie nodig is om op de door het openbaar ministerie ter beoordeling aangebrachte zaak te beslissen.3.Overigens moet worden bedacht dat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie zoals bedoeld in art. 349 lid 3 Sv strikt genomen geen beletsel vormt voor een nieuwe vervolging ter zake van hetzelfde feit.4.In de praktijk zal het daar in dit soort gevallen echter niet zo snel van komen.
2.6.
Van belang voor de onderhavige zaak is, zoals de steller van het middel eveneens aangeeft, het arrest HR 25 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8843, NJ 2002/518 m.nt. Schalken. Dat arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“3.8. Voor het geval de rechter na verwijzing opnieuw mocht beslissen de informant te doen horen, verdient het volgende nog opmerking.
Uit de art. 553 en 555 Sv vloeit voort dat het openbaar ministerie verplicht is zijn medewerking te verlenen aan een door de zittingsrechter bevolen dagvaarding of oproeping van een getuige, ook indien het verhoor van die getuige naar het oordeel van de zittingsrechter door de rechter-commissaris dient te geschieden.
Zoals in de conclusie van de advocaat-generaal is uiteengezet heeft de wetgever in het kader van de Wet getuigenbescherming onder ogen gezien dat een weigering van het Openbaar Ministerie om te voldoen aan een bevel tot dagvaarding of oproeping van een getuige als bedoeld in art. 264 Sv niettemin kan worden gerechtvaardigd door een zwaarwegend opsporingsbelang, te weten het belang dat pretense getuigen niet worden afgeschrikt om een verklaring tegenover de politie of de rechter-commissaris af te leggen, omdat hun anonimiteit niet wordt gegarandeerd.
Wanneer in een dergelijk geval de officier van justitie, niettegenstaande een bevel van de zittingsrechter als bovenbedoeld, een aan de getuige gedane toezegging tot garantie van anonimiteit gestand wil doen en weigert die getuige op te roepen zal door de rechter die het bevel handhaaft, ingevolge het bij genoemde wet ingevoegde derde lid van art. 349 Sv aan die weigering het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dienen te worden verbonden. Die niet-ontvankelijkheid staat overeenkomstig de uit de wetsgeschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever niet in de weg aan een nieuwe vervolging ter zake van hetzelfde feit.
Het Wetboek van Strafvordering behelst niet een uitdrukkelijke voorziening voor het geval dat het openbaar ministerie een persoon vanwege een zwaarwegend opsporingsbelang de toezegging heeft gedaan dat hij in het geheel niet als getuige, dus ook niet als bedreigde getuige in de betekenis die daaraan in dat wetboek toekomt, zal worden gehoord en de rechter niettemin beveelt dat die persoon ofwel ter terechtzitting ofwel - al dan niet als bedreigde getuige - door de rechter-commissaris dient te worden gehoord.
Nu de situatie waarin het openbaar ministerie in een dergelijk geval komt te verkeren niet wezenlijk verschilt van die welke voor de wetgever aanleiding is geweest voor opneming in het Wetboek van Strafvordering van het derde lid van art. 349 Sv, brengt redelijke wetstoepassing mee dat in een zodanig geval een weigering van het openbaar ministerie aan een rechterlijk bevel tot het oproepen van die persoon als getuige - ter terechtzitting dan wel voor de rechter-commissaris - eveneens tot gevolg moet hebben dat de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wordt uitgesproken, hetgeen, evenals dat bij toepassing van art. 349, derde lid, Sv het geval is, geen beletsel vormt voor een nieuwe vervolging ter zake van hetzelfde feit.”
2.7.
De Hoge Raad heeft in dit arrest – kort gezegd – geoordeeld dat redelijke wetstoepassing meebrengt dat art. 349 lid 3 Sv van overeenkomstige toepassing is op de situatie waarin het openbaar ministerie een informant heeft toegezegd dat deze in het geheel niet (dus ook niet als bedreigde getuige) zal worden gehoord en de rechter desalniettemin beveelt dat die persoon hetzij ter terechtzitting, hetzij door de rechter-commissaris – al dan niet als bedreigde getuige – dient te worden gehoord. De weigering aan de oproeping van de informant mee te werken, brengt dan eveneens de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie met zich mee.
2.8.
In het middel wordt de vraag opgeworpen “of ook nu nog” het door de Hoge Raad in het zojuist aangehaalde arrest van 25 juni 2002 in rov. 3.8 neergelegde uitgangspunt geldt dat “het enkele feit dat het openbaar ministerie gemotiveerd heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een rechterlijk bevel tot het doen horen van een getuige, in alle gevallen dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging”. Volgens de steller van het middel is “dat niet het geval”.
2.9.
In het middel wordt onder verwijzing naar twee arresten van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 en ECLI:NL:HR:2020:1890, betoogd dat het hof in de onderhavige zaak aansluiting had moeten zoeken bij de criteria zoals die zijn verwoord in art. 359a lid 2 Sv.5.Het hof had aan de hand van die criteria moeten nagaan of en zo ja, welk rechtsgevolg zou moeten worden verbonden aan de weigering van het openbaar ministerie om geen medewerking te verlenen aan het doen horen van de CIE-informant. Daarbij had het hof een belangenafweging moeten maken zoals door de Hoge Raad is verwoord in rov. 2.1.3 in de genoemde arresten van 1 december 2020. Het hof had tevens de in die arresten in rov. 2.2.2 door de Hoge Raad geformuleerde “algemene overkoepelende maatstaf” moeten hanteren, te weten “dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit”. Aangezien het bestreden arrest geen blijk geeft van een dergelijke belangenafweging en maatstaf getuigen de overwegingen van het hof van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de steller van het middel. Voor zover die belangenafweging wel besloten ligt in de overwegingen van het hof, heeft het hof zijn oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging onvoldoende gemotiveerd, althans is de motivering van die beslissing onbegrijpelijk.
2.10.
