Einde inhoudsopgave
Richtlijn 2014/49/EU inzake de depositogarantiestelsels
Artikel 10 Financiering van depositogarantiestelsels
Geldend
Geldend vanaf 10-05-2026
- Bronpublicatie:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/804 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/804)
- Inwerkingtreding
10-05-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/804 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/804)
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
1.
De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels beschikken over adequate systemen ter bepaling van hun potentiële verplichtingen. De beschikbare financiële middelen van depositogarantiestelsels staan in verhouding tot die verplichtingen.
Depositogarantiestelsels verwerven de beschikbare financiële middelen door bijdragen die hun deelnemers ten minste jaarlijks betalen. Dit staat bijkomende financiering uit andere bronnen niet in de weg.
2.
De lidstaten zorgen ervoor dat de beschikbare financiële middelen van een depositogarantiestelsel uiterlijk op 3 juli 2024 ten minste een streefbedrag gelijk aan 0,8 % van het bedrag van de gedekte deposito's van zijn deelnemers belopen.
Voor de berekening van het in de eerste alinea bedoelde streefbedrag ligt de referentieperiode tussen 31 december vóór de datum waarop het streefbedrag moet worden bereikt en die datum.
Om te bepalen of het depositogarantiestelsel het in de eerste alinea bedoelde streefbedrag heeft bereikt, houden de lidstaten uitsluitend rekening met de beschikbare financiële middelen die rechtstreeks door de deelnemers aan het depositogarantiestelsel zijn bijgedragen of teruggevorderd van de deelnemers, na aftrek van administratieve vergoedingen en kosten. Die beschikbare financiële middelen omvatten inkomsten uit beleggingen afkomstig van gelden die door de deelnemers aan het depositogarantiestelsel zijn bijgedragen, en gelden die door het depositogarantiestelsel zijn teruggevorderd op zijn vorderingen die voortvloeien uit zijn interventies, maar zijn exclusief terugbetalingen waar door in aanmerking komende deposanten tijdens uitbetalingsprocedures geen aanspraak op wordt gemaakt, en eventuele schuldverplichtingen van het depositogarantiestelsel. Een uitstaande vordering op een lening aan een ander depositogarantiestelsel uit hoofde van artikel 12 of een uitstaande vordering op een lening of op anderszins beschikbaar gestelde middelen uit hoofde van artikel 12 bis wordt ook opgenomen in en uitsluitend meegerekend voor dat streefbedrag.
Indien de financieringscapaciteit achterblijft bij het streefbedrag, wordt de betaling van bijdragen in elk geval hervat totdat het streefbedrag opnieuw is bereikt.
Indien het in de eerste alinea van dit lid bedoelde streefbedrag voor het eerst is bereikt en de beschikbare financiële middelen, na hetzij een verhoging van het bedrag van de gedekte deposito's, hetzij een uitbetaling van middelen van het depositogarantiestelsel overeenkomstig artikel 8 of artikel 11, lid 2, 3 of 5, zijn teruggebracht tot minder dan twee derde van het streefbedrag, stelt een depositogarantiestelsel de reguliere bijdrage vast op een niveau waarbij het streefbedrag binnen uiterlijk zes jaar kan worden bereikt.
Indien het in de eerste alinea bedoelde streefbedrag voor het eerst is bereikt en de beschikbare financiële middelen zijn teruggebracht met minder dan een derde van het streefbedrag, stelt een depositogarantiestelsel de reguliere bijdrage vast op een niveau waarbij het streefbedrag binnen twee jaar kan worden bereikt. Een depositogarantiestelsel kan die termijn met één jaar verlengen om ervoor te zorgen dat het te innen bedrag een hoogte bereikt die in verhouding staat tot de kosten van het innen van de bijdragen.
In de periodieke bijdrage wordt naar behoren rekening gehouden met de conjunctuurcyclus en met het effect dat procyclische bijdragen kunnen hebben bij de vaststelling van de jaarlijkse bijdragen in het kader van dit artikel.
