Einde inhoudsopgave
Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen en inzake de voorkoming en beheersing van oppervlaktewaterverontreiniging, tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad
Artikel 8 bis Specifieke bepalingen voor bepaalde stoffen
Geldend
Geldend vanaf 10-05-2026
- Bronpublicatie:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/805 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/805)
- Inwerkingtreding
10-05-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/805 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/805)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Bijzondere onderwerpen
1.
De lidstaten kunnen in de overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2000/60/EG opgestelde stroomgebiedbeheerplannen, onverminderd de voorschriften van afdeling 1.4.3 van bijlage V bij die richtlijn betreffende de weergave van de algemene chemische toestand en de doelstellingen en verplichtingen vastgelegd in artikel 4, lid 1, onder a), artikel 11, lid 3, onder k), en artikel 16, lid 6, van die richtlijn aanvullende kaarten opnemen met informatie over de chemische toestand als bepaald in afdeling 1.4.3. van bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG.
2.
De lidstaten kunnen de stoffen die in deel A van bijlage I bij deze richtlijn zijn aangemerkt als stoffen die zich gedragen als alomtegenwoordige persistente bioaccumulerende en toxische stoffen (uPBT’s) minder intensief monitoren dan vereist voor prioritaire stoffen overeenkomstig artikel 3, lid 4, van deze richtlijn en bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG, op voorwaarde dat de monitoring representatief is en reeds een statistisch robuust referentieniveau beschikbaar is met betrekking tot de aanwezigheid van die stoffen in het aquatisch milieu. Als richtsnoer geldt dat de monitoring overeenkomstig de tweede alinea van artikel 3, lid 6, van deze richtlijn, minstens elke drie jaar wordt uitgevoerd, tenzij het gebruik of de emissie van die stoffen, of technische kennis en het oordeel van deskundigen een ander interval rechtvaardigen.
3.
Gedurende een periode van twee jaar vanaf 1 januari 2030 monitoren de lidstaten de aanwezigheid van oestrogene stoffen in waterlichamen aan de hand van op effect gebaseerde monitoringmethoden. De bemonstering en de analyse hoeven niet aan het begin van die periode van twee jaar te beginnen, maar worden ten minste viermaal per jaar uitgevoerd. De lidstaten voeren de monitoring uit bij een selectie van locaties waar de drie in deel A van bijlage I bij deze richtlijn vermelde oestrogene hormonen 17ß-oestradiol (E2), oestron (E1) en 17α-ethinylestradiol (EE2) worden gemonitord met behulp van conventionele analysemethoden overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG en bijlage V bij die richtlijn om vergelijkende resultaten te verkrijgen bij een reeks concentraties. De gegevens worden samen gerapporteerd overeenkomstig artikel 8, lid 4, van die richtlijn. Het aantal locaties mag niet kleiner zijn dan het in artikel 8 ter, lid 3, van deze richtlijn gespecificeerde aantal voor het monitoren van stoffen op de aandachtstoffenlijst. De lidstaten mogen vóór 1 januari 2030 met de monitoring beginnen zolang de in lid 4 van dit artikel bedoelde technische specificaties zijn vastgesteld. De lidstaten gebruiken de op effect gebaseerde resultaten van de vergelijkende monitoringperiode van twee jaar niet voor de indeling van de chemische toestand van de gemonitorde waterlichamen zoals beschreven in afdeling 1.4.3 van bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG.
4.
Uiterlijk op 1 december 2027 stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast tot vaststelling van de technische specificaties voor de monitoring van oestrogene stoffen met behulp van op effect gebaseerde monitoringmethoden. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 9, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
5.
Binnen 18 maanden nadat de lidstaten de gegevens hebben gerapporteerd, publiceert de Commissie een verslag waarin de resultaten van de conventionele analytische en de op effect gebaseerde monitoringmethoden worden vergeleken en analyseert zij de mogelijkheid om op effect gebaseerde monitoringmethoden te gebruiken in combinatie met een op effect gebaseerde triggerwaarde voor oestrogenen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 35 bis, van Richtlijn 2000/60/EG voor screening ter ondersteuning van de beoordeling van de chemische toestand.
In het kader van toekomstige herzieningen van de lijst van verontreinigende stoffen overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG overweegt de Commissie, rekening houdend met de analyse in het in de eerste alinea van dit lid bedoelde verslag, de vaststelling van een triggerwaarde voor oestrogenen voor screeningdoeleinden en voor de beoordeling van de chemische toestand. Zodra de op effect gebaseerde methoden klaar zijn om ook voor andere stoffen te worden gebruikt, overweegt de Commissie om in het kader van toekomstige herzieningen de lidstaten te verzoeken deze, indien nodig, ten minste in eerste instantie parallel met conventionele analysemethoden te gebruiken, en overweegt zij overeenkomstige triggerwaarden vast te stellen.