Gelet op het arrest van 25 juni 2002 leent de onderhavige casus zich voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging op grond van art. 349 lid 3 Sv. In dat verband wijs ik op de volgende, uit het bestreden arrest blijkende procesgang. Door de verdediging is herhaaldelijk6.verzocht om een CIE-informant – wiens verklaringen deel uitmaken van het onderhavige procesdossier – als getuige te doen horen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen en dat het openbaar ministerie zich altijd verzet tegen het horen van een CIE-informant, omdat daardoor de identiteit van de informant bekend kan worden. Het hof heeft het verzoek (uiteindelijk,7.bij tussenarrest van 12 november 2018) toegewezen. Het hof heeft de zaak daartoe verwezen naar de rechter-commissaris en daarbij overwogen dat de rechter-commissaris voorzorgsmaatregelen dient te treffen om te voorkomen dat de identiteit van de informant bekend wordt. De advocaat-generaal heeft vervolgens zowel aan de raadsheer-commissaris als later ook aan het hof te kennen gegeven dat het openbaar ministerie de toegewezen getuige niet zal oproepen omdat de risico’s dat de identiteit van de informant bekend wordt en daarmee diens veiligheid wordt geschaad, te groot zijn. Op verzoek van het hof heeft de advocaat-generaal intern overlegd met onder meer de CIE-officier van justitie. Na dit overleg heeft de advocaat-generaal aan het hof laten weten dat hij blijft bij zijn weigering om de informant als getuige te horen, omdat uit een eerder proces-verbaal (van 4 april 2014) blijkt dat de informant niet bereid is om een getuigenverklaring af te leggen omdat hij vreest voor zijn veiligheid, en dat, wanneer het openbaar ministerie de informant toch zou verplichten een verklaring af te leggen, dit anderen er van kan weerhouden om als informant op te treden. Deze casus is gelijkluidend aan die welke ten grondslag lag aan het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2002. Immers, ook de onderhavige zaak komt erop neer dat het openbaar ministerie een informant heeft toegezegd dat deze in het geheel niet als getuige zal worden gehoord, heeft de rechter desalniettemin bevolen dat de informant (al dan niet als bedreigde getuige) dient te worden gehoord en is de advocaat-generaal gebleven bij zijn weigering om de informant als getuige te doen horen op grond van een zwaarwegend opsporingsbelang.
2.11.
Ik kom nu toe aan de eerste cassatie-vraag, zoals hiervoor onder 2.8 weergegeven, te weten of ook na de arresten HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 en HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890“het enkele feit dat het openbaar ministerie gemotiveerd heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een rechterlijk bevel tot het doen horen van een getuige, in alle gevallen dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging”.
2.12.
Teneinde die vraag te beantwoorden geef ik de belangrijkste overwegingen weer uit HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 en HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890:
“2.1.2 De Hoge Raad heeft in onder meer zijn arresten HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533 en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 uiteengezet wanneer sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en aan welke (wettelijke) voorwaarden moet worden voldaan voordat toepassing kan worden gegeven aan één van de in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen. Naar aanleiding van de bespreking in de conclusie van de advocaat-generaal van deze en andere rechtspraak over artikel 359a Sv merkt de Hoge Raad het volgende op.
2.1.3 In het strafproces staat centraal dat de rechter, met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel mogelijk een inhoudelijk oordeel velt over de beschuldiging die jegens de verdachte wordt geuit en zo recht spreekt in de concrete zaak. Zoals ook in de conclusie van de advocaat-generaal onder 189 tot uitdrukking komt, rust op de strafrechter niet de taak en verantwoordelijkheid de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. De strafrechter is daartoe ook niet in staat.
Toepassing van artikel 359a Sv kan ertoe strekken dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) wordt gewaarborgd. Daarnaast berust de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden, en zo ja de wijze waarop dat gebeurt, in de kern op een afweging van belangen. Daarbij gaat het om de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen – waaronder de belangen van waarheidsvinding en van de bestraffing van de daders van strafbare feiten – en de belangen die verband houden met de handhaving van grondrechten en de bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek.
Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg. Ook aan dit in de conclusie van de advocaat-generaal onder 120 benoemde uitgangspunt van subsidiariteit houdt de Hoge Raad vast.
2.1.4 In dit verband is van belang dat in de thans voorliggende voorstellen voor de modernisering van het Wetboek van Strafvordering een regeling wordt voorgesteld met betrekking tot de processuele sancties die aan onrechtmatig handelen kunnen worden verbonden, die ten dele anders is ingericht dan de huidige wettelijke regeling van artikel 359a Sv. Deze voorstellen zijn in de loop van het voorbereidingstraject ook op onderdelen gewijzigd. Meest recent blijken de voorstellen uit de in juli 2020 gepubliceerde ambtelijke versie van het conceptwetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Het betreffende wetsvoorstel is nog niet ingediend bij het parlement. Deze initiatieven om de huidige wettelijke regeling aan te passen geven aanleiding tot terughoudendheid.
2.1.5 Gelet op het voorgaande ziet de Hoge Raad geen aanleiding substantiële wijzigingen aan te brengen in het beoordelingskader zoals dat volgt uit de onder 2.1.2 genoemde arresten. Wel zal de Hoge Raad de precieze formulering van enkele daarin opgenomen maatstaven nuanceren of bijstellen. Dat betreft in de eerste plaats de beperking tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” tegen de verdachte. In de tweede plaats gaat het om de – gelet op het hiervoor genoemde uitgangspunt van subsidiariteit ook in deze volgorde te bespreken – toepassingsvoorwaarden voor de rechtsgevolgen strafvermindering, bewijsuitsluiting respectievelijk niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Ook met deze nuanceringen en bijstellingen blijven de in eerdere rechtspraak neergelegde oordelen over de toepassing van artikel 359a Sv in concrete gevallen van betekenis. Tot slot maakt de Hoge Raad enkele opmerkingen over de beoordeling van de feitelijke grondslag van verweren die strekken tot toepassing van artikel 359a Sv.
Vormverzuimen “bij het voorbereidend onderzoek” en daarbuiten
2.2.1 De toepassing van artikel 359a Sv is onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” tegen de verdachte. Op grond van artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn in het bijzonder ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Daarbij dient op grond van artikel 132a Sv onder opsporing te worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.