De lidstaten kunnen de in de eerste alinea bedoelde initiële termijn met maximaal vier jaar verlengen indien het depositogarantiestelsel gecumuleerde uitbetalingen ten bedrage van meer dan 0,8 % van de gedekte deposito's heeft verricht.
3.
De beschikbare financiële middelen die door het depositogarantiestelsel in aanmerking worden genomen om het in lid 2 bedoelde streefbedrag te bereiken, kunnen betalingsverplichtingen omvatten waaraan binnen twee werkdagen na het verzoek van het depositogarantiestelsel moet worden voldaan. Het totale aandeel van deze betalingsverplichtingen mag niet groter zijn dan 30 % van het totaalbedrag van de beschikbare financiële middelen die overeenkomstig lid 2 worden bijeengebracht.
De EBA vaardigt richtsnoeren uit inzake betalingsverplichtingen waarin criteria worden vastgelegd voor de ontvankelijkheid van die verplichtingen.
4.
Vervallen.
Depositogarantiestelsels hebben recht op een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van die bijdragen tot het in lid 2 van dit artikel bedoelde streefbedrag, dat de lidstaat op verzoek onmiddellijk ter beschikking van deze depositogarantiestelsels zal stellen en dat uitsluitend voor de bij artikel 11 vastgestelde doeleinden mag worden gebruikt.
Depositogarantiestelsels hebben enkel recht op dit bedrag indien de bevoegde autoriteit van mening is dat zij niet in staat zijn buitengewone bijdragen bij hun leden te innen. Depositogarantiestelsels dienen dit bedrag terug te betalen door middel van de bijdragen van hun leden overeenkomstig artikel 10, leden 1 en 2.
5.
Bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen uit hoofde van titel VII van Richtlijn 2014/59/EU, inclusief beschikbare financiële middelen die in aanmerking genomen moeten worden voor het bereiken van het streefbedrag van de afwikkelingsfinancieringsregelingen krachtens artikel 102, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU, tellen niet mee voor het bereiken van het streefbedrag.
6.
In afwijking van lid 2 kunnen de lidstaten in gemotiveerde gevallen en na goedkeuring door de Commissie een lager minimaal streefbedrag dan het bij lid 2 vastgestelde minimale streefbedrag toestaan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- a)
de verlaging berust op de veronderstelling dat het onwaarschijnlijk is dat een aanzienlijk deel van de beschikbare financiële voor andere dan de in artikel 11, leden 2 en 6, omschreven maatregelen ter bescherming van gedekte deposanten zal worden gebruikt, en
- b)
de bankensector waarin de bij het depositogarantiestelsel aangesloten kredietinstellingen opereren, kent een sterke concentratie van grote hoeveelheden activa die worden aangehouden door een klein aantal kredietinstellingen of bankgroepen, die onderworpen zijn aan toezicht op geconsolideerde basis, die, gezien hun omvang, wanneer zij in gebreke blijven, waarschijnlijk aan een afwikkelingsprocedure onderworpen zullen worden.
Het verminderde streefbedrag mag niet lager zijn dan 0,5 % van de gedekte deposito's.
7.
De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels, aangewezen autoriteiten of bevoegde autoriteiten de beleggingsstrategie bepalen voor de beschikbare financiële middelen van depositogarantiestelsels en dat die beleggingsstrategie in overeenstemming is met de beginselen diversificatie en beleggen in activa met een laag risico. Depositogarantiestelsels gebruiken derivaten alleen voor risicobeheer, met inbegrip van het beheer van marktrisico en liquiditeitsrisico.
7 bis.
Indien depositogarantiestelsels hun beschikbare financiële middelen geheel of gedeeltelijk bij hun nationale centrale bank of nationale schatkist mogen onderbrengen, zorgen de lidstaten ervoor dat die beschikbare financiële middelen boekhoudkundig van andere middelen worden gescheiden en dat ze gemakkelijk beschikbaar zijn voor gebruik door die depositogarantiestelsels overeenkomstig de artikelen 11 en 12 en artikel 14, lid 3.
