Einde inhoudsopgave
Richtlijn 2014/49/EU inzake de depositogarantiestelsels
Artikel 12 bis Gebruik van de beschikbare financiële middelen van institutionele protectiestelsels die uit hoofde vanartikel 113, lid 7, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 als depositogarantiestelsel zijn erkend
Geldend
Geldend vanaf 10-05-2026
- Bronpublicatie:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/804 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/804)
- Inwerkingtreding
10-05-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/804 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/804)
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
1.
De lidstaten kunnen een institutioneel protectiestelsel als bedoeld in artikel 1, lid 2, punt c), toestaan zijn in artikel 10, lid 1, bedoelde beschikbare financiële middelen uit te lenen of anderszins ter beschikking te stellen aan andere fondsen van dat institutioneel protectiestelsel als bedoeld in artikel 113, lid 7, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
die uitgeleende of anderszins ter beschikking gestelde financiële middelen zijn nodig om de liquiditeit en solvabiliteit te waarborgen teneinde het faillissement van een aangesloten instelling te voorkomen;
- b)
het depositogarantiestelsel hoeft de in artikel 10, lid 1, bedoelde beschikbare financiële middelen niet onmiddellijk te gebruiken om deposanten van zijn deelnemende instellingen terug te betalen of om te interveniëren in de afwikkeling van zijn deelnemende instellingen;
- c)
het totale bedrag is niet hoger dan 75 % van het streefbedrag van het depositogarantiestelsel;
- d)
de uitgeleende of anderszins ter beschikking gestelde financiële middelen moeten binnen zes jaar worden terugbetaald.
2.
De lidstaten zorgen ervoor dat, indien een institutioneel protectiestelsel als bedoeld in artikel 1, lid 2, punt c), overeenkomstig lid 1 van dit artikel financiële middelen heeft uitgeleend of anderszins ter beschikking heeft gesteld en de noodzaak ontstaat om deposanten van zijn deelnemende instellingen terug te betalen of in een afwikkeling te interveniëren, die middelen op verzoek worden terugbetaald binnen een termijn die de in artikel 8, lid 1, bedoelde termijn niet overschrijdt.