Daarnaast heeft “het voorbereidend onderzoek” in artikel 359a Sv uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in artikel 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Artikel 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. (Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rechtsoverweging 3.4.2 en HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:706, rechtsoverweging 4.3.)
2.2.2 Deze begrenzing tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” tegen de verdachte, sluit echter niet uit dat de vraag aan de orde kan komen of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a Sv ligt. In dit verband kan worden gedacht aan het verzuim van de officier van justitie om tijdig op grond van artikel 311 lid 1 Sv het voornemen tot het indienen van de ontnemingsvordering en/of het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek kenbaar te maken (HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN2297 en HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0251), het gebruik van de resultaten van het door een inlichtingen- en veiligheidsdienst ingestelde onderzoek (HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7544) en het optreden van een particuliere beveiliger (HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7501). Genoemd kan ook worden de rechtspraak waarin met betrekking tot onderzoek dat is verricht onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat, is aanvaard dat de Nederlandse strafrechter mag onderzoeken of het gebruik van de resultaten van dat onderzoek in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM (HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629).
Uit deze en andere rechtspraak van de Hoge Raad die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 76-99 is besproken, volgt dat onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte zoals bedoeld in 2.2.1, of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo’n opsporingsambtenaar. In deze rechtspraak worden criteria aangelegd die naar de bewoordingen niet steeds gelijkluidend zijn, maar waarin als algemene overkoepelende maatstaf besloten ligt dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. In een dergelijk geval is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg wordt verbonden aan het vormverzuim of de onrechtmatige handeling, en zo ja: welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van dat verzuim of die handeling. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de maatstaven die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn ontwikkeld met betrekking tot de verschillende rechtsgevolgen die aan een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv kunnen worden verbonden.”
2.13.
De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 1 december 2020 blijkens rov. 2.1.4 en 2.1.5 geen substantiële wijzigingen willen aanbrengen in het door hem eerder in zijn arresten van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533 en 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 uiteengezette beoordelingskader. Wel heeft de Hoge Raad de precieze formulering van enkele daarin opgenomen maatstaven “genuanceerd of bijgesteld”, onder meer de beperking tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte.
2.14.
De Hoge Raad merkt in rov 2.2.2 op dat de vraag aan de orde kan komen of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van art. 359a Sv ligt. De Hoge Raad noemt in dat verband een aantal voorbeelden uit de rechtspraak van de Hoge Raad, uit welke rechtspraak “volgt dat onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte zoals bedoeld in 2.2.1, of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo’n opsporingsambtenaar”. De Hoge Raad doelt hier op rechtspraak waarin criteria worden aangelegd die naar de bewoordingen weliswaar niet steeds gelijkluidend zijn, maar waarin wel reeds een algemene overkoepelende maatstaf besloten ligt. Deze maatstaf houdt in “dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit”. Bij het hanteren van die maatstaf is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan het vormverzuim of de onrechtmatige handeling, en zo ja welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van dat verzuim of die handeling. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de maatstaven die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn ontwikkeld met betrekking tot de verschillende rechtsgevolgen die aan een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv kunnen worden verbonden.
2.15.
In de rechtspraak waarnaar de Hoge Raad in rov 2.2.2 van zijn arresten van 1 december 2020 bij wijze van voorbeeld verwijst, stond niet vast dát er een rechtsgevolg aan de betreffende onrechtmatige handeling moest worden verbonden. Datzelfde geldt voor de rechtspraak die in de conclusie van de advocaat-generaal is besproken onder 76-99, naar welke rechtspraak de Hoge Raad eveneens verwijst. Bovendien blijkt uit de arresten van 1 december 2020 dat de Hoge Raad in rov 2.2.2 slechts onder een nieuw geformuleerde maatstaf heeft willen brengen wat reeds “als algemene overkoepelende maatstaf besloten ligt” in deze rechtspraak.
2.16.
Ik leid hieruit af dat de arresten van de Hoge Raad van 1 december 2020 geen ander licht werpen op de uitleg van art. 349 lid 3 Sv respectievelijk zijn arrest van 25 juni 2002. Immers, het gaat in dat wetsartikel en in dat arrest niet om een vormverzuim waaraan “onder omstandigheden” een rechtsgevolg kan worden verbonden, maar om een direct uit de wet, te weten uit art. 349 lid 3 Sv voortvloeiende niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie respectievelijk een daarmee gelijk te stellen situatie (namelijk een situatie waarin het openbaar ministerie een informant heeft toegezegd dat deze in het geheel niet zal worden gehoord en de rechter desalniettemin beveelt dat die persoon – al dan niet als bedreigde getuige – dient te worden gehoord en het openbaar ministerie weigert daaraan mee te werken). Van belang hierbij is ook dat de wetgever in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot invoering van art. 359a Sv heeft overwogen dat de rechter pas van de in art. 359a Sv voorgestelde sancties gebruik mag maken als de rechtsgevolgen van het verzuim niet uit de wet blijken en dat, als het vormvoorschrift met een wettelijke niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is bedreigd, de rechter geen keuze heeft en hij deze sanctie moet uitspreken.8.Het ligt voor de hand om deze ratio ook te volgen bij de sanctionering van een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van art. 359a Sv ligt. Ten slotte meen ik met de steller van de schriftuur houdende tegenspraak dat de door de Hoge Raad in zijn arresten van 1 december 2020 geformuleerde algemene overkoepelende maatstaf niet door de rechter kan worden toegepast in een geval als bedoeld in art. 349 lid 3 Sv dan wel als bedoeld in het arrest van 25 juni 2002. Immers, nu de uitkomst van het getuigenverhoor de rechter niet bekend is bij een weigering van het openbaar ministerie om gehoor te geven aan het bevel tot oproeping van een getuige, kan de rechter ook niet beoordelen of dat verzuim van bepalende invloed is geweest op het verdere verloop van het onderzoek en/of de vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit.
2.17.
