Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte, met nummer 14/04161P, waarin ik eveneens concludeerde.
HR, 05-04-2016, nr. 14/04151
ECLI:NL:HR:2016:553
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-04-2016
- Zaaknummer
14/04151
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:553, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 05‑04‑2016; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2608, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2015:2608, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 15‑12‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:553, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑12‑2015
- Vindplaatsen
RvdW 2016/143
NJ 2016/385 met annotatie van Prof. mr. B.F. Keulen
SR-Updates.nl 2016-0164 met annotatie van J.H.J. Verbaan
Uitspraak 05‑04‑2016
Inhoudsindicatie
Witwassen, art. 420bis.1.a Sr. 1. Verbergen of verhullen a.b.i. art. 420bis.1.a Sr. 2. Verzoek tot voeging in het dossier van notities, bonnen en facturen. 1. Uit de gebezigde b.m. kan niet méér worden afgeleid dan dat op een ongebruikelijke plaats in een bij verdachte in gebruik zijnde woning een grote hoeveelheid geld verpakt in een sealbag, die zich bevond in een tas, is aangetroffen. Mede gelet op de wetgeschiedenis is de bewezenverklaring wat betreft het verbergen en verhullen van de herkomst van het geldbedrag niet naar de eis der wet met redenen omkleed. 2. Hof heeft het verzoek afgewezen, omdat de facturen t.a.v. het door de raadsman genoemde bedrag in de vorm van een “in Excel opgestelde lijst”, deel uitmakend van het dossier, kenbaar zijn, en het Hof zich overigens in voldoende mate voorgelicht acht om tot een verantwoorde beslissing te kunnen komen. 's Hofs afwijzing is niet z.m. begrijpelijk, in aanmerking genomen dat het Hof niet nader heeft gespecificeerd o.g.v. welke "in Excel opgestelde lijst" de desbetreffende, niet aan het dossier toegevoegde stukken, "kenbaar" zijn.
Partij(en)
5 april 2016
Strafkamer
nr. S 14/04151
AGE/LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 25 juli 2014, nummer 21/008902-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 en 3 ten laste gelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt onder meer over het oordeel van het Hof ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde, dat de verdachte de criminele herkomst van de geldbedragen heeft verborgen en verhuld.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij op 20 juni 2013, in de gemeente Nijmegen van een voorwerp, te weten een geldbedrag groot 41.0000,- euro, de herkomst heeft verborgen en verhuld, terwijl hij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk - afkomstig was uit het misdrijf, immers heeft hij verdachte een geldbedrag (van in totaal ongeveer 41.000,00 euro) verpakt in een sealbag, die zich weer bevond in een plastic tas van de Cl000, die achter een bankstel op zolder lag in zijn/hun woning ( [a-straat 1] te [plaats] ), verborgen/verhuld."
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.
2.3.
Nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet méér kan worden afgeleid dan dat op een ongebruikelijke plaats in een bij de verdachte in gebruik zijnde woning een grote hoeveelheid geld verpakt in een sealbag, die zich bevond in een tas, is aangetroffen, is de bewezenverklaring wat betreft het verbergen en verhullen van de herkomst van het geldbedrag, mede gelet op de wetgeschiedenis van art. 420bis, eerste lid aanhef en onder a, Sr, zoals weergegeven in HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687, niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
2.4.
De klacht slaagt.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt over 's Hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde tot voeging in het dossier van stukken.
3.2.1.
Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 3 bewezenverklaard dat:
"hij op verschillende tijdstippen in de periode van 01 januari 2007 tot en met 31 december 2012, in de gemeente Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander voorwerpen, te weten:
- geldbedragen van in totaal 146.239,- euro, (te weten constante stortingen op eigen rekening van hem, verdachte, en/of zijn mededader en
- een of meer contante geldbedragen van in totaal 33.657,59 euro (te weten aankoopbedragen van luxe en/of op geld waardeerbare goederen en van factuurbedragen van afgenomen diensten en/of goederen), en
- een grote hoeveelheid voorwerpen, waaronder een auto, en elektronica-artikelen en kleding hebben verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader wisten, althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerpen en geldbedragen onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf."
3.2.2.
Hetgeen het Hof onder 3 onder het tweede gedachtenstreepje bewezen heeft verklaard, steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:
"18. Het in het proces-verbaal witwasonderzoek opgenomen relaas van de verbalisanten, p. 68 e.v.:
Op 20 juni 2013 werd tijdens een doorzoeking op de [b-straat 1] een in werking zijnde kwekerij aangetroffen. De planten in de kwekerij waren boven de wortel afgeknipt. Er lagen ook hennepplantenresten. De ruimte waarin de kwekerij zat, was erg warm en er was een zeer sterke hennepgeur in de ruimte. De afzuiginstallatie was nog in werking. Door een monteur van Liander werd geconstateerd dat er sprake was van diefstal van stroom en dat de bedrading erg brandgevaarlijk was aangelegd.
Op 20 juni 2013 werd tevens een doorzoeking gedaan op perceel [a-straat 1] . Tijdens deze doorzoeking werd een grote hoeveelheid geld, gedroogde henneptoppen en recent afgeknipte hennepplanten aangetroffen. De henneptoppen moesten nog uit de hennepplanten worden geknipt.
Uit de op 20 juni 2013 in beslag genomen bankafschriften blijkt dat de meeste stortingen (bijschrijvingen) op de diverse bankrekeningen afkomstig waren van contante stortingen eigen rekening. Daarnaast werden er kinderbijslag, uitkeringen van verzekeringen, verrekeningen en toeslagen bij geschreven. Vanaf februari 2008 waren er geen inkomsten uit loon en/of uitkeringen.
De contante stortingen vonden vanaf januari 2008 plaats op de bankrekeningen:
[0001] (Postbank/ING) tnv: [betrokkene 1] , [a-straat 1] [plaats] ,
[0002] (ABN-AMRO) tnv: [betrokkene 1] , [a-straat 1] [plaats] ,
[0003] (ABN-AMRO) tnv: [verdachte] , [a-straat 1] [plaats] .
Tot januari 2008 werd er ook contant geld gestort op bankrekening [0004] (ABN-AMRO) tnv:
[betrokkene 1] , [a-straat 1] [plaats] .
Tussen januari 2008 en juni 2013 werd er volgens de bankafschriften van verdachte [verdachte] en [betrokkene 1] op de diverse bankrekeningen gestort € 146.239,- + €23.259,01 = € 169.498,01. Bestaande uit:
- € 146.239,- (contante stortingen eigen rekening);
- € 20.988,87 (toeslagen en kinderbijslag);
- € 2.270,14 (loon uitbetalingen januari 2008).
- € 23.259,01. (De totale ontvangsten van [betrokkene 1]).
Verder blijkt uit de diverse aangetroffen facturen/kassabonnen, dat er veel goederen werden gekocht door middel van contante betalingen, terwijl er geen (nihil) geldopnames hebben plaats gevonden.
Uit deze facturen/kassabonnen blijkt dat er tussen januari 2008 en juni 2013 aan contante betalingen werd uitgegeven: € 33.657.59. Het ging veelal om facturen/kassabonnen van:
- aankoop elektronica;
- onderhoud motorvoertuigen;
- bouwmarkten.
Uit gegevens van de belastingdienst blijkt dat verdachten [verdachte] en [betrokkene 1] in een huurwoning woonden en sinds 2008 geen looninkomsten hebben.
19. Het in het proces-verbaal witwasonderzoek opgenomen relaas van de verbalisanten, p. 72.:
WITWASTYPOLOGIEËN
Als bijlage bij de Aanwijzing Witwassen van het College van Procureurs-generaal is een lijst met zogenaamde witwastypologieën gevoegd. Het gaat hierbij om min of meer objectieve kenmerken die, naar de ervaring leert, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven. Uit de hiervoor gerelateerde bevindingen rijst het vermoeden dat de volgende witwastypologieën van toepassing zijn:
- Beide verdachten ([verdachte] en [betrokkene 1]) hebben sinds 1 januari 2008 geen looninkomsten of inkomsten uit uitkeringen. Wel ontving verdachte [betrokkene 1] zorg- en kindertoeslag;
- verdachte [betrokkene 1] zou aan toeslagen en inkomsten hebben ontvangen € 23.296,- (periode 2008-2013);
- in de periode van 1 januari 2008 t/m 20 juni 2013 werd in totaal € 146.239,- contant gestort op drie bankrekeningen van de verdachten;
- bij de doorzoeking in de woning van de verdachten zijn facturen aangetroffen over de periode vanaf 1 januari 2008 t/m 20 juni 2013 voor contante uitgaven van een bedrag van € 33.657,59;
- beide verdachten weigerden te verklaren over de herkomst van het geld;
- in de woning van de verdachten werden op verschillende plaatsen een geldbedrag van totaal € 44.758,- aangetroffen in verschillende valuta;
- in de woning van verdachten werden de volgende verdovende middelen aangetroffen:
11,4 kg gedroogde henneptoppen, 46,39 kg hennepplanten en blokjes en plaatjes hash."
