Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/9.2.1
9.2.1 Inleiding
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453023:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Mierlo & Bart 2002, p. 372. Zie over artikel 15 Rv (en het equivalent voor de appelprocedure, artikel 16 Rv) § 9.3.
Rutgers, Flach & Boon 1988, p. 319.
De Groot 2008, p. 287.
De Groot 2008, p. 288.
Krans & Santing-Wubs 2012, p. 467-468.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 78.
De Groot 2008, p. 287. De Leidraad deskundigen in civiele zaken gaat ervan uit dat dit de hoofdregel is.
HR 6 maart 2013, NJ 2013/528, m.nt. E.A. Alkema (W./Y.), r.o. 3.3 en 3.4.
De Hoge Raad kon het antwoord op die vraag in het midden laten omdat het in dit geval ging om niet meer dan een verduidelijking van de door de kinderrechter aan de Raad voor de Kinderbescherming gegeven onderzoeksopdracht.
De Groot 2008, p. 287.
Slijk & Husson 2009, p. 241.
Artikel 198 lid 2, eerste volzin, Rv bepaalt dat de deskundigen hun onderzoek instellen, hetzij onder leiding van de rechter, hetzij zelfstandig. De wetsgeschiedenis van deze bepaling is zeer summier. De memorie van toelichting vermeldt dat de wijze waarop het onderzoek door deskundigen plaatsvindt, is geregeld in het tweede lid en vrijwel geheel overeenstemt met artikel 223 lid 5 Rv (oud). De in artikel 223 lid 5 Rv (oud) voorkomende vermelding van de rechter-commissaris als leider van het onderzoek is geschrapt in verband met het feit dat artikel 15 Rv bepaalt dat de meervoudige kamer kan bepalen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk zal kunnen geschieden door een uit haar midden aangewezen rechter-commissaris.1 Uit de memorie van antwoord bij artikel 223 lid 5 Rv (oud) blijkt dat de minister van Justitie van oordeel was dat het de voorkeur verdient de rechtbank de vrijheid te laten om, al naar gelang de omstandigheden zulks wenselijk maken, te bepalen of het deskundigenonderzoek zelfstandig dan wel onder begeleiding van een rechter – een college of een rechter-commissaris – zal plaatshebben.2 Enige verdere toelichting ontbreekt.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet wat de leiding van de rechter zou kunnen of moeten inhouden en in welke gevallen het geïndiceerd zou zijn het onderzoek onder leiding van een rechter te laten uitvoeren. Rutgers veronderstelt dat de reden voor het opnemen van deze bepaling in de wet gelegen kan zijn in de regiefunctie die de rechter in een dergelijk geval kan uitoefenen, bijvoorbeeld met betrekking tot het plan van aanpak of de voortgang van het onderzoek.3 De Groot merkt op dat ‘onder leiding van de rechter’ van alles kan inhouden.4 Zij meent dat het doel van de begeleiding van de rechter moet zijn dat de rechter bevordert dat het onderzoek betrekking heeft op de feiten die op het vakgebied van de deskundige in geschil zijn en strekt tot opheldering van die feiten. Het ligt volgens De Groot voor de hand dat bij aanvang van een onderzoek in ieder geval wordt vastgelegd met welke begeleiding van de rechter of met welke mate van zelfstandigheid de deskundige zal opereren. De deskundige zou tijdens het onderzoek afschriften van correspondentie met partijen aan de rechter behoren te sturen. Hij zou verder, aldus De Groot, zijn vragen tijdens het onderzoek gemakkelijk aan de rechter moeten kunnen voorleggen en tijdig een adequaat antwoord moeten kunnen krijgen, wat in haar ervaring echter niet altijd gebeurt.5 Ook Krans en Santing-Wubs zijn voorstanders van een grotere bemoeienis van de rechter bij het deskundigenonderzoek.6 De rechter zou er meer op kunnen toezien dat het onderzoek niet onnodig lang voortsleept en dat de deskundige zich houdt aan waarborgen die van belang zijn voor een eerlijk proces. Daartoe zou er eerst een regiezitting met de partijen, hun advocaten en de deskundige kunnen worden gehouden, waarbij kan worden ingegaan op de vraagstelling en het plan van aanpak. Als er problemen ontstaan tijdens het deskundigenonderzoek, kan de deskundige zich indien nodig tot de rechter- of raadsheer-commissaris wenden.