Ik meen kortom dat de in het cassatiemiddel opgeworpen vraag of ook na de arresten van HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 en HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890 het enkele feit dat het openbaar ministerie gemotiveerd heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een rechterlijk bevel tot het doen horen van een getuige, in [vrijwel, toevoeging PF] alle gevallen dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging, bevestigend dient te worden beantwoord.
2.18.
Ik schrijf hiervoor bewust “in vrijwel alle gevallen”. Ik meen namelijk met (voormalig) AG Machielse9.in zijn conclusie vóór HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ8674 – naar welk arrest het hof in de onderhavige zaak ook heeft verwezen10.– dat de Hoge Raad in zijn arrest van 25 juni 2002 het openbaar ministerie een “ontsnappingsroute” heeft geboden om aan een niet-ontvankelijkverklaring als bedoeld in art. 349 lid 3 Sv te ontkomen. Ook in die zaak had het hof beslist dat een informant als getuige door de rechter-commissaris zou moeten worden gehoord. De rechter-commissaris had aan die beslissing geen uitvoering kunnen geven omdat het openbaar ministerie uiteindelijk weigerde mee te werken aan zo'n verhoor. Het hof zag daarin een ernstige inbreuk op het wettelijk systeem en verklaarde de officier justitie niet ontvankelijk in zijn vervolging. De Hoge Raad overwoog echter naar aanleiding van het cassatieberoep van het openbaar ministerie:
“3.6. In de onderhavige zaak gaat het om een informant van de politie van wie een verklaring is opgenomen in een zich in het dossier bevindend proces-verbaal van het Hoofd van de RCID van 30 juli 1998, aan welke informant toen, kennelijk met het oog op het belang van de opsporing, is toegezegd dat hij niet als getuige - ook niet als bedreigde getuige - zou worden gehoord.
De Officier van Justitie heeft naar aanleiding van de beslissing van het Hof dat de informant als getuige diende te worden gehoord weliswaar herhaaldelijk getracht de betrokkene te overreden om zich als (bedreigde) getuige te doen horen door de Rechter-Commissaris, doch hij heeft, toen die pogingen geen succes hadden, gemeend het standpunt van de informant te moeten respecteren in die zin dat hij niet in strijd met de eerder gedane toezeggingen heeft geprobeerd de informant tegen diens wil voor de Rechter-Commissaris te doen geleiden.
Mede gezien de inspanningen die de Officier van Justitie zich heeft getroost om alsnog aan het bevel van het Hof te kunnen voldoen (cursivering PF), is het kennelijk oordeel van het Hof dat zich hier voor wat het optreden van het Openbaar Ministerie betreft een geval voordoet dat vergelijkbaar is met de situatie waarvan sprake was in de zaak die heeft geleid tot (het) arrest van de Hoge Raad van 1 juni 1999, NJ 1999, 567(in welke zaak het openbaar ministerie niet ontvankelijk werd verklaard in de strafvervolging van kroongetuige Mink K.; toevoeging PF)11., zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Voorzover het middel daarover klaagt is het gegrond.”
2.19.
Ik kom tot een afronding. Gelet op hetgeen ik hiervoor onder 2.11 tot en met 2.16 heb uiteengezet faalt het middel voor zover daarin wordt geklaagd dat het hof bij de beoordeling van de vraag of, en zo ja welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan de weigering van het openbaar ministerie om te voldoen aan de opdracht van het hof om de informant als getuige te doen horen, aansluiting had moeten zoeken bij de criteria zoals die zijn verwoord in art. 359a lid 2 Sv. Datzelfde geldt voor zover wordt geklaagd dat het hof een belangenafweging had moeten maken zoals door de Hoge Raad is verwoord in rov. 2.1.3 in de genoemde arresten van 1 december 2020 en het hof de in die arresten in rov. 2.2.2 geformuleerde algemene overkoepelende maatstaf had moeten hanteren. Anders dan de steller van het middel meent, geven de overwegingen van het hof in zoverre geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en faalt het middel.
2.20.
Ook overigens geeft het oordeel van het hof dat en waarom het openbaar ministerie gelet op de ratio van art. 349 lid 3 Sv en mede gelet op HR 2 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ8674 niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn strafvervolging, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Daarbij wijs ik op hetgeen ik eerder in deze conclusie onder 2.10 heb opgemerkt. Ik voeg daar nog aan toe dat het hof, door in zijn oordeel te verwijzen naar HR 2 oktober 2010 ECLI:NL:HR:2010:BJ8674 kennelijk en niet onbegrijpelijk van oordeel is dat, nu niet is gebleken dat het openbaar ministerie zijn best heeft gedaan om alsnog te kunnen voldoen aan de wens van het hof om de informant door de raadsheer-commissaris te doen horen, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging van de verdachte.
2.21.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
2.22.
Ten overvloede, want niet van belang voor de beoordeling van de onderhavige zaak, merk ik nog het volgende op. In het meest recente voorstel voor de modernisering van het Wetboek van Strafvordering keert de huidige bepaling van art. 349 lid 3 Sv niet terug. In de nieuwe regeling – zoals die thans luidt – wordt het in art. 4.3.15 Sv aan de rechter overgelaten om te bepalen of in situaties waarin het openbaar ministerie weigert uitvoering te geven aan een rechterlijke opdracht, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet worden uitgesproken.12.Dat gevolg vloeit in het voorstel dus niet langer rechtstreeks voort uit de wet. Toch kan daarop nu niet zomaar worden gepreludeerd al was het maar omdat op voorhand niet kan worden voorspeld of de voorstellen ongeschonden het adviestraject en de kamerbehandeling zullen doorstaan.
3. Slotsom
3.1.
Het middel faalt.
3.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv-AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑06‑2021
Kamerstukken II 1991/92, 22 483, nr. 3, p. 28 en 29.
In de Memorie van Toelichting wordt in dat kader opgemerkt dat wat betreft het onderzoek ter terechtzitting de rechter “dominus litis” is. Zie ook AG Vellinga in zijn conclusie van 25 januari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP2720 onder 16.