3.2.3.
Het Hof heeft door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoeken in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en afgewezen:
"De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde primair verzocht om een bedrag van € 21.432,45 wegens oncontroleerbaarheid buiten de bewezenverklaring te laten. Mocht het hof dit verzoek niet toewijzen dan verzoekt de verdediging het hof het onderzoek te heropenen met de opdracht aan de advocaat-generaal om het dossier te completeren met de door de politie bedoelde notities, bonnen en facturen.
Het hof wijst beide verzoeken af, omdat de facturen ten aanzien van het door de raadsman genoemde bedrag in de vorm van een in Excel opgestelde lijst, deel uitmakend van het dossier, kenbaar zijn, en het hof zich overigens in voldoende mate voorgelicht acht om tot een verantwoorde beslissing te kunnen komen."
3.3.
Het Hof heeft het verzoek afgewezen. 's Hofs afwijzing is echter niet zonder meer begrijpelijk. De Hoge Raad neemt hierbij mede in aanmerking dat het Hof in de onder 3.2.3 weergegeven overweging niet nader heeft gespecificeerd op grond van welke "in Excel opgestelde lijst" de desbetreffende, niet aan het dossier toegevoegde stukken, "kenbaar" zijn.
3.4.
Het middel slaagt.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het eerste middel voor het overige geen bespreking behoeft, en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan, V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 april 2016.
Conclusie 15‑12‑2015
Inhoudsindicatie
Witwassen, art. 420bis.1.a Sr. 1. Verbergen of verhullen a.b.i. art. 420bis.1.a Sr. 2. Verzoek tot voeging in het dossier van notities, bonnen en facturen. 1. Uit de gebezigde b.m. kan niet méér worden afgeleid dan dat op een ongebruikelijke plaats in een bij verdachte in gebruik zijnde woning een grote hoeveelheid geld verpakt in een sealbag, die zich bevond in een tas, is aangetroffen. Mede gelet op de wetgeschiedenis is de bewezenverklaring wat betreft het verbergen en verhullen van de herkomst van het geldbedrag niet naar de eis der wet met redenen omkleed. 2. Hof heeft het verzoek afgewezen, omdat de facturen t.a.v. het door de raadsman genoemde bedrag in de vorm van een “in Excel opgestelde lijst”, deel uitmakend van het dossier, kenbaar zijn, en het Hof zich overigens in voldoende mate voorgelicht acht om tot een verantwoorde beslissing te kunnen komen. 's Hofs afwijzing is niet z.m. begrijpelijk, in aanmerking genomen dat het Hof niet nader heeft gespecificeerd o.g.v. welke "in Excel opgestelde lijst" de desbetreffende, niet aan het dossier toegevoegde stukken, "kenbaar" zijn.
Nr. 14/04151 Zitting: 15 december 2015 | Mr. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] 1. |
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 25 juli 2014 de verdachte wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “witwassen”, en 3. “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen, één en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.
4. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:
“hij op 20 juni 2013, in de gemeente Nijmegen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag groot 41.000,- euro2., de herkomst heeft verborgen en verhuld, terwijl hij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk - afkomstig was uit het misdrijf, immers heeft hij verdachte - een geldbedrag (van in totaal ongeveer 41.000,00 euro) verpakt in een sealbag, die zich weer bevond in een plastic tas van de C1000, die achter een bankstel op zolder lag in zijn/hun woning ( [a-straat 1] te [plaats] ), verborgen/verhuld.”
5. De bewezenverklaring steunt op negentien bewijsmiddelen. Voor de bespreking van het middel zijn in het bijzonder de volgende bewijsmiddelen van belang:
“1. Een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 13 november 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
“Ik wist van de hennep en hasj die in mijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] zijn aangetroffen. Ik wist van het geld dat in mijn huis aanwezig was, ook van de € 41.000,-- die is aangetroffen. U zegt mij dat op de zolder ook een koffer is aangetroffen met daarin een boodschappentas met gesealde bruine plakken hasj. Ik kan u zeggen dat ik wel wist dat het er was. De Mercedes met kenteken [AA-00-AA] staat op naam van [betrokkene 1] . De telefoons die zijn aangetroffen zijn door mij gekocht. Ik ken [betrokkene 2] . Soms deed mijn vrouw, [betrokkene 1] , de bankzaken, maar meestal deed ik dat.
(…)”
5. Het relaas van de verbalisanten, p. 20, 21:
“Op 20 juni 2013 hebben wij geassisteerd bij een huiszoeking aan de [a-straat 1] te [plaats] . Op de eerste verdieping van de woning hebben wij in de grootste slaapkamer de kledingkast doorzocht. In de tweede lade zagen wij stapeltjes met briefgeld liggen. Het briefgeld bestond uit briefjes van 100, 50 en 5 eurobiljetten.
Op de zolder zagen wij in een hoek naast de wasmachine en droger meerdere doorzichtige zakken met henneptoppen staan. In het tweede gedeelte van de zolder zagen wij een stoel met diverse mappen met daarop een zwarte sealbag met daarin henneptoppen. Naast de stoel stonden drie grote groene sealbags met daarin henneptoppen die verpakt waren in doorzichtige sealbags. Er lag tevens een koffer met daarin een bruine boodschappentas waarin gesealde bruine plakken lagen. Achter de bank op zolder lag een rode boodschappentas van C1000 met daarin verschillende geldbiljetten verpakt in een doorzichtige sealbag.
(…)”
10. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 88:
“Tijdens de doorzoeking in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] werd in de woning aangetroffen in contanten: € 41.000,-- achter een bank op de zolder.”
11. Schriftelijk bescheiden, p 48 en 49:
“Schriftelijke bescheiden, te weten de zich in het dossier bevindende twee foto’s, genummerd 16 en 17, waarop het hof waarneemt het (achter de bank op zolder aangetroffen en) in een sealbag verpakte geldbedrag alsmede een rode plastic boodschappentas van C1000.
(…)”
18. Het in het proces-verbaal witwasonderzoek opgenomen relaas van de verbalisanten, p. 68 e.v.:
“Op 20 juni 2013 werd tijdens een doorzoeking op de [b-straat 1] een in werking zijnde kwekerij aangetroffen. De planten in de kwekerij waren boven de wortel afgeknipt. Er lagen ook hennepplantenresten. De ruimte waarin de kwekerij zat, was erg warm en er was een zeer sterke hennepgeur in de ruimte. De afzuiginstallatie was nog in werking. Door een monteur van Liander werd geconstateerd dat er sprake was van diefstal van stroom en dat de bedrading erg brandgevaarlijk was aangelegd.
Op 20 juni 2013 werd tevens een doorzoeking gedaan op perceel [a-straat 1] . Tijdens deze doorzoeking werd een grote hoeveelheid geld, gedroogde henneptoppen en recent afgeknipte hennepplanten aangetroffen. De henneptoppen moesten nog uit de hennepplanten worden geknipt.
Uit de op 20 juni 2013 in beslag genomen bankafschriften blijkt dat de meeste stortingen (bijschrijvingen) op de diverse bankrekeningen afkomstig waren van contante stortingen eigen rekening. Daarnaast werden er kinderbijslag, uitkeringen van verzekeringen, verrekeningen en toeslagen bij geschreven. Vanaf februari 2008 waren er geen inkomsten uit loon en/of uitkeringen.
De contante stortingen vonden vanaf januari 2008 plaats op de bankrekeningen:
[0001] (Postbank/ING) tnv: [betrokkene 1] , [a-straat 1] [plaats] ,
[0002] (ABN-AMRO) tnv: [betrokkene 1] , [a-straat 1] [plaats] ,
[0003] (ABN-AMRO) tnv: [verdachte] , [a-straat 1] [plaats] .
Tot januari 2008 werd er ook contant geld gestort op bankrekening [0004] (ABN- AMRO) tnv: [betrokkene 1] , [a-straat 1] [plaats] .
