HR, 18-04-2006, nr. 01770/05 B
ECLI:NL:HR:2006:AV4978
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
18-04-2006
- Zaaknummer
01770/05 B
- LJN
AV4978
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2006:AV4978, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 18‑04‑2006
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV4978
ECLI:NL:HR:2006:AV4978, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 18‑04‑2006; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV4978
Conclusie 18‑04‑2006
Inhoudsindicatie
Klaagschrift tegen beslag op pand in Engeland. 1. Het middel klaagt dat de Rb een te beperkte uitleg heeft gegeven aan het klaagschrift. De Rb heeft geoordeeld dat klager zijn beklag heeft doen steunen op de gronden als in de bestreden beschikking vermeld. Die aan de Rb als feitenrechter voorbehouden uitleg van het klaagschrift en het verhandelde in raadkamer, zoals daarvan blijkt uit het pv, is niet onbegrijpelijk. 2. In aanmerking genomen dat de stukken van het SFO, waaronder een uittreksel van HM Land Registry, waaruit zou blijken “dat requirant sedert 16-1-95 aldaar als eigenaar van het pand staat geregistreerd”, bij de behandeling van een eerder klaagschrift niet voldoende waren voor het oordeel dat het pand uitsluitend aan klager in eigendom toebehoort, is het oordeel van de Rb dat door de nadien overgelegde verklaring van klager, inhoudende dat hij de enige eigenaar is van de inbeslaggenomen zaak, niet buiten twijfel is komen te staan dat het pand uitsluitend aan hem in eigendom toebehoort, niet onbegrijpelijk.
Nr. 01770/05 B
Mr. Knigge
Zitting: 7 maart 2006
Conclusie inzake:
[Klager]
1. Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de Rechtbank te Breda van 20 mei 2005. Bij deze beschikking heeft de Rechtbank ongegrond verklaard het beklag strekkende tot teruggave aan de betrokkene van een pand te [plaats] (Verenigd Koninkrijk).
2. Namens de verdachte heeft mr. A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. De zaken met nummers 01769/05B t/m 01776/05B hangen samen. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
4. In beide middelen wordt aangevoerd dat de Rechtbank het beklag ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd ongegrond heeft verklaard.
5. De bestreden beschikking houdt onder het hoofd "de beoordeling" onder meer het volgende in:
"De rechtbank overweegt naar aanleiding van het klaagschrift en het verhandelde in raadkamer van de rechtbank het volgende.
Op 27 maart 1998 is de volgende zaak in beslag genomen:
- het pand, gelegen [a-straat 1], [plaats].
De officier van justitie heeft ter terechtzitting naar aanleiding van het klaagschrift medegedeeld dat voormeld beslag naar het daarop van toepassing zijnde recht ten onrechte is gelegd. Hij heeft geconcludeerd tot teruggave van de betreffende zaken.
De rechtbank stelt dat de betreffende onroerende zaak onderwerp van een door veroordeelde ingediend klaagschrift is geweest. In de beslissing van 1 juli 2003 heeft de rechtbank het volgende overwogen. "Wat betreft het beslag op [a-straat 1] overweegt de rechtbank dat uit voormeld onderzoek ( verwezen wordt naar voormelde samenvatting) blijkt dat [betrokkene 1] met zijn gezin dit pand bewoonde en dat de drie broers met hun gezin dit pand thans nog bewonen. Uit dit onderzoek zijn diverse tegenstrijdigheden met betrekking tot de eigendom naar voren gekomen. In een van de verhoren is bijvoorbeeld naar voren gekomen dat het pand door klagers gezamenlijk is gekocht. Waar de rechtbank onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat dit pand uitsluitend aan een derde in eigendom toebehoort, moet worden geoordeeld dat het beslag op deze zaak op goede gronden berust".
Deze beslissing van de rechtbank is, voorzover het bovenstaande overweging en het daaraan verbonden oordeel betreft, in rechte onaantastbaar geworden.
In de bijlage bij het klaagschrift is een persoonlijke verklaring opgenomen, waarin hij onder meer verklaart de enige eigenaar van de in beslag genomen zaak te zijn. Deze louter subjectieve verklaring kan niet afdoen aan voormelde overwegingen van de rechtbank. Dit betekent dat niet buiten twijfel staat dat de betreffende zaak uitsluitend in eigendom aan klager toebehoort. De zaak komt derhalve niet voor teruggave aan klager in aanmerking. Voor zover klager mede-eigenaar is van de zaak, is naar het oordeel van de rechtbank niet hoogst onwaarschijnlijk dat een eventueel aan de veroordeelde/beslagene op te leggen betalingsverplichting kan worden verhaald op diens aandeel in de in beslag genomen zaak, zodat zij tot zekerheid kan strekken voor de nakoming van die verplichting.