Kamerstukken II 1991/92, 22 483, nr. 3, p. 29. De Memorie van Toelichting houdt voor zover van belang het volgende in: “In geval van een dergelijke einduitspraak kan het openbaar ministerie in beginsel opnieuw tot dagvaarding overgaan als de weigeringsgrond is opgeheven, bij voorbeeld omdat de getuige alsnog bereid blijkt op de terechtzitting te verschijnen ten einde te kunnen worden ondervraagd.” Vgl. ook HR 25 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8843, NJ 2002/518 m.nt. Schalken, rov. 3.8.
Deze arresten zijn ongeveer drie-en-een-halve maand nadat in de onderhavige zaak het cassatieberoep is ingesteld, gewezen. Dat wekt nieuwsgierigheid over de vraag hoe de schriftuur zou hebben geluid als die arresten ten tijde van het indienen van de schriftuur nog niet zouden zijn gewezen. Voor welk anker zou het middel dan zijn gaan liggen? Vermeldenswaard is dat in de laatste druk van Informatie en opsporing, een boek dat is geschreven door een drietal (ervaren) leden van het openbaar ministerie, is te lezen: “Toch zal het OM – als de rechter in eerste instantie beslist tot het wel degelijk horen van de weigerende informant als getuige – die beslissing loyaal moeten uitvoeren, op straffe van niet-ontvankelijkverklaring.” (D. van der Bel, B. de Jonge en H.G. de Koning, Informatie en opsporing, Zeist: Kerkebosch, 2020 vierde herziene druk, p. 247).
De verdediging heeft daartoe verzocht zowel in eerste aanleg als meermalen in hoger beroep (bij appelschriftuur en ter terechtzitting herhaald in de eerste ronde van het hoger beroep, en bij brief en ter terechtzitting in de tweede ronde van het hoger beroep).
Zie ook randnummer 1.4 in deze conclusie: Bij arrest van 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3060 vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem – voor zover aan zijn oordeel onderworpen – omdat de afwijzing van het verzoek om een CIE-informant als getuige te horen niet begrijpelijk was. De Hoge Raad wees de zaak in zoverre terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem.
Kamerstukken II, 1993/94, 23 705, nr. 3, p. 25.
Zie zijn conclusie van 22 september 2009, ECLI:NL:PHR:2010:BJ8674 onder 3.12.
Op dezelfde dag heeft de Hoge Raad ook arrest gewezen in een zaak van een medeverdachte. Dat arrest is – anders dan het arrest waar het hof in de onderhavige zaak naar verwijst – gepubliceerd in de NJ. Zie HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ8641, NJ 2010/246 m.nt. T.M. Schalken.
In het arrest van 1 juni 1999 was het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard in de strafvervolging van ‘kroongetuige’ Mink K. Het OM had n strijd met het toentertijd geldende art. 553 Sv toegezegd de kroongetuige bij nakoming van de met hem gesloten overeenkomst ook bij een door de rechter opgelegde gevangenisstraf niet verder van zijn vrijheid zou worden beroofd. Die gang van zaken werd aangemerkt als een miskenning van het wettelijk systeem inzake de vervolgingsbeslissing, strafoplegging en tenuitvoerlegging, kortom als een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke strafvervolging
Zie voor de voorgestelde wettekst: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2020/07/30/ambtelijke-versie-juli-2020-wetsvoorstel-wetboek-van-strafvordering. De concept memorie van toelichting is te vinden via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2020/07/30/ambtelijke-versie-juli-2020-memorie-van-toelichting-wetboek-van-strafvordering.
Beroepschrift 05‑01‑2021
CASSATIESCHRIFTUUR
Kenmerk: 21-000989-18
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 augustus 2020 waarbij het Gerechtshof het Openbaar Ministerie in de strafzaak tegen:
[rekwirant],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990
niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging.
Rekwirant kan zich met deze uitspraak en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom het volgende middel van cassatie voor:
[Hoge Raad der Nederlanden
PDA
Ingekomen]
[- 7 JAN. 2021]
[Behandelaar:]
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79, eerste lid, Wet RO, meer in het bijzonder schending van art. 349 Sv, doordat het Hof, zoals hierna nader zal worden toegelicht, bij zijn beoordeling van de weigering van het openbaar ministerie om een informant als getuige op te roepen blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting, althans heeft het Hof zijn beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging ontoereikend gemotiveerd en/of is de motivering van die beslissing onbegrijpelijk, zoals hieronder nader zal worden toegelicht.
Toelichting
1.
Het gaat in de onderhavige zaak om het volgende.
De verdachte is op 18 maart 2016 door het Hof Arnhem-Leeuwarden wegens medeplegen van zware mishandeling veroordeeld. Tegen dit arrest heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 5 december 2017 heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en de zaak teruggewezen.
In cassatie was geklaagd dat het Hof het verzoek om een CIE-informant als getuige te horen niet begrijpelijk gemotiveerd had afgewezen. De Hoge Raad was van oordeel dat de afwijzing van het verzoek tot het horen van de CIE-informant als getuige niet begrijpelijk was, mede in aanmerking genomen de inhoud van de van de informant ingekomen informatie — erop neerkomend dat een ander dan de verdachte zich aan zware mishandeling had schuldig gemaakt — en voorts hetgeen door de verdediging aan dat verzoek ten grondslag was gelegd.
Na terugwijzing heeft de advocaat-generaal zich op meerdere zittingen en bij herhaling op het standpunt gesteld dat het verzoek van de verdediging om de CIE-informant als getuige te horen zou moeten worden afgewezen en dat, nadat het Hof dit verzoek had toegewezen, de toewijzing van dit verzoek door het Hof zou moeten worden heroverwogen. Kort gezegd stelde de advocaat-generaal zich daarbij op het standpunt dat, indien zou moeten worden aangenomen dat hetgeen de informant zou hebben gezegd juist was, dit verdachte niet ontlast en dit niet betekent dat verdachte zich niet zou hebben schuldig gemaakt aan het hem tenlastegelegde medeplegen van zware mishandeling. Tevens heeft de advocaat-generaal zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het horen van de informant als getuige zou betekenen dat diens identiteit bekend wordt en daarmee diens veiligheid wordt geschaad.