Tussen januari 2008 en juni 2013 werd er volgens de bankafschriften van verdachte [verdachte] en [betrokkene 1] op de diverse bankrekeningen gestort € 146.239,- + € 23.259,01 = €169.498,01. Bestaande uit:
- € 146.239,- (contante stortingen eigen rekening);
- € 20.988,87 (toeslagen en kinderbijslag);
- € 2.270,14 (loon uitbetalingen januari 2008).
- € 23.259,01. (De totale ontvangsten van [betrokkene 1] ).
Verder blijkt uit de diverse aangetroffen facturen/kassabonnen, dat er veel goederen werden gekocht door middel van contante betalingen, terwijl er geen (nihil) geldopnames hebben plaats gevonden.
Uit deze facturen/kassabonnen blijkt dat er tussen januari 2008 en juni 2013 aan contante betalingen werd uitgegeven: €33.657.59. Het ging veelal om facturen/kassabonnen van:
- aankoop elektronica;
- onderhoud motorvoertuigen;
- bouwmarkten.
Uit gegevens van de belastingdienst blijkt dat verdachten [verdachte] en [betrokkene 1] in een huurwoning woonden en sinds 2008 geen looninkomsten hebben.”
19. Het in het proces-verbaal witwasonderzoek opgenomen relaas van de verbalisanten, p. 72:
“WITWASTYPOLOGIEËN
Als bijlage bij de Aanwijzing Witwassen van het College van Procureurs-generaal is een lijst met zogenaamde witwastypologieën gevoegd. Het gaat hierbij om min of meer objectieve kenmerken die, naar de ervaring leert, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven. Uit de hiervoor gerelateerde bevindingen rijst het vermoeden dat de volgende witwastypologieën van toepassing zijn:
- Beide verdachten ( [verdachte] en [betrokkene 1] ) hebben sinds 1 januari 2008 geen looninkomsten of inkomsten uit uitkeringen. Wel ontving verdachte [betrokkene 1] zorg- en kindertoeslag;
- verdachte [betrokkene 1] zou aan toeslagen en inkomsten hebben ontvangen €23.296,-- (periode 2008-2013);
- in de periode van 1 januari 2008 t/m 20 juni 2013 werd in totaal € 146.239, - contant gestort op drie bankrekeningen van de verdachten;
- bij de doorzoeking in de woning van de verdachten zijn facturen aangetroffen over de periode vanaf 1 januari 2008 t/m 20 juni 2013 voor contante uitgaven van een bedrag van € 33.657,59;
- beide verdachten weigerden te verklaren over de herkomst van het geld;
in de woning van de verdachten werden op verschillende plaatsen een geldbedrag van totaal € 44.758, -- aangetroffen in verschillende valuta
- in de woning van verdachten werden de volgende verdovende middelen aangetroffen:
11,4 kg gedroogde henneptoppen, 46, 39 kg hennepplanten en blokjes en plaatjes hash.”
6. Art. 420bis Sr luidt als volgt:
“1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.
2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.”
7. De tenlastelegging en de bewezenverklaring in de onderhavige zaak zijn toegesneden op het bepaalde in art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte de herkomst van het bedrag van € 41.000,- heeft verborgen en verhuld, terwijl hij wist dat het geldbedrag onmiddellijk afkomstig was uit misdrijf. In cassatie wordt het oordeel dat de verdachte wist dat het geldbedrag onmiddellijk uit misdrijf afkomstig is niet bestreden. In de toelichting op het middel wordt tot uitgangspunt genomen dat het hof heeft aangenomen dat het geldbedrag afkomstig was uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Voorts voert de steller van het middel aan dat uit de bewijsvoering van het hof niet méér kan worden afgeleid dan dat de verdachte het contante geldbedrag van € 41.000 voorhanden heeft gehad, terwijl niet blijkt van gedragingen van de verdachte die kennelijk gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geldbedrag.
8. De formulering van de toelichting op het middel sluit ogenschijnlijk aan bij rechtspraak van de Hoge Raad over het kwalificeren als “witwassen” van in het bijzonder het verwerven en voorhanden hebben -als bedoeld in art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder b Sr- van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen.3.In zijn arrest van 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:956 overwoog de Hoge Raad echter het volgende:
“Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat de recente rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de nadere motiveringseisen van het oordeel dat sprake is van witwassen in het geval dat de verdachte een uit enig door hemzelf begaan misdrijf afkomstig voorwerp heeft verworven of voorhanden heeft gehad, ook betrekking heeft op het bewezenverklaarde verbergen en verhullen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr. Die opvatting is onjuist (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716, rov. 3.4.1.).”4.
Nu in de onderhavige zaak niet het verwerven en voorhanden hebben van het geldbedrag in de zin van art. 420bis, eerste lid, onder b, Sr is bewezen verklaard, maar het verbergen en verhullen van de herkomst daarvan als bedoeld in art. 420bis, eerste lid, onder b, Sr, mist een beroep op de in de rechtspraak ontwikkelde kwalificatieuitsluitingsgrond doel. Daarmee is echter niet het laatste woord gezegd. Het middel klaagt immers over de bewezenverklaring. Gelet op de formulering van het middel en de daarop gegeven toelichting, begrijp ik het middel aldus, dat het erover klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte de herkomst van het geldbedrag heeft verborgen en verhuld.
9. Onder verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van art. 420bis Sr, vernietigde de Hoge Raad op 19 december 2014 een arrest waarin het hof had bewezen verklaard dat de verdachte de werkelijke aard en herkomst had verborgen van een geldbedrag van ongeveer 1,5 miljoen euro, welk bedrag was aangetroffen in onder meer een kluis en in schoenendozen die zich bevonden in een woning waar de verdachte verbleef. De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring wat betreft het “verbergen” van de herkomst van het geldbedrag niet naar de eis der wet met redenen was omkleed. Uit de bewijsvoering kon niet meer kon worden afgeleid dan dat op ongebruikelijke plaatsen in een bij de verdachte in gebruik zijnde woning een grote hoeveelheid geld was aangetroffen.5.
10. De onderhavige zaak vertoont gelijkenis met de voornoemde zaak. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte de herkomst van het geldbedrag heeft verborgen en verhuld door het in een sealbag te verpakken, welk pakketje zich in een C1000-tas bevond, die achter een bankstel op de zolder in zijn woning werd aangetroffen. Nu ook in de onderhavige zaak uit de gebezigde bewijsvoering niet meer kan worden afgeleid dan dat in een bij de verdachte in gebruik zijnde woning een grote hoeveelheid geld is aangetroffen, is de bewezenverklaring wat betreft het verbergen en verhullen van de herkomst van het geldbedrag niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Daarbij merk ik nog op dat het hof zijn oordeel ten aanzien van het verbergen en verhullen van de herkomst van het geldbedrag niet nader heeft gemotiveerd, terwijl uit de gebezigde bewijsmiddelen evenmin blijkt van andere omstandigheden die kunnen duiden op een verbergen en verhullen van de (criminele) herkomst van dit geldbedrag. Het verbergen van contant geld op een ongebruikelijke plaats in een woning is daartoe ontoereikend.
11. Het middel slaagt.
12. Het tweede middel klaagt over de afwijzende beslissing van het hof op het (subsidiaire) verzoek tot voeging van door de raadsman aangeduide stukken bij de processtukken.
13. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2014 blijkt dat de raadsman aldaar het woord heeft gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota. Die pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Feit 3: overig witwassen
(…)
44. De negatieve beeldvorming ten aanzien van cliënt staat op losse schroeven en er is sprake van oncontroleerbaarheid.
45. Zo maakt de politie melding van het aantreffen van diverse notities, bonnen en facturen, welke op blz. 51/52 (blz. 64/65 van de aanvulling) worden beschreven, echter zijn die notities, bonnen en facturen niet aan het dossier gevoegd. Daardoor is voor uw Hof en de verdediging oncontroleerbaar of de overzichten correct, conform de inhoud van die stukken zijn opgesteld en of de door de politie getrokken conclusies juist zijn.
46. Volgens cliënt zouden de inbeslaggenomen notities (voor zover voor hem op basis van dit dossier verifieerbaar) geen betrekking hebben op hennepkwekerijen, maar aantekeningen betreffende de handel in goederen, berekeningen m.b.t. gewichten in verband met personal training, etc.
47. Bij gebreke aan een kopie van deze stukken is voor uw Hof en de verdediging onverifieerbaar of deze stukken wel aan cliënt toebehoorden, of een andere ‘oorsprong’ hebben / iemand anders toebehoren.