Uit het vorenstaande volgt dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard."
6. In het eerste middel wordt geklaagd over het oordeel van de Rechtbank dat niet buiten twijfel staat dat het inbeslaggenomen pand uitsluitend in eigendom aan de klager toebehoort. Het tweede middel is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat de eerdere beschikking van de Rechtbank in rechte onaantastbaar is geworden. Beide middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
7. Vooropgesteld zij dat ik op grond van eerdere jurisprudentie aanneem dat de beklagprocedure van art. 552a Sv ook van toepassing kan zijn in geval van inbeslagneming van (onroerende) goederen in het buitenland.(1)
8. Dan de beoordeling der middelen. Het gaat in deze zaak om een hernieuwd beklag. Immers heeft de klager al eerder geklaagd over de inbeslagneming van het pand dat is gelegen aan [a-straat 1]. De Rechtbank te Breda heeft dit beklag op 1 juli 2003 ongegrond verklaard.
9. Hernieuwd beklag is slechts mogelijk op grond van nieuwe feiten en omstandigheden.(2) De achtergrond hiervan is dat zich in de loop van het geding ontwikkelingen kunnen voordoen die teruggave aannemelijk kunnen maken.(3) Indien geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, dient de klager niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beklag.
10. In het onderhavige geval heeft de Rechtbank in de eerdere beklagzaak geoordeeld dat niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager enig eigenaar is van het bedoelde pand.(4) De Rechtbank heeft daarom bij het hernieuwde beklag terecht beoordeeld of er sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden die aannemelijk maken dat het eerdere oordeel nu anders zou moeten uitvallen.
11. Kennelijk heeft de Rechtbank geoordeeld dat de bij het klaagschrift gehechte verklaring van de klager van 26 juli 2000, welke is afgelegd bij "The High Court of Justice", met nummer 45/98, niet kan worden aangemerkt als behelzende nieuwe feiten en omstandigheden als vorenbedoeld. Dit oordeel is, nu het slechts gaat om een verklaring van de klager die kort gezegd inhoudt dat hij enig eigenaar is van het bedoelde pand, naar mijn mening niet onbegrijpelijk.
12. Voorzover in de middelen wordt geklaagd over (de inhoud van) de beschikking van de Rechtbank van 1 juli 2003, kan daarop op grond van het voorgaande geen acht worden geslagen.
13. Op grond van het voorgaande falen de middelen, behalve voorzover daarin wordt geklaagd dat de Rechtbank het beklag ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De Rechtbank had de klager immers niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn beklag. De Hoge Raad zal alsnog kunnen doen wat de Rechtbank had behoren te doen.
14. Gronden voor ambtshalve cassatie heb ik niet aangetroffen.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, doch uitsluitend voorzover het beklag daarin ongegrond is verklaard, tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beklag, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. bijvoorbeeld HR 21 september 1999, NJ 2000, 161, waarin het ging om een beklag dat onder meer strekte tot opheffing van in Nederland, Engeland en Turkije gelegde beslagen.
2 Vgl. HR 21 oktober 1997, NJ 1998, 172 en HR 1 oktober 1991, DD 92.069.
3 Vgl. Melai e.a., art. 552a Sv, aant. 11.
4 Vgl. omtrent deze maatstaf R. Kuiper, Beklag tegen beslag, NJB 2005, nr. 4.
Uitspraak 18‑04‑2006
Inhoudsindicatie
Klaagschrift tegen beslag op pand in Engeland. 1. Het middel klaagt dat de Rb een te beperkte uitleg heeft gegeven aan het klaagschrift. De Rb heeft geoordeeld dat klager zijn beklag heeft doen steunen op de gronden als in de bestreden beschikking vermeld. Die aan de Rb als feitenrechter voorbehouden uitleg van het klaagschrift en het verhandelde in raadkamer, zoals daarvan blijkt uit het pv, is niet onbegrijpelijk. 2. In aanmerking genomen dat de stukken van het SFO, waaronder een uittreksel van HM Land Registry, waaruit zou blijken “dat requirant sedert 16-1-95 aldaar als eigenaar van het pand staat geregistreerd”, bij de behandeling van een eerder klaagschrift niet voldoende waren voor het oordeel dat het pand uitsluitend aan klager in eigendom toebehoort, is het oordeel van de Rb dat door de nadien overgelegde verklaring van klager, inhoudende dat hij de enige eigenaar is van de inbeslaggenomen zaak, niet buiten twijfel is komen te staan dat het pand uitsluitend aan hem in eigendom toebehoort, niet onbegrijpelijk.