2.
Het Hof heeft bij eindarrest het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging en daartoe overwogen:
‘Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De verdediging heeft (voor het eerst) ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 januari 2012 verzocht om een CIE-informant — wiens informatie is opgenomen in een proces-verbaal, opgemaakt door [verbalisant], Groepschef van de Criminele Inlichtingen Eenheid bij de Politie Gelderland-Zuid op 2 augustus 2011, en welk proces-verbaal deel uitmaakt van het onderhavige dossier — als getuige te doen horen. De rechtbank heeft dit verzoek, nadat zij in een eerdere beslissing het verzoek had toegewezen en het openbaar ministerie had geweigerd medewerking aan het oproepen van de informant als getuige te verlenen, alsnog het verzoek tot het horen van de informant afgewezen.
Bij appelschriftuur heeft de verdediging opnieuw verzocht om de CIE-informant te horen als getuige. Gedurende de procedure in hoger beroep hebben zowel de CIE-officier van justitie als de TCI-chef van de politie in processen-verbaal antwoord gegeven op een aantal vragen van de verdediging aangaande de informant en de door de informant gegeven informatie.
Uit deze processen-verbaal, gedateerd 29 maart 2014 en 4 april 2014, blijkt dat de informant op geen enkele wijze bereid was medewerking te verlenen aan een getuigenverhoor. Tevens blijven in beide processen-verbaal veel van de gestelde vragen onbeantwoord, met als reden dat een antwoord kan bijdragen aan de het bekend worden van de identiteit van de informant.
De verdediging heeft het verzoek tot het horen van de informant ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2015, herhaald. Dit hof heeft het verzoek bij tussenarrest van 9 april 2015 afgewezen op de grond dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de informant informatie heeft over de betrokkenheid van de verdachte en er in het dossier reeds vele uiteenlopende verklaringen van personen zijn opgenomen, zodat het hof niet ziet wat een nieuwe verklaring zou kunnen toevoegen. Dit hof heeft vervolgens; op 18 maart 2016, een deels veroordelend arrest gewezen.
Namens verdachte is tegen dit arrest cassatie ingesteld. Het namens verdachte voorgestelde middel behelsde onder meer de klacht dat het hof het verzoek om de informant als getuige te horen bij tussenarrest van 9 april 2015 niet begrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft in cassatie bij arrest van 5 december 2017 [ECLI:NL:HR:2020:3060, rekwirant] het bestreden arrest vernietigd, omdat de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van de CIE-informant niet begrijpelijk was. Het heeft daartoe overwogen:
2.4.
(…) Mede in aanmerking genomen de inhoud van de van de informant ingekomen informatie — erop neerkomend dat een ander dan de verdachte zich aan zware mishandeling heeft schuldig gemaakt — en voorts hetgeen door de verdediging aan dat verzoek ten grondslag is gelegd, is dat oordeel niet begrijpelijk.
Nadat de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden naar dit hof is teruggewezen, heeft de verdediging bij brief van 5 oktober 2018 en ter terechtzitting van 29 oktober 2018 opnieuw verzocht om de informant als getuige te doen horen. De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting van 29 oktober 2018 op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen en heeft daarbij opgemerkt dat het openbaar ministerie zich altijd verzet tegen het horen van een CIE-informant, omdat daardoor de identiteit van de informant bekend kan worden.
Het hof heeft het verzoek om de informant als getuige te doen horen bij tussenarrest van 12 november 2018 toegewezen, op de grond dat het verdedigingsbelang om de informant als getuige te doen horen door de verdediging voldoende is gemotiveerd. Het hof heeft de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris en daarbij overwogen dat de raadsheer-commissaris voorzorgsmaatregelen dient te treffen om te voorkomen dat de identiteit van de informant bekend wordt.
De advocaat-generaal heeft op 3 mei 2019, ten overstaan van de raadsheer-commissaris, te kennen gegeven dat het openbaar ministerie geen gevolg zal geven aan de opdracht van het hof om de informant als getuige voor te brengen. De risico's dat de identiteit van de informant bekend wordt en daarmee diens veiligheid wordt geschaad zijn daarvoor te groot.
Naar aanleiding van het verzoek van de verdediging aan de advocaat-generaal om de informant (dan) ter terechtzitting van 9 december 2019 op te roepen, heeft de advocaat-generaal per e-mailbericht van 4 december 2019 (ook) aan het hof te kennen gegeven dat het openbaar ministerie niet alsnog de door het hof toegewezen getuige zal oproepen.
Op verzoek van het hof heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 december 2019 toegezegd om met de CIE-officier van justitie na te gaan of, gelet op de verschillende mogelijkheden om de anonimiteit van de informant bij een verhoor door de raadsheer commissaris te kunnen waarborgen, het openbaar ministerie alsnog bereid is mee te werken aan het horen van de toegewezen getuige, en zo ja onder welke voorwaarden.
De advocaat-generaal heeft het hof per e-mailbericht van 23 december 2019 te kennen gegeven dat het openbaar ministerie, na intern overleg met onder meer de CIE-officier van justitie, blijft bij zijn weigering om te voldoen aan de opdracht van het hof om de informant als getuige te doen horen. De advocaat-generaal heeft daarbij opgemerkt dat uit het hiervoor besproken proces-verbaal van 4 april 2014 volgt dat de informant niet bereid is om een getuigenverklaring af te leggen, omdat hij vreest voor zijn veiligheid. Wanneer het openbaar ministerie de informant dan toch zou verplichten een verklaring af te leggen, kan dit anderen er van weerhouden om als informant op te treden, welk gevolg het openbaar ministerie niet wenselijk acht.
(…)
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat het geen reden ziet de beslissing ten aanzien van het horen van de CIE-informant te herzien en wijst het daartoe strekkende verzoek van de advocaat-generaal af. Het hof overweegt daartoe dat er zich sinds de toewijzing van het verzoek bij tussenarrest van 12 november 2018 geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen, zodat het verdedigingsbelang — gelet op de inhoud van de van de informant ingekomen informatie — nog onverkort geldt.