Het gaat in mijn ogen niet aan dat de politie slechts in algemene zin melding maakt van het bestaan van bonnen en facturen, terzake een totaalbedrag noemt, maar vervolgens die bonnen en facturen niet aan het dossier voegt. Daarbij kan ik de rechtbank niet volgen in de overweging (vonnis, p. 6): “Dat er nog facturen zijn die niet of niet door verdachte of zijn vrouw betaald zijn of die niet van hen zijn, is niet aannemelijk gemaakt.”
Dat acht ik een onmogelijke en ontoelaatbare omkering van de bewijslast:
de bonnen en facturen worden niet aan het dossier gevoegd, zodat de inhoud daarvan thans niet controleerbaar is, zodat cliënt terzake ook niet gespecificeerd verweer kan voeren vervolgens wordt hem tegengeworpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat die bonnen niet door hem / zijn partner zijn betaald.
Primair: wegens gebrek aan controleerbaarheid, voor uw Hof, voor de verdediging, verzoek ik u in het kader van feit 3 een bedrag van € 21.432,45 buiten de bewezenverklaring te laten.
Subsidiair: verzoek ik u het onderzoek ter terechtzitting (te heropenen en) aan te houden, met de opdracht aan de Advocaat-Generaal om het dossier te completeren met de door de politie bedoelde notities / bonnen / facturen, teneinde cliënt in de gelegenheid te stellen om zich terzake (al dan niet via zijn advocaat) uit te laten of die notities betrekking hebben op hennepteelt of juist op het zwarte werk, of de bonnen / facturen betrekking hebben op door cliënt en / of zijn partner gedane contante uitgaven.
(…)
Verder wordt het cliënt, wegens het niet gevoegd zijn aan het dossier van de bij cliënt in beslaggenomen administratie (notities) erg moeilijk gemaakt omdat hij zo niet aan de hand daarvan bewijs kan leveren van door hem verdiend zwart geld uit de door hem omschreven werkzaamheden als plakker / stukadoor / personal trainer / handelaar in goederen: hij kan die notities nu niet voorleggen aan uw Hof. (…)”
14. Het hof heeft in het bestreden arrest ten aanzien van deze verzoeken het volgende overwogen:
“Verzoek tot aanhouding
De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde primair verzocht om een bedrag van € 21.432,45 wegens oncontroleerbaarheid buiten de bewezenverklaring te laten. Mocht het hof dit verzoek niet toewijzen dan verzoekt de verdediging het hof het onderzoek te heropenen met de opdracht aan de advocaat-generaal om het dossier te completeren met de door de politie bedoelde notities, bonnen en facturen.
Het hof wijst beide verzoeken af, omdat de facturen ten aanzien van het door de raadsman genoemde bedrag in de vorm van een in Excel opgestelde lijst, deel uitmakend van het dossier, kenbaar zijn, en het hof zich overigens in voldoende mate voorgelicht acht om tot een verantwoorde beslissing te kunnen komen.”
15. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 3 bewezen verklaard dat:
“hij op een verschillende tijdstippen in de periode van 01 januari 2007 tot en met 31 december 2012, in de gemeente Nijmegen tezamen en in vereniging met een ander voorwerpen, te weten:
- geldbedragen van in totaal 146.239,- euro, (te weten constante stortingen op eigen rekening van hem, verdachte, en/of zijn mededader en
- een of meer contante geldbedragen van in totaal 33.657,59 euro, (te weten aankoopbedragen van luxe en/of op geld waardeerbare goederen en van factuurbedragen van afgenomen diensten en/of goederen), en
- een grote hoeveelheid voorwerpen, waaronder een auto en elektronica-artikelen en kleding, hebben verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader wisten, althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerpen en geldbedragen onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf.”
16. Het hof heeft het bewezen verklaarde gekwalificeerd als het “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd”.6.
17. De bewezenverklaring van het onder 3, tweede gedachtestreepje, genoemde totaalbedrag aan contante uitgaven van € 33.657,59 steunt hoofdzakelijk op bewijsmiddel 18 dat, voor zover hier van belang, als mededeling van een politieverbalisant het volgende inhoudt:
“Verder blijkt uit de diverse aangetroffen facturen/kassabonnen, dat er veel goederen werden gekocht door middel van contante betalingen, terwijl er geen (nihil) geldopnames hebben plaats gevonden.
Uit deze facturen/kassabonnen blijkt dat er tussen januari 2008 en juni 2013 aan contante betalingen werd uitgegeven: €33.657.59. Het ging veelal om facturen/kassabonnen van:
- aankoop elektronica;
- onderhoud motorvoertuigen;
- bouwmarkten.”7.
18. Voorts bevat bewijsmiddel 19 een relaas van verbalisanten, waarin onder meer wordt vermeld dat bij de doorzoeking in de woning van de verdachten facturen zijn aangetroffen over de periode van 1 januari 2008 tot en met 20 juni 2013 voor contante uitgaven tot een bedrag van € 33.657,59.
19. Het bewezen verklaarde bedrag van € 33.657,59 betreft het gehele in dit verband ten laste gelegde bedrag. De rechtbank had het ten laste gelegde in zoverre bewezen verklaard tot een bedrag van € 21.432,45. Met zijn primaire verzoek om € 21.432,45 buiten de bewezenverklaring te laten, doelde de raadsman kennelijk op het door de rechtbank bewezen verklaarde bedrag en - opmerkelijk genoeg - niet op het gehele in zoverre ten laste gelegde bedrag van € 33.657,59. Het hof heeft het primaire verzoek afgewezen en het gehele in zoverre ten laste gelegde bedrag van € 33.657,59 in de bewezenverklaring betrokken. Daarmee was het gehouden een uitdrukkelijke beslissing te nemen op het subsidiaire verzoek tot het (heropenen en) aanhouden van de zaak met de opdracht aan de advocaat-generaal om het dossier te completeren met de door de politie bedoelde notities, bonnen en facturen. Het hof heeft het subsidiaire verzoek gemotiveerd afgewezen.
20. Hoewel het subsidiaire verzoek niet als zodanig is geformuleerd, heeft het hof het verzoek kennelijk en niet onbegrijpelijk verstaan als een verzoek om stukken aan het dossier toe te voegen. Het betreft in deze lezing een verzoek om op grond van art. 328 Sv, in verbinding met art. 331 en art. 415, eerste lid, Sv, toepassing te geven aan art. 315 Sv. De maatstaf voor de beoordeling van het verzoek is of de noodzaak van het verzochte is gebleken.8.Daarbij is van belang dat in het dossier dienen te worden gevoegd de stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor de verdachte ontlastende zin.9.
21. Het hof heeft het verzoek afgewezen “omdat de facturen ten aanzien van het door de raadsman genoemde bedrag in de vorm van een in Excel opgestelde lijst, deel uitmakend van het dossier, kenbaar zijn, en het hof zich overigens in voldoende mate voorgelicht acht om tot een verantwoorde beslissing te kunnen komen.” Hierin ligt als het oordeel van het hof besloten dat niet van de noodzaak van voeging van de desbetreffende stukken is gebleken. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf toegepast.
22. Ter beoordeling of het oordeel van het hof begrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd, wijs ik op het volgende. Het hof heeft niet toegelicht op grond van welke “in Excel opgemaakte lijst” de desbetreffende facturen volgens het hof “kenbaar” zijn, terwijl dit bij kennisneming van de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding evenmin duidelijk wordt.
23. In de toelichting op het middel wordt aangenomen dat het hof het subsidiaire verzoek aldus heeft uitgelegd dat dit betrekking heeft op de facturen die zijn vermeld in het als bewijsmiddel 13 opgenomen Excel-bestand “Aangetroffen notities 08 [...] ”.10.Voor deze lezing pleit dat het hof verwijst naar een “in Excel opgestelde lijst”, die op p. 64-65 van het (aangevulde) proces-verbaal “ [...] 013059129” is opgenomen en waarnaar de raadsman in dit verband heeft verwezen. Zoals volgt uit bewijsmiddel 12, zijn in dit Excel-bestand echter niet alle in verdachtes woning in beslag genomen documenten opgenomen, maar slechts de documenten en notities die “een relatie hebben met [aan] hennep gerelateerde goederen.” Een groot aantal van de in het bestand opgenomen facturen is dan ook afkomstig van growshops.11.Facturen die betrekking hebben op de aankoop van elektronica, het onderhoud van motorvoertuigen, en bouwmarkten, waarop bewijsmiddel 18 doelt en waarop het bewezen verklaarde bedrag van € 33.657,59 betrekking heeft, worden in het overzicht niet als zodanig benoemd. Bovendien zijn op de in Excel opgestelde lijst geen factuurbedragen vermeld. Het oordeel dat op grond van dit document de desbetreffende facturen tot een bedrag van € 21.432,45 (voldoende) “kenbaar” zijn, is dan ook zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
24. Voor zover het hof wel het oog heeft gehad op de in bewijsmiddel 18 bedoelde “facturen/kassabonnen”, geldt dat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke in Excel opgestelde lijst het doelt. Buiten de eerder genoemde in Excel opgestelde lijst, heb ik bij de stukken van het geding geen lijst aangetroffen die aan deze omschrijving voldoet. Wat resteert, is de zeer globale omschrijving van “facturen/kassabonnen” in het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal. Ook in die lezing heeft het hof het verzoek ontoereikend gemotiveerd verworpen.