Omdat ‘onder leiding van de rechter’ van alles kan inhouden, is de rechter genoodzaakt per zaak aan de deskundige te laten weten in welke mate die de inrichting van zijn onderzoek met hem dient af te stemmen. De Leidraad deskundigen in civiele zaken bevat een daartoe strekkende bepaling.7 Soms bevat het vonnis waarbij het deskundigenbericht wordt bevolen aanwijzingen voor de deskundige.8
De Hoge Raad heeft één uitspraak gewezen waarin de mogelijkheid dat de deskundige het onderzoek onder leiding van de rechter uitvoert aan de orde is gekomen. Dit betrof een klacht over een rechter met betrekking tot de wijze waarop hij met de deskundige had gecommuniceerd over de inhoud van de onderzoeksopdracht. In deze zaak had de kinderrechter aan de Raad voor de Kinderbescherming opdracht gegeven een nader rapport uit te brengen ten behoeve van een omgangsregeling. De Raad voor de Kinderbescherming stuurde de rechtbank vervolgens een brief met als onderwerp “Verzoek betreffende interpretatie beschikking d.d. 2 maart 2011”, met daarin een zevental ten behoeve van het te verrichten onderzoek door hem geformuleerde onderzoeksvragen. De Raad deelde mee dat de vader van mening was dat een van die vragen niet in overeenstemming was met de beschikking. Namens de kinderrechter beantwoordde een gerechtssecretaris deze brief en berichtte de Raad, kort samengevat, dat de rechtbank inderdaad een antwoord wilde op de gewraakte vraag.
Daarover diende de vader een klacht tegen de kinderrechter in. De Hoge Raad verwierp deze klacht en oordeelde dat de kinderrechter niet onbehoorlijk had gehandeld. De Hoge Raad overwoog dat de kinderrechter in de brief geen uitleg had gegeven van de beschikking, maar antwoord had gegeven op een vraag van de Raad voor de Kinderbescherming met betrekking tot het onderzoek dat de Raad voornemens was in te stellen teneinde gevolg te geven aan het in de tussenbeschikking vervatte verzoek om advies: “Nu de wet (art. 198 lid 2 Rv) voorziet in de mogelijkheid dat een onderzoek door deskundigen onder leiding van de rechter wordt ingesteld, kan niet worden aangenomen dat diezelfde rechter geen aanwijzingen zou mogen geven indien een door hem ingeschakelde deskundige opheldering vraagt over bepaalde punten met betrekking tot het te verrichten onderzoek. Een rechter die daarover w é l opheldering verschaft, en op die manier – in een bepaald opzicht – zijn in zijn tussenbeslissing gegeven rechterlijke oordeel dat er een deskundigenonderzoek moet komen en de daarvoor gegeven motivering verduidelijkt, handelt dan ook niet onbehoorlijk, maar voorkomt dat de deskundige overbodig of onvolledig onderzoek verricht en bevordert op die manier een doelmatige en voortvarende rechtspleging in de door hem te beslissen zaak.”9 Uit deze beschikking blijkt dus dat de Hoge Raad uit artikel 198 lid 2 Rv afleidt dat de rechter de deskundige aanwijzingen mag geven met betrekking tot het te verrichten onderzoek en, in mijn woorden, de onderzoeksopdracht mag verduidelijken. De Hoge Raad heeft in deze zaak uitdrukkelijk in het midden gelaten of de rechter in een zodanig geval een uitleg aan zijn tussenbeschikking mag geven die erop neerkomt dat van die tussenbeslissing een andere beslissing wordt gemaakt. Niet duidelijk is dus of de Hoge Raad vindt dat de rechter de onderzoeksopdracht mag wijzigen.10
Het is niet bekend hoe vaak het voorkomt dat de rechter bepaalt dat het deskundigenonderzoek onder leiding van een rechter-commissaris plaatsvindt. De Groot schrijft dat dit weinig voorkomt als de rechter in eerste aanleg enkelvoudig een deskundige benoemt, en vaker als de benoeming plaatsvindt door een meervoudige kamer (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep).11 Empirische gegevens ontbreken. Volgens Slijk en Husson is in de rechtspraak een tendens zichtbaar dat steeds meer gerechten overgaan tot het benoemen van een rechter-commissaris die bij het deskundigenbericht wordt betrokken.12 De enige rechter die, zoals hiervoor ter sprake gekomen, standaard bepaalt dat een deskundigenonderzoek onder leiding van een raadsheer-commissaris plaatsvindt, is de familiekamer van het Gerechtshof Den Haag, vooral als het gaat om financiële deskundigenonderzoeken. In § 9.2.4 ga ik hier verder op in.