Het hof constateert naar aanleiding van het hiervoor weergegeven procesverloop dat laatstelijk in 2014 is gebleken dat de betreffende informant geen medewerking wenste te verlenen aan een getuigenverhoor. Het openbaar ministerie is, zo blijkt uit het voorgaande, sinds 2014 en onder verwijzing naar de/het proces(sen)- verbaal uit hetzelfde jaar, gebleven bij zijn weigering om de informant als getuige op te roepen. Het hof constateert daarnaast dat de advocaat-generaal na afloop van de zitting van 9 december 2019, en pas op aandringen van het hof, weliswaar nogmaals contact heeft opgenomen met de CIE-officier van justitie, maar dat uit dit overleg niet — en overigens ook niet anderszins — is gebleken dat door het openbaar ministerie is getracht om de betreffende informant te bewegen om zijn weigering tot het afleggen van een getuigenverklaring te heroverwegen, bijvoorbeeld door de informant voor te houden dat en welke maatregelen er kunnen worden genomen om zijn identiteit en daarmee zijn veiligheid te waarborgen. Bij het ontbreken van (informatie over) de gedane inspanningen in die richting en nu het openbaar ministerie het kennelijk ook niet verantwoord heeft geacht om de getuige als bedreigde getuige te doen horen en er van heeft afgezien de daartoe voorgeschreven procedure te volgen, brengt de ratio van artikel 349, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering — mede gelet op ECLI:NL:HR:2010:BJ8674 — naar het oordeel van het hof mee, dat aan de opstelling van het openbaar ministerie hetzelfde gevolg moet worden verbonden als daar is voorgeschreven, te weten de niet ontvankelijkheid in de vervolging.
Het hof wijst het door de verdediging ter terechtzitting herhaalde verzoek om de informant als getuige te doen horen, gelet op het voorgaande, af.
Beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.’
3.
In zijn arrest van 25 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8843, heeft de Hoge Raad overwogen:
‘(…)
Het Wetboek van Strafvordering behelst niet een uitdrukkelijke voorziening voor het geval dat het openbaar ministerie een persoon vanwege een zwaarwegend opsporingsbelang de toezegging heeft gedaan dat hij in het geheel niet als getuige, dus ook niet als bedreigde getuige in de betekenis die daaraan in dat wetboek toekomt, zal worden gehoord en de rechter niettemin beveelt dat die persoon ofwel ter terechtzitting ofwel — al dan niet als bedreigde getuige — door de rechter-commissaris dient te worden gehoord.
Nu de situatie waarin het openbaar ministerie in een dergelijk geval komt te verkeren niet wezenlijk verschilt van die welke voor de wetgever aanleiding is geweest voor opneming in het Wetboek van Strafvordering van het derde lid van art. 349 Sv, brengt redelijke wetstoepassing mee dat in een zodanig geval een weigering van het openbaar ministerie aan een rechterlijk bevel tot het oproepen van die persoon als getuige — ter terechtzitting dan wel voor de rechter-commissaris — eveneens tot gevolg moet hebben dat de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wordt uitgesproken, hetgeen, evenals dat bij toepassing van art. 349, derde lid, Sv het geval is, geen beletsel vormt voor een nieuwe vervolging ter zake van hetzelfde feit.’
4.
Rekwirant legt in de onderhavige zaak de vraag voor aan de Hoge Raad of ook nu nog het enkele feit dat het openbaar ministerie gemotiveerd heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een rechterlijk bevel het doen horen van een getuige, in alle gevallen dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Naar de mening van rekwirant is dat niet het geval.
5.
In zijn arresten van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889 en ECLI:NL:HR:2020:1890) heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de rechtsgevolgen van vormverzuimen die buiten het bereik van art. 359a Sv vallen. In dat kader zijn de volgende overwegingen van belang:
‘2.2.2
Deze begrenzing tot vormverzuimen die zijn begaan bij ‘het voorbereidend onderzoek’ tegen de verdachte, sluit echter niet uit dat de vraag aan de orde kan komen of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a Sv ligt. In dit verband kan worden gedacht aan het verzuim van de officier van justitie om tijdig op grond van artikel 311 lid 1 Sv het voornemen tot het indienen van de ontnemingsvordering en/of het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek kenbaar te maken (HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN2297 en HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0251), het gebruik van de resultaten van het door een inlichtingen- en veiligheidsdienst ingestelde onderzoek (HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7544) en het optreden van een particuliere beveiliger (HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7501). Genoemd kan ook worden de rechtspraak waarin met betrekking tot onderzoek dat is verricht onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat, is aanvaard dat de Nederlandse strafrechter mag onderzoeken of het gebruik van de resultaten van dat onderzoek in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM (HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629).
Uit deze en andere rechtspraak van de Hoge Raad die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 76–99 is besproken, volgt dat onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte zoals bedoeld in 2.2.1, of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo'n opsporingsambtenaar. In deze rechtspraak worden criteria aangelegd die naar de bewoordingen niet steeds gelijkluidend zijn, maar waarin als algemene overkoepelende maatstaf besloten ligt dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. In een dergelijk geval is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg wordt verbonden aan het vormverzuim of de onrechtmatige handeling, en zo ja: welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van dat verzuim of die handeling. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de maatstaven die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn ontwikkeld met betrekking tot de verschillende rechtsgevolgen die aan een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv kunnen worden verbonden.’
6.
Naar de mening van rekwirant volgt hieruit dat ook in een geval als het onderhavige het Hof aansluiting had moeten zoeken bij de criteria zoals die zijn verwoord in art. 359a lid 2 Sv en aan de hand daarvan had moeten nagaan of en zo ja, welk rechtsgevolg zou moeten worden verbonden aan de weigering van het openbaar ministerie om geen medewerking te verlenen aan het doen horen van de CIE-informant. Daarbij moet een afweging van belangen worden gemaakt, die door de Hoge Raad in de genoemde arresten van 1 december 2020 als volgt is verwoord:
‘2.1.3
In het strafproces staat centraal dat de rechter, met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel mogelijk een inhoudelijk oordeel velt over de beschuldiging die jegens de verdachte wordt geuit en zo recht spreekt in de concrete zaak. Zoals ook in de conclusie van de advocaat-generaal onder 189 tot uitdrukking komt, rust op de strafrechter niet de taak en verantwoordelijkheid de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. De strafrechter is daartoe ook niet in staat.