18 april 2006
Strafkamer
nr. 01770/05 B
LR/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Breda, van 20 mei 2005, nummer RK 05/267, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[Klager], wonende te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk), ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door de klager ingediende klaagschrift strekkende tot teruggave aan hem van de in bovenvermelde beschikking omschreven onroerende zaak.
2. Geding in cassatie
Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de ontvankelijkverklaring van de klager in zijn klaagschrift, is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking, doch uitsluitend voorzover het beklag daarin ongegrond is verklaard en tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beklag.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel strekt ten betoge dat de Rechtbank een te beperkte uitleg heeft gegeven aan het klaagschrift.
3.2. Het klaagschrift strekt tot opheffing van het naar aanleiding van een Nederlands rechtshulpverzoek op 27 maart 1998 gelegde beslag op het pand gelegen [a-straat 1], [plaats], met last tot teruggave aan de klager. De Rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen:
"De rechtbank stelt vast dat de betreffende onroerende zaak onderwerp van een door veroordeelde ingediend klaagschrift is geweest. In de beslissing van 1 juli 2003 heeft de rechtbank het volgende overwogen.
"Wat betreft het beslag op [a-straat 1] overweegt de rechtbank dat uit voormeld onderzoek (verwezen wordt naar voormelde samenvatting) blijkt dat [betrokkene 1] met zijn gezin dit pand bewoonde en dat de drie broers met hun gezin dit pand thans nog bewonen. Uit dit onderzoek zijn diverse tegenstrijdigheden met betrekking tot de eigendom naar voren gekomen. In een van de verhoren is bijvoorbeeld naar voren gekomen dat het pand door klagers gezamenlijk is gekocht. Waar de rechtbank onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat dit pand uitsluitend aan een derde in eigendom toebehoort, moet worden geoordeeld dat het beslag op deze zaak op goede gronden berust."
Deze beslissing van de rechtbank is, voorzover het bovenstaande overweging en het daaraan verbonden oordeel betreft, in rechte onaantastbaar geworden.
In de bijlage bij het klaagschrift is een persoonlijke verklaring opgenomen, waarin hij (de Hoge Raad leest: klager) onder meer verklaart de enige eigenaar van de in beslag genomen zaak te zijn.
Deze louter subjectieve verklaring kan niet afdoen aan voormelde overwegingen van de rechtbank.
Dit betekent dat niet buiten twijfel staat dat de betreffende zaak uitsluitend in eigendom aan klager toebehoort. De zaak komt derhalve niet voor teruggave aan klager in aanmerking. Voor zover klager mede-eigenaar is van de zaak, is naar het oordeel van de rechtbank niet hoogst onwaarschijnlijk dat een eventueel aan de veroordeelde/beslagene op te leggen
betalingsverplichting kan worden verhaald op diens aandeel in de in beslag genomen zaak, zodat zij tot zekerheid kan strekken voor de nakoming van die verplichting."
3.3. De Rechtbank heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat de klager zijn beklag heeft doen steunen op de gronden als in de bestreden beschikking vermeld. Die aan de Rechtbank als feitenrechter voorbehouden uitleg van het klaagschrift en het verhandelde in raadkamer, zoals daarvan blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal, is niet onbegrijpelijk.
3.4. Het middel faalt.
4. Beoordeling van het eerste middel
4.1. Het middel klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van de Rechtbank dat niet buiten twijfel staat dat het onderhavige pand uitsluitend aan de klager in eigendom toebehoort.
4.2. In aanmerking genomen dat de in het middel genoemde stukken van het Strafrechtelijk Financieel Onderzoek, waaronder een uittreksel van HM Land Registry, waaruit zou blijken "dat requirant sedert 16 januari 1995 aldaar als eigenaar van het pand staat geregistreerd", bij de behandeling van het eerdere klaagschrift niet voldoende waren voor het oordeel dat het onderhavige pand met uitsluiting van een ander of anderen aan de klager in eigendom toebehoort, is het oordeel van de Rechtbank dat door de nadien overgelegde verklaring van de klager, inhoudende dat hij de enige eigenaar is van de inbeslaggenomen zaak, niet buiten twijfel is komen te staan dat het onderhavige pand uitsluitend aan hem in eigendom toebehoort, niet onbegrijpelijk.
4.3. Het middel is ondeugdelijk.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2006.