25. Aan het voorafgaande doet niet af dat het hof voorts heeft overwogen zich overigens in voldoende mate voorgelicht te achten om tot een verantwoorde beslissing te komen. Aangezien deze overweging niet los kan worden gezien van het oordeel dat de facturen (voldoende) kenbaar zouden zijn, kan het de afwijzende beslissing op het verzoek tot voeging van die facturen niet zelfstandig dragen.
26. Voor zover mocht worden geoordeeld dat dit oordeel wel zelfstandige betekenis toekomt, acht ik de motivering evenmin toereikend. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verzoek onder meer aangevoerd dat het dossier de verdachte niet voldoende in staat stelt zich te verdedigen tegen de beschuldiging dat hij (als medepleger) tot een bedrag van € 21.432,45 aan van misdrijf afkomstig contant geld heeft uitgegeven. De raadsman spreekt over oncontroleerbaarheid en (het ontbreken van) de gelegenheid voor de verdachte zich uit te laten over de vraag of de bonnen en facturen wel betrekking hebben op door de hem en/of zijn partner gedane contante uitgaven. Het hof heeft de verwijzing naar de facturen/kassabonnen in voor de verdachte belastende zin in de bewijsvoering gebruikt. Onder die omstandigheden is het oordeel dat de noodzaak van het verzochte niet is gebleken niet zonder meer begrijpelijk. De motivering, inhoudende dat het hof zich voldoende voorgelicht acht, schiet gelet op het voorafgaande tekort. In dit verband kan er nog op worden gewezen dat in geval de verdediging de betrouwbaarheid van enig bewijsmiddel aanvecht, beginselen van behoorlijke procesorde meebrengen dat de verdediging in beginsel de kennisneming van voor de beoordeling van die vraag van belang zijnde, niet tot de processtukken behorende documenten niet mag worden onthouden.12.
27. Tot slot merk ik het volgende op. Het hof heeft het subsidiaire verzoek aldus uitgelegd, dat het is beperkt tot de facturen die ten grondslag liggen aan de contante uitgaven van € 21.432,45, zoals onder 3 aan de verdachte ten laste gelegd. Die uitleg is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het verzoek in de pleitnota is gedaan onder de aanhef “Feit 3: overig witwassen” en het primaire verzoek eveneens was beperkt tot het onder 3 ten laste gelegde.13.De vernietiging van het bestreden arrest behoeft zich dus niet uit te strekken tot de beslissingen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde.
28. De middelen zijn terecht voorgesteld. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 en 3 ten laste gelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑12‑2015
De bewezenverklaring, waarin een bedrag staat vermeld van “41.0000,- euro” leent zich voor verbeterde lezing. In het licht van de bewijsvoering lijdt het geen twijfel dat een bedrag van 41.000,- euro is bedoeld.
Zie HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1090.
Vgl. ook HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:14 en HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3032.
HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687. Vgl. ook HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:14.
Gezien de kwalificatie “witwassen, meermalen gepleegd” is kennelijk abusievelijk in de bewezenverklaring opgenomen dat de verdachte en zijn mededader “redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden” dat de voorwerpen uit misdrijf afkomstig waren. Deze formulering duidt immers op het bij art. 420quater Sr strafbaar gestelde schuldwitwassen. De bewezenverklaring leent zich naar mijn mening voor verbeterde lezing. Vgl. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:214, waarin de cassatieklacht dat het hof geen keuze had gemaakt tussen deze begrippen werd afgedaan op de voet van art. 81, eerste lid, RO. Zie ook de aan dit arrest voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga (ECLI:NL:PHR:2014:2547).
Het volledige bewijsmiddel is geciteerd bij de bespreking van eerste middel.
Vgl. HR 11 september 2012, rov. 2.4, ECLI:NL:HR:2012:BX4482, NJ 2012/538.
Vgl. HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:AB9820, NJ 1996/687 m.nt. Schalken en HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4482, NJ 2012/538.
Het verkorte vonnis van de rechtbank vermeldt zelfs dat alle in het document weergegeven facturen afkomstig zijn van growshops (pag. 4).
Vgl. HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:AB9820, NJ 1996/687 m.nt. Schalken.
Zie ten aanzien van de toetsing in cassatie: HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3252, HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6731 en HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4978.
Beroepschrift 15‑12‑2015
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Griffienummer: S14/04151
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE
van mr. R.I. Takens die verklaart door nagenoemde [verzoeker] ter zake bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd
in de zaak van:
[verzoeker]
verzoeker tot cassatie van de te zijnen laste door het hof te Arnhem op 25 juli 2014 in de strafzaak onder ressortnummer 21-008902-13 gewezen arrest.
Middel I.
Schending en / of onjuiste toepassing van het recht, in het bijzonder van de artikelen 420bis Wetboek van Strafrecht, 359 lid 2, 1e volzin, 359 lid 2, 2e volzin en 359 lid 3 in verbinding met artikel 415 Wetboek van Strafvordering en / of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat de bewezenverklaring niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen, althans de bewezenverklaring, zonder nadere motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk is en / of ontoereikend is gemotiveerd, althans heeft het hof niet in het bijzonder de reden opgegeven in het arrest waarbij is afgeweken van het namens verzoeker tot cassatie uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat er geen sprake is van een voor de bewezenverklaring van witwassen vereiste verhullingshandeling, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
Toelichting
1.
Aan verzoeker tot cassatie is onder feit 2 op de dagvaarding ten laste gelegd (kortweg) het witwassen van een geldbedrag van € 41.000,-- dat door de politie in de woning van verzoeker tot cassatie is gevonden op zolder, verpakt in een sealbag, in een plastic tas, achter een bankstel.
2.
Verzoeker tot cassatie heeft erkend een geldbedrag van € 41.000,-- in contanten aanwezig te hebben gehad in zijn woning. Ter terechtzitting van 11 juli 2014 verklaarde verzoeker tot cassatie ten overstaan van het hof daarover:
‘Het in mijn woning gevonden geld is van mij.’
‘Het klopt dat ik veel zwart heb gewerkt. Ik heb vele stukadoorswerkzaamheden verricht. Die werkzaamheden leverden mij ongeveer € 2.000,-- per maand op. In de loop der jaren heb ik met die werkzaamheden een kapitaal verdiend. Ik heb niet op grote voet geleefd. Ik sta niet ingeschreven met een eigen bedrijf. Ik heb ook geen vast werk. De gemeente is op de hoogte van mijn persoonlijke omstandigheden. Ik hoor u, voorzitter, zeggen dat er voor iemand zonder vast werk, veel geld is aangetroffen in mijn woning. Dat klopt, ik heb in de loop der jaren veel geld verdiend. Ik heb sporttrainingen gegeven en spullen verkocht afkomstig van growshops. Ik kocht die spullen zelf in en ik verkocht ze daarna met winst.’
‘Ik heb geen belasting betaald over het door mij zwart verdiende geld.’
3.
Bij pleitnota is ter terechtzitting van 11 juli 2014 door de raadsman (voor zover voor dit cassatiemiddel van belang) aangevoerd:
- 37.
‘Bovendien meen ik dat, gelet op het arrest van de Hoge Raad d.d. 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1481 (vgl. r.o. 3.2.2.) in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een verdachte die geldbedragen voorhanden heeft als bedoeld in art. 420bis Sr en waarvan vaststaat dat die afkomstig zijn uit een (mede) door hemzelf begaan misdrijf, het enkele voorhanden hebben van die geldbedragen niet kan worden aangemerkt als witwassen indien die gedraging niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen (vgl. HR 26 oktober 2010, LJN BM4440, NJ 2010/655, r.o. 2.4.2).
- 38.