Toepassing van artikel 359a Sv kan ertoe strekken dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) wordt gewaarborgd. Daarnaast berust de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden, en zo ja de wijze waarop dat gebeurt, in de kern op een afweging van belangen. Daarbij gaat het om de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen — waaronder de belangen van waarheidsvinding en van de bestraffing van de daders van strafbare feiten — en de belangen die verband houden met de handhaving van grondrechten en de bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek.
Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het — vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien — minst verstrekkende rechtsgevolg. Ook aan dit in de conclusie van de advocaat-generaal onder 120 benoemde uitgangspunt van subsidiariteit houdt de Hoge Raad vast.’
7.
Het gevolg van deze benadering is dat aan de onderhavige weigering van het openbaar ministerie te voldoen aan de opdracht van het Hof om de informant als getuige te doen horen, niet zonder meer het rechtsgevolg van de niet-ontvankelijkheid moet worden verbonden. De rechter heeft in dit geval de ‘algemene overkoepelende maatstaf’ zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.2.2, tweede alinea, van de hierboven weergegeven arresten van 1 december 2020 te hanteren, namelijk dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. Bij het hanteren van die maatstaf is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg moet worden verbonden en zo ja welk, mede afhankelijk van de aard en de ernst van dat verzuim of die handeling. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de maatstaven die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn ontwikkeld met betrekking tot de verschillende rechtsgevolgen die aan een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv kunnen worden verbonden.
Uit de overwegingen van het Hof blijkt niet dat het deze maatstaf heeft gehanteerd en evenmin blijkt uit die overwegingen dat het de belangen genoemd in rechtsoverweging 2.1.3. tegen elkaar heeft afgewogen. Het Hof heeft dan ook niet het juiste toetsingskader gehanteerd en in zoverre blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
8.
Voor zover in de overwegingen van het Hof besloten ligt, dat het die genoemde belangenafweging wel heeft gemaakt, is het oordeel van het Hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging onvoldoende gemotiveerd, althans onbegrijpelijk. In het ter terechtzitting van 27 juli 2020 overgelegd requisitoir heeft de advocaat-generaal verwezen naar het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 3 mei 2019. In dat proces-verbaal is kort gezegd opgenomen dat de advocaat-generaal de aangewezen informant niet als getuige zal voorbrengen, omdat de risico's dat de identiteit van de informant bekend wordt en daarmee diens veiligheid wordt geschaad te groot zijn en dat alleen al het gegeven dat de informant op een zeker tijdstip voor het verhoor, waarbij uiteraard ook de raadsman aanwezig is, zou moeten verschijnen tot die conclusie leidt. Tevens is in dat requisitoir verwezen naar een e-mailbericht van 23 december 2019 van de advocaat-generaal aan de voorzitter dat onder meer inhoudt dat wanneer het openbaar ministerie de informant toch zou verplichten of druk op hem zou uitoefenen om een verklaring af te leggen, dit anderen ervan kan weerhouden om als informant op te treden, hetgeen het openbaar ministerie een onwenselijk gevolg acht. Uit de motivering van de door het Hof uitgesproken niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging volgt niet dat het Hof aan deze argumenten aandacht heeft besteed, met name niet aan de overweging dat alleen al het gegeven dat de informant op een zeker tijdstip voor het verhoor, waarbij uiteraard ook de raadsman aanwezig is, zou moeten verschijnen tot het bekend worden van de identiteit van de informant leidt en dat daarmee de risico's dat diens veiligheid wordt geschaad te groot zijn.
Ook heeft het Hof zich niet uitgelaten omtrent het door de advocaat-generaal ingenomen standpunt dat hetgeen de informant tegenover de CIE zou hebben verklaard niet kan worden aangemerkt als ontlastend voor verdachte. In dat kader heeft de advocaat-generaal immers aangevoerd dat de CIE-informatie inhoudt dat omstreeks december 2010 [betrokkene 1] heeft gevochten in de [A] en dat hij een Antilliaanse jongen zwaar heeft mishandeld, dat op grond van de afgelegde getuigenverklaringen vaststaat dat de slachtoffers door drie personen zijn belaagd, waarvan er reeds twee geïdentificeerd waren, te weten [betrokkene 2] en de verdachte [rekwirant], en het proces-verbaal van de CIE een naam geeft van de nog onbekende derde, en dat daarom de verstrekte CIE-informatie niet ontlastend is voor verdachte. Dit is vooral van belang omdat aan de verdachte het medeplegen van zware mishandeling ten laste is gelegd.
9.
Dat rekwirant in de onderhavige zaak niet klaagt over de beslissing tot het horen van de CIE-informant en evenmin over de beslissing van het Hof dat het geen aanleiding ziet zijn beslissing ten aanzien van het horen van de CIE-informant te herzien1., maakt het hiervoor gestelde niet anders. Rekwirant ziet immers geen aanleiding tot het formuleren van klachten hieromtrent, nu die beslissingen van het Hof op zich niet getuigen van een verkeerde rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk zijn in cassatie-technische zin.
Conclusie
In het licht van het voorgaande is rekwirant van mening dat het Hof in het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting door na te laten de hier toepasselijke maatstaf te hanteren, namelijk dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. Tevens is de beslissing van het Hof niet zonder meer begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd om redenen zoals hierboven aangegeven.
Indien het cassatiemiddel of een onderdeel daarvan doel treft, zal het bestreden arrest van het Hof niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze beschikking te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 5 januari 2021
mr. W.J.V. Spek
advocaat-generaal bij het ressortsparket
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 05‑01‑2021
Vgl. HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:20210:BJ8674, r.o. 3.4.