Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.3.4.3
5.3.4.3 'Equality of arms'
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS574747:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor deze vaste jurisprudentie onder meer EHRM 18 februari 1997 (Nideröst-Huber/ Zwitserland), NJ 1998, 590; EHRM 14 juni 2001 (Kress/Frankrijk), NJ 2001, 592; EHRM 26 februari 2002 (Fretté/Frankrijk), NJ 2002, 553 m.nt. SVV.
EHRM 18 februari 1997 (Nideröst-Huber/Zwitserland), NJ 1998, 590 (r.o. 23).
Wel achtte het EHRM, zoals in § 5.3.4.2 reeds bleek, een en ander in strijd met het right to adversarial proceedings.
Zie hierover § 1.2.
Aldus ook Snijders 1997b, p. 1797.
Zie HR 28 juni 1996 (De Nieuwe Woning/Staat), NJ 1997, 495 m.nt. HJS (r.o. 3.2 in fine); HR 4 april 1997 (Van Schaik/Verboom), N] 1998, 220 m.nt. HJS (r.o. 3.4).
Zie § 5.3.1.
Een tweede aspect van het door art. 6evrm gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling dat voor de hier gestelde vraag van belang is, is het vereiste van equality of arms. Deze eis houdt in dat
"each party [is] to be given a reasonable opportunity to present his case under conditions that do not place him at a substantial disadvantage vis-d-vis his opponent."1
Over de vraag in hoeverre het vereiste van equality of arms dwingt tot bekendmaking van rechtersregelingen kan ik betrekkelijk kort zijn. Indien een rechtersregeling in het geheel niet bekendgemaakt wordt, zal geen sprake zijn van strijd met deze eis. Beide partijen worden dan immers op gelijke voet behandeld. Dit blijkt ook uit de in de vorige paragraaf aangehaalde uitspraak van het EHRM in de zaak Nideröst-Huber/Zwitserland:2 hoewel in deze zaak ten onrechte de 'Stellungnahme zur Berufung' van de lagere rechter niet aan Nideröst-Huber was toegezonden, oordeelde het EHRM dat het vereiste van equality of arms niet was geschonden omdat voor de wederpartij hetzelfde gold.3
Het vereiste van equality of arms speelt wél een rol wanneer een rechtersregeling slechts aan bepaalde partijen of belanghebbenden bekend wordt gemaakt. Uit de - ongepubliceerde - enquête die ter gelegenheid van een studieweekend van de gerechtshoven in 1997 werd gehouden onder de Nederlandse gerechten,4 kwam naar voren dat het soms voorkomt dat bijvoorbeeld een (inhoudelijke) afspraak binnen een strafsector wel aan het Openbaar Ministerie en de reclassering, maar met aan de balie bekendgemaakt wordt, of dat afspraken van een belastingsector uitsluitend aan de belastingdienst worden medegedeeld. Het spreekt voor zich dat een zodanige wijze van bekendmaking niet voldoet om de regeling als recht in de zin van art. 79 RO aan te kunnen merken. Ook afgezien daarvan zal een en ander echter al spoedig in strijd komen met de eis van equality ofarms.5
Ook in ander verband kan het vereiste van equality of arms overigens de eisen die worden gesteld aan de bekendmaking van rechtersregelingen beïnvloeden. Wil een rechtersregeling als recht in de zin van art. 79 RO gekwalificeerd kunnen worden, dan zal deze volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad behoorlijk bekendgemaakt' moeten zijn.6 Hiervoor is onder andere vereist dat de desbetreffende regeling voor betrokkenen 'kenbaar en toegankelijk' is.7 Zoals al werd besproken in § 5.3.2 mag, gelet op de eis van equality of arms, niet al te spoedig worden aangenomen dat hieraan is voldaan. Op zijn minst moet worden geëist dat een rechtersregeling niet alleen voor de partij die daarop een beroep wenst te doen, maar ook voor haar wederpartij(en) daadwerkelijk kenbaar en toegankelijk is geweest.
Kortom: een verplichting tot bekendmaking van rechtersregelingen kan uit het vereiste van equality of arms niet afgeleid worden; als een rechtersregeling echter eenmaal wordt bekendgemaakt, dan beïnvloedt dit vereiste wel de wijze waarop die bekendmaking dient te geschieden.