In casu heeft de tenlastelegging betrekking op tijdens de doorzoeking op de zolder in een plastic tas aangetroffen geld ad € 41.000,-- alsmede enkele andere bankbiljetten.
Ik ben van mening dat in beginsel van de verdachte een handeling wordt gevergd die erop is gericht ‘om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen’. Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door verdachte van een geldbedrag dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag, zodat die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.
Vgl. ook Hoge Raad 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6930.
- 39.
Verstoppen van de buit levert op zich nog geen witwassen op als er daarbij geen verhullingshandeling is verricht. Vgl. Hoge Raad d.d. 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1237:
‘Voorwerpen verkregen uit eigen misdrijf, oorbellen verpakt aangetroffen in rugkussen van een tweezitsbank. Uit de bewijsvoering kan niet worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van de door verdachte gestolen sieraden; niet blijkt van gedragingen van verdachte die ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen. HR doet de zaak zelf af en spreekt verdachte in zoverre vrij.’
- 40.
Grote gelijkenis zie ik met Hoge Raad d.d. 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:174: er werd op zolder naast zakken met hennep een plastic zak met briefgeld van in totaal € 32.695 aangetroffen. Tevens werden bij de doorzoeking in enkele kamers op de eerste verdieping naast hennep en hasjiesj nog andere bedragen aangetroffen, waaronder een bedrag van € 630,-- in een washandje in een ladekast en een bedrag van € 5.850,-- in een kaptafel. Bij insluiting van de verdachte werd in zijn onderbroek een bedrag van €15.930,-- aangetroffen. Bij de insluiting van de medeverdachte [medeverdachte 1] werd in zijn onderbroek een bedrag van € 5.700,-- aangetroffen. HR: ‘Aangezien uit 's Hofs overwegingen echter niet kan worden afgeleid dat ten aanzien van het gehele in de bewezenverklaring genoemde geldbedrag sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van dit geld doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat gehele geldbedrag, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd.’
Doordat niet bewezen kan worden dat cliënt een zoals hiervoor in de jurisprudentie genoemde verhullingshandeling heeft verricht, verzoek ik u cliënt vrij te spreken van feit 2.’
4.
Te dien aanzien heef het hof in het arrest niets in het bijzonders overwogen en heeft volstaan met de algemene overwegingen:
‘Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel —ook in onderdelen— slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
(…)
- 2:
hij op 20 juni 2013, in de gemeente Nijmegen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag groot 41.000,-- euro de herkomst heeft verboren en verhuld terwijl hij wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit het misdrijf, immers heeft hij verdachte een geldbedrag (van in totaal ongeveer 41.000,00 euro) verpakt in een sealbag, die zich weer bevond in een plastic tas van de C1000, die achter een bankstel op zolder lag in zijn / hun woning ([a-straat 01] te [a-plaats]) verborgen / verhuld;’
5.
In de aanvulling op het arrest als bedoeld in artikel 365a juncto 415 Sv blijkt met name (samengevat) uit de bewijsmiddelen :
- —
1 : dat verzoeker tot cassatie wist van het geld dat in zijn huis is aangetroffen, ook van de € 41.000,-- die is aangetroffen,
- —
5: dat achter de bank op zolder een rode boodschappentas van C1000 lag met daarin verschillende geldbiljetten verplakt in een doorzichtige sealbag
- —
10: dat de in de woning achter een bank op zolder aangetroffen geld een geldbedrag van € 41.000,-- in contanten betreft;
- —
11 : foto's van dat geldbedrag.
6.
De bewezenverklaring berust dan ook enkel op bewijsmiddelen waaruit volgt dat verzoeker tot cassatie wist van het in zijn woning aangetroffen geldbedrag van € 41.000,--, welk geldbedrag enkel aanwezig was in de woning, op zolder, in een boodschappentas en verpakt in een doorzichtige sealbag. Over de betrouwbaarheid van de verklaringen van verzoeker tot cassatie waaruit volgt dat dit geld van hem zelf is, door hem zelf is verkregen uit zwart werk en het geld zwart is (en om die reden kan worden aangemerkt als geld onmiddellijk afkomstig uit eigen misdrijf verkregen) heeft het hof niet expliciet uitgelaten. Wel heeft het hof een onderdeel van de verklaring van verzoeker tot cassatie betrouwbaar geacht en als bewijsmiddel 1 gebruikt (zie aanvulling op arrest), onder feit 1 verdachte veroordeeld terzake van betrokkenheid bij hennepteelt, zodat het hof kennelijk wel op het oog heeft gehad dat verdachte zich heeft beziggehouden met een misdrijf waaruit crimineel vermogen pleegt te worden verkregen en heeft bewezenverklaard dat het geld onmiddellijk afkomstig was uit misdrijf, derhalve kennelijk doelend op een door verzoeker tot cassatie zelf gepleegd misdrijf.
7.
Uit de door het hof gebezigde bewijsvoering kan niet worden afgeleid dat sprake is van meer dan het door verzoeker tot cassatie enkele voorhanden hebben van een contant geldbedrag; daarbij blijkt niet van gedragingen van verzoeker tot cassatie die ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen. Het oordeel van het hof dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard en dient te worden gekwalificeerd als witwassen (op de wijze zoals bewezen is verklaard) is dan ook onbegrijpelijk, althans in ieder geval ontoereikend gemotiveerd.
8.
Daarnaast moet hetgeen onder punt 37 t/m 40 bij pleidooi door de raadsman is aangevoerd, zoals hiervoor weergegeven, onmiskenbaar worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zoals bedoeld in art. 359 lid 2, 2e volzin, Sv, inhoudende dat in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een verdachte die geldbedragen voorhanden heeft als bedoeld in art. 420bis Sr en waarvan vaststaat dat die afkomstig zijn uit een (mede) door hemzelf begaan misdrijf, het enkele voorhanden hebben van die geldbedragen niet kan worden aangemerkt als witwassen omdat die gedraging niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen, zodat die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.
Het hof heeft dit verweer verworpen, echter zonder daarbij in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. De bewezenverklaring is ook daarom onvoldoende met redenen omkleed.
9.
Het arrest kan om deze redenen dan ook niet in stand blijven.
Middel II.
Schending en / of onjuiste toepassing van het recht, in het bijzonder van de artikelen 315, 328 en 331 in verbinding met artikel 415 Wetboek van Strafvordering alsmede van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en / of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het hof op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen het verzoek van de raadsman tot voeging aan het dossier van door de raadsman aangeduide processtukken heeft afgewezen, althans heeft het hof die beslissing onbegrijpelijk en/ of ontoereikend gemotiveerd.
10.
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat een verdachte op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht heeft om tijdens de procedure informatie te worden verstrekt, zodat hij in staat is zich te verdedigen tegen de beschuldiging (art. 6 lid 1 en lid 3 aanhef en onder sub a en b EVRM), Het recht op een eerlijk proces brengt met zich mee dat de verdachte op de hoogte dient te worden gesteld van het materiaal dat zowel ten gunste als ten nadele van de verdachte gebruikt kan worden. Derhalve heeft de verdachte recht op kennisname van de processtukken. De verdachte heeft er onder meer recht op dat in het dossier worden gevoegd de stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin (vgl. HR 7 mei 1996, LJN AB9820, NJ 1996/687). Wat betreft dat laatste kan zulks ook het geval zijn ter staving van een door een verdachte in te roepen verweer strekkende tot vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging (vgl. in dit verband Hoge Raad d.d. 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4482).
11.
In de strafzaak van verzoeker tot cassatie (een soortgelijk middel wordt ingediend in het gelijktijdig met deze strafzaak lopende beroep in cassatie in de ontnemingsprocedure) is van belang dat als onderdeel van de processtukken uitmaakt een proces-verbaal van bevindingen (p. 60 van het strafdossier) waarin wordt gerelateerd over bij de doorzoeking in de woning van verzoeker tot cassatie in beslag genomen documenten, welke documenten zijn onderzocht op het al dan niet hebben van een relatie met hennepteelt en met hennepteelt gerelateerde goederen, terzake waarvan een Excel-lijst is opgemaakt en aan dat proces-verbaal als bijlage is gevoegd. De Excel-lijst is in het onderliggend strafdossier opgenomen op p. 64 en 65.
12.