8.
Indien de beschikbare financiële middelen van een depositogarantiestelsel ontoereikend zijn voor de terugbetalingen aan deposanten wanneer deposito's onbeschikbaar worden, betalen de deelnemers buitengewone bijdragen die per kalenderjaar niet meer bedragen dan 0,5 % van hun gedekte deposito's. In uitzonderlijke omstandigheden en indien de bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven, kunnen depositogarantiestelsels hogere bijdragen verlangen.
De bevoegde autoriteit kan een betaling door een kredietinstelling van buitengewone achteraf te betalen bijdragen aan het depositogarantiestelsel geheel of gedeeltelijk opschorten als de bijdragen de liquiditeit of de solvabiliteit van de kredietinstelling zouden bedreigen.
Een zodanige opschorting wordt niet verleend voor een periode langer dan zes maanden, maar kan op verzoek van de kredietinstelling worden verlengd.
De uit hoofde van dit lid opgeschorte bijdragen worden betaald op het moment dat de betaling niet langer de liquiditeit of solvabiliteit van de kredietinstelling bedreigt.
9.
De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels over een adequaat alternatief financieringsplan beschikken op basis waarvan zij kortetermijnfinanciering kunnen verkrijgen waarmee vorderingen jegens die depositogarantiestelsels kunnen worden gehonoreerd. Alternatieve financieringsregelingen die met overheidsmiddelen worden gefinancierd, mogen alleen worden gebruikt voor de terugbetaling uit hoofde van artikel 8, lid 1, en voor de in artikel 11, lid 2, bedoelde maatregelen als laatste redmiddel, en worden verstrekt in de vorm van leningen of garanties. Alternatieve financieringsregelingen die met openbare bronnen worden gefinancierd, mogen alleen worden aangeboden op voorwaarde dat het depositogarantiestelsel zich er juridisch toe verbindt met overheidsmiddelen gefinancierde of gegarandeerde alternatieve financieringsregelingen en de overeengekomen rente en vergoedingen binnen zes jaar terug te betalen.
In buitengewone omstandigheden, kan, indien de bevoegde autoriteit in het licht van uitbetalingen en terugvorderingen tijdens de terugbetalingstermijn oordeelt dat de terugbetaling de financieringscapaciteit van de resterende deelnemende instellingen te zwaar zou kunnen belasten, de terugbetalingstermijn eenmaal met maximaal drie jaar worden verlengd.
10.
Vervallen.
11.
In het kader van de in artikel 11, leden 1, 2, 3 en 5, bedoelde maatregelen kunnen de lidstaten depositogarantiestelsels toestaan om gebruik te maken van de middelen die afkomstig zijn van de in artikel 10, lid 9, bedoelde alternatieve financieringsregelingen die niet met overheidsmiddelen worden gefinancierd of gegarandeerd, alvorens gebruik te maken van de beschikbare financiële middelen en voordat de in artikel 10, lid 8, bedoelde buitengewone bijdragen worden geïnd.
12.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:
- a)
de methode voor het berekenen van beschikbare financiële middelen die in aanmerking worden genomen voor het in lid 2 bedoelde streefbedrag, met inbegrip van de afbakening van de beschikbare financiële middelen van depositogarantiestelsels en de categorieën beschikbare financiële middelen die voortvloeien uit ingebrachte middelen;
- b)
de details van het proces om het in lid 2 bedoelde streefbedrag te bereiken nadat een depositogarantiestelsel de beschikbare financiële middelen heeft gebruikt overeenkomstig artikel 11, of wanneer het bedrag van de gedekte deposito's is verhoogd.
De EBA dient de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 11 mei 2028 in bij de Commissie.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
13.
Uiterlijk op 11 mei 2028 ontwikkelt de EBA richtsnoeren om depositogarantiestelsels te helpen bij de diversificatie van hun beschikbare financiële middelen en het beleggen in activa met een laag risico, die van toepassing zijn op de beschikbare financiële middelen van depositogarantiestelsels.