Ter terechtzitting van 11 juli 2014 is bij het behandelen van de zaak en het door het hof voorhouden van de inhoud van de stukken door de raadsman onder meer aangevoerd:
‘U hoeft niet het hele dossier voor te houden. Ik heb deze strafzaak in hoger beroep overgenomen van een collega. Ik vraag met name aandacht voor de bladzijden 64 en 65 van het proces-verbaal van politie. Op die bladzijden worden documenten genoemd. De politie heeft een verslag gemaakt van de stukken die in beslag zijn genomen onder mijn cliënt. Mijn cliënt is echter niet geconfronteerd met die beslaglijst. Hij heeft dus ook niet op die lijst kunnen reageren of stukken kunnen herkennen. Ik heb ook niet alles terug kunnen vinden. Als bepaalde beslagstukken niet gewonden kunnen worden dan maken zij geen deel uit van het onderhavige dossier en dienen ze buiten beschouwing te worden gelaten dan wei moet het onderzoek ter terechtzitting worden geschorst om [het, RT] openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen het dossier te completeren met die stukken.’
13.
Terzake van die niet aan het dossier gevoegde, maar wel als per samenvatting in het Excel-lijst aangeduide documenten verklaarde verzoeker tot cassatie ter terechtzitting:
‘Ik hoor de voorzitter zeggen dat er in mijn huis allerlei briefjes zijn aangetroffen met daarop aantekeningen. (…) Dat zegt mij niets. Ik heb daar geen verklaring voor.’
14.
Bij pleitnota is terzake van deze aan het dossier ontbrekende documenten door de raadsman het volgende aangevoerd en zijn de volgende verzoeken gedaan:
- ‘41.
‘Cliënt beroep zich erop dat hij zich nimmer heeft bezig gehouden met handel in verdovende middelen, in het bijzonder niet met het kweken van hennep. Cliënt beroep zich erop dat hij in beginsel legale werkzaamheden heeft verricht (als plakker / stukadoor / personal trainer / handelaar in diverse goederen zoals telefoons en tv's), maar terzake geen belastingen en premies volksverzekeringen heeft afgedragen. Hij zou derhalve ‘zwart’ hebben gewerkt.
- 42.
De rechtbank Amsterdam schreef een interessant vonnis waaruit volgt dat een beroep op ‘inkomsten uit zwart werk’ nog niet maakt dat de verdachte daarmee vrijuit gaat, omdat schending van art. 69 Algemene Wet op de Rijksbelastingen, ook ‘enig misdrijf’ betreft (vgl. Rb Amsterdam d.d. 18 september 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BF1402).
- 43.
Ik meen echter dat uw Hof cliënt wel in zijn standpunt kunt volgen en dat de zaak daardoor een stuk(je) sympathieker wordt: de grondslag van het witwassen betreft een doorgaans minder zwaar bestraft delict.
- 44.
De negatieve beeldvorming ten aanzien van cliënt staat op losse schroeven en er is sprake van oncontroleerbaarheid.
- 45.
Zo maakt de politie melding van het aantreffen van diverse notities, bonnen en facturen, welke op blz. 51/52 (blz. 64/65 van de aanvulling) worden beschreven, echter zijn die notities, bonnen en facturen niet aan het dossier gevoegd. Daardoor is voor uw Hof en de verdediging oncontroleerbaar of de overzichten correct, conform de inhoud van die stukken zijn opgesteld en of de door de politie getrokken conclusies juist zijn.
- 46.
Volgens cliënt zouden de inbeslaggenomen notities (voor zover voor hem op basis van dit dossier verifieerbaar) geen betrekking hebben op hennepkwekerijen, maar aantekeningen betreffende de handel in goederen, berekeningen m.b.t. gewichten in verband met personal training, etc.
- 47.
Bij gebreke aan een kopie van deze stukken is voor uw Hof en de verdediging onverifieerbaar of deze stukken wel aan cliënt toebehoorden, of een andere ‘oorsprong’ hebben / iemand anders toebehoren.
Het gaat in mijn ogen niet aan dat de politie slechts in algemene zin melding maakt van het bestaan van bonnen en facturen, terzake een totaalbedrag noemt, maar vervolgens die bonnen en facturen niet aan het dossier voegt. Daarbij kan ik de rechtbank niet volgen in de overweging (vonnis, p. 6): ‘Dat er nog facturen zijn die niet of niet door verdachte of zijn vrouw betaald zijn of die niet van hen zijn, is niet aannemelijk gemaakt.’
Dat acht ik een onmogelijke en ontoelaatbare omkering van de bewijslast:
- —
de bonnen en facturen worden niet aan het dossier gevoegd, zodat de inhoud daarvan thans niet controleerbaar is, zodat cliënt terzake ook niet gespecificeerd verweer kan voeren
- —
vervolgens wordt hem tegengeworpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat die bonnen niet door hem / zijn partner zijn betaald.
Primair: wegens gebrek aan controleerbaarheid, voor uw Hof, voor de verdediging, verzoek ik u in het kader van feit 3 een bedrag van € 21.432,45 buiten de bewezenverklaring te laten.
Subsidiair: verzoek ik u het onderzoek ter terechtzitting (te heropenen en) aan te houden, met de opdracht aan de Advocaat-Generaal om het dossier te completeren met de door de politie bedoelde notities / bonnen / facturen, teneinde cliënt in de gelegenheid te stellen om zich terzake (al dan niet via zijn advocaat) uit te laten of die notities betrekking hebben op hennepteelt of juist op het zwarte werk, of de bonnen / facturen betrekking hebben op door cliënt en / of zijn partner gedane contante uitgaven.
- 48.
Over de negatieve beeldvorming: bij een buurtonderzoek zouden buren hebben gemeld dat er sprake was van ongure personen bij de woning van cliënt. Wij vragen ons af waarop dat waardeoordeel is gebaseerd.
Er wordt melding gemaakt van auto's met Duitse kentekenplaten: dat heeft op zich nog niet direct betrekking op criminaliteit of criminele connecties.
Er wordt melding van gemaakt dat er diverse personen de woning niet in mochten: er blijkt op basis van dit onderzoek niet hoe vaak dit zou zijn voorgekomen en, als daarvan al sprake is, waarom dit dan is gebeurd (bijvoorbeeld: vroeg iemand even de route?). Ook hier blijkt niet van een crimineel contact, verband houdend met hennepkwekerijen.
Er wordt gesproken over het sjouwen met blauwe zakken: het onderzoek heeft niet uitgewezen dat er gesjouwd werd met goederen betrekking hebbend op hennepkwekerijen. Het dossier laat open dat het simpelweg ging om het weggooien van huis, tuin en keuken afval. Er valt niets vast te stellen over de aard / inhoud van hetgeen beschreven is.
Bovendien, p. 21: bij arrestatie van de familie [verzoeker] gingen de activiteiten gewoon door. Er wordt dus van een mug een olifant gemaakt: er gebeurde niets strafbaars.
- 49.
Ik kan begrijpen dat de buurtbewoners zo hebben gereageerd. Het gaat immers om een proces-verbaal van verhoor van 2 september, derhalve nadat de straat vol heeft gestaan met politie i.v.m. de doorzoeking van 20 juni 2013, wat ongetwijfeld veel indruk heeft gemaakt bij buurtbewoners en het geruchten circuit op gang heeft gebracht. Dan wordt van alles opeens ‘verdacht.’ Dit draagt bij aan een onterechte beeldvorming, waarbij cliënt als grote crimineel wordt weggezet.
- 50.
De partner van cliënt, mevr. [partner], bevestigde evenwel (p. 260) dat cliënt handelde in van alles, ‘het kunnen telefoons, tv's of zelfs kleren zijn.’
- 51.
In het dossier zijn nog enkele aanwijzingen voor de juistheid van de stelling van cliënt dat hij zwart werkte. Immers, cliënt stelt dat hij een enkele keer toch giraal een betaling voor geleverde diensten / goederen ontving, Ik zie op de bankafschriften:
- —
bijlage 3, 3-9-12, € 71,58 bijgeschreven door [naam 1];
- —
bijlage 3, 30-12-11, € 1.000,-- bijgeschreven door [naam 2];
- —
bijlage 3, 3-8-11, € 200,-- bijgeschreven door [naam 3] ;
- —
bijlage 3, 24-1-11, € 50,-- bijgeschreven door [naam 3];
- —
bijlage 3, 30-7-08, € 60, bijgeschreven door [naam 4];
- —
bijlage 4, 10-09-12, € 335,-- bijgeschreven door [naam 5];
- —
bijlage 4, 2-5-12, € 160,-- bijgeschreven door [naam 6].
- 52.
Verder wordt het cliënt, wegens het niet gevoegd zijn aan het dossier van de bij client in beslaggenomen administratie (notities) erg moeilijk gemaakt omdat hij zo niet aan de hand daarvan bewijs kan leveren van door hem verdiend zwart geld uit de door hem omschreven werkzaamheden als plakker / stukadoor / personal trainer / handelaar in goederen: hij kan die notities nu niet voorleggen aan uw Hof.
- 53.
In het verlengde van het voorstaande heeft cliënt getracht om getuigen te kunnen laten verhoren, echter wenst geen van de bedrijven waarvoor cliënt heeft gewerkt te bevestigen dat zij cliënt zwart voor zich hebben laten werken, uit angst voor de gevolgen daarvan.
- 54.
Zonder dat dit voor de bewezenverklaring van feit 3 consequenties hoeft te hebben, verzoek ik u cliënt wel te volgen in zijn standpunt dat hij absoluut geen betrokkenheid heeft gehad bij de in het dossier gestelde langdurige en meerdere kwekerijen van hennep. Ik verzoek u hiermee rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat.’
15.
Het hof heeft daarop bij arrest als volgt beslist:
‘De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde primair verzocht om een bedrag van € 21.432,45 wegens oncontroleerbaarheid buiten de bewezenverklaring te laten. Mocht het hof dit verzoek niet toewijzen dan verzocht de verdediging het hof het onderzoek te heropenen met de opdracht aan de advocaat-generaal om het dossier te completeren met de door de politie bedoelde notities, bonnen en facturen. Het hof wijst beide verzoeken af, omdat de facturen ten aanzien van het door de raadsman genoemde bedrag in de vorm van een in Excel opgestelde lijst, deel uitmaken van het dossier, kenbaar zijn, en het hof zich overigens in voldoendemate voorgelicht acht om tot een verantwoorde beslissing te komen.’
16.
Vervolgens is onder feit 3 onder meer bewezen verklaard: ‘een of meer contante geldbedragen van in totaal 33.657,59 euro (te weten aankoopbedragen van luxe en/of op geld waardeerbare goederen en van factuurbedragen van afgenomen diensten en/of goederen’.
Blijkens de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a juncto 415 Sv zijn tot het bewijs gebezigd:
- —
bewijsmiddel 12: ‘het proces-verbaal van bevindingen (p. 60): Op 20 juni 2013 werd op het adres [a-straat 01] te [a-plaats] een doorzoeking gedaan en beslag gelegd op onder andere documenten. De in beslag genomen documenten zijn door mij onderzocht op notities en documenten die een relatie hebben met hennep gerelateerde goederen. Het gaat om de documenten B1, B2 en de documenten C1 tot en met C45. De inhoud van deze documenten is beschreven in het Excel-bestand genaamd ‘Aangetroffen notities [notities]’, dat als bijlage bij dit proces-verbaal is gevoegd. In dit bestand is bij de kolom ‘inhoud’ een (samenvatting) van de handgeschreven notities vermeld. Bij ‘verklaring’ is beschreven op welke wijze de inhoud door mij, verbalisant, is geïnterpreteerd.’
- —
bewijsmiddel 13: ‘Een schriftelijk bescheid, p. 64 en 65: Een schriftelijk bescheid zijnde het hiervoor genoemde Excel-bestand, onder meer inhoudende: Aangetroffen notities 08 Arkansas, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
17.
Het door de verdediging primair gedane verzoek om in het kader van de bewezenverklaring van feit 3 een bedrag van € 21.432,45 buiten de bewezenverklaring te laten is afgewezen. Het subsidiair gedane verzoek, strekkende tot voeging aan het dossier van de aan het relaas (bewijsmiddel 12) en Excel-overzicht (bewijsmiddel 13) onderliggende documenten (notities / bonnen / facturen) is eveneens afgewezen, maar volgens zijn genoemde bewijsmiddelen wel voor het bewijs gebezigd om tot een bewezenverklaring te komen.
18.
Het (subsidiair) door de verdediging gedane verzoek om de concreet aangeduide processtukken aan het dossier toe te voegen betreft een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 Sv en art. 415 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv. Terecht heeft het hof op dat verzoek een uitdrukkelijke beslissing gegeven, nu dit ook was vereist.
Blijkens zijn overwegingen wijst het hof het verzoek af omdat de facturen ten aanzien van het door de raadsman genoemde bedrag in de vorm van een in Excel opgestelde lijst, deel uitmakend van het dossier, kenbaar zijn, en het hof zich overigens in voldoendemate voorgelicht acht om tot een verantwoorde beslissing te komen.
Deze afwijzing van het door de verdediging gedane verzoek door het Hof moet zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd worden geacht, omdat het verzoek tot voeging aan het dossier van de betreffende documenten, blijkens de bij pleitnota gegeven motivering van het verzoek er mede toe diende:
- —
de juistheid van de inhoud van het Excel-overzicht te kunnen toetsen, alsmede verzoeker tot cassatie in staat te stellen de door de verbalisant gerelateerde interpretaties te kunnen onderzoeken en desgewenst gemotiveerd op haar juistheid te kunnen betwisten (pleitnota sub 45) en verzoeker tot cassatie in staat te stellen gemotiveerd te kunnen betwisten dat de documenten relevantie hebben voor het bewijs / geen bewijskracht hebben voor de vraag naar de betrokkenheid van verzoeker tot cassatie bij hennepteelt (feit 1) en bij witwassen (feit 3) .Verzoeker tot cassatie stelde zich immers op het standpunt goederen afkomstig van growshops slechts door te verkopen, geld te hebben verdiend al personal trainer en stukadoor, maar geen betrokkenheid te hebben gehad bij de hennepteelt zelf en het (in het verlengde daarvan liggende) witwassen;
- —
aannemelijk te maken dat hij verder slechts als tussenhandelaar, stukadoor en als personal trainer te hebben gewerkt, waarvan bevestiging in de verlangde documenten kon worden gevonden althans verzoeker tot cassatie in de gelegenheid wenste te worden gesteld kennis te kunnen nemen van die documenten, ter staving van deze stelling, derhalve om ontlastend bewijs te vergaren c.q. aan te kunnen wijzen (zie pleidooi sub 46). Verzoeker tot cassatie acht aannemelijk dat er ook documenten zijn die zijn stelling aangaande zijn werkzaamheden kunnen bevestigen. In dat verband werd ook bij pleidooi al aangevoerd dat ook de door verzoeker tot cassatie ontvangen girale betalingen passen bij het door verzoeker tot cassatie leveren van diensten en goederen, niet gerelateerd zijnde aan hennepteelt (zie pleidooi sub 51);
- —
verzoeker tot cassatie in de gelegenheid te stellen om na kennisname van de inhoud van die documenten zich terzake erover uit te kunnen laten of die documenten betrekking hebben op door hem zelf en / of zijn partner gedane contante uitgaven, of door derden, derhalve om in staat te worden gesteld zich gemotiveerd erover uit te kunnen laten of de betreffende documenten relevantie hebben voor de tenlastelegging of betrekking hebben op zaken / andere gebeurtenissen die buiten het bereik van de tenlastelegging vallen (zie pleidooi sub 47);
- —
aannemelijk te maken dat de grondslag van het eventuele witwassen een andere is dan in het strafdossier wordt verondersteld, namelijk zwart werk als stukadoor en als personal trainer, zodat dit dient ter staving van het strafmaatverweer (zie pleidooi sub 48 t/, 54).
19.
Tegen deze achtergrond acht ik de beslissing van het hof om de verzoeken af te wijzen, in het bijzonder het verzoek tot voeging aan het dossier van de verzochte processtukken, niet begrijpelijk, althans, in het licht van de door de verdediging aangevoerde redenen, onvoldoende gemotiveerd, te meer nu het hof blijkens het gebruik voor het bewijs (middelen 12 en 13) deze documenten kennelijk wel relevant heeft geacht.
20.
Het arrest kan om deze redenen dan ook niet in stand blijven.
21.
Hierbij wordt opgemerkt dat dit cassatiemiddel in het bijzonder verband houdt met de behandeling van de zaak ter terechtzitting en het niet voegen van de door de verdediging verlangde stukken, zodat in het bijzonder in het geding is het recht van de verdachte op een eerlijk proces en daarbij kennis te kunnen nemen van het belastend en ontlastende bewijs, meer in het bijzonder waar het betreft het door verdachte aannemelijk kunnen maken dat hij geen betrokkenheid had bij de onder feit 1 tenlastegelegde hennepteelt (telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, versteken, vervoeren) en het gedurende een langere periode witwassen, zoals ten laste gelegd onder feit 3.
Bepaaldelijk gevolmachtigde,
mr. R.I Takens