Einde inhoudsopgave
Richtlijn 2000/60/EG vaststelling kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid
Artikel 4 Milieudoelstellingen
Geldend
Geldend vanaf 10-05-2026
- Bronpublicatie:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/805 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/805)
- Inwerkingtreding
10-05-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/805 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/805)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Bijzondere onderwerpen
1.
Bij de tenuitvoerlegging van het in het stroomgebiedsbeheerplan omschreven maatregelenprogramma:
- a)
voor oppervlaktewateren
- i)
leggen de lidstaten de nodige maatregelen ten uitvoer ter voorkoming van achteruitgang van de toestand van alle oppervlaktewaterlichamen, onder voorbehoud van de toepassing van de leden 6 tot en met 7 ter en onverminderd lid 8;
- ii)
beschermen, verbeteren en herstellen de lidstaten alle oppervlaktewaterlichamen, onder voorbehoud van de toepassing van punt iii) van dit lid op kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen, met de bedoeling uiterlijk 15 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn een goede toestand van het oppervlaktewater overeenkomstig de bepalingen van bijlage V te bereiken, onder voorbehoud van verlengingen in overeenstemming met lid 4 en de toepassing van de leden 5 tot en met 7 ter en onverminderd lid 8;
- iii)
beschermen en verbeteren de lidstaten alle kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen, met de bedoeling uiterlijk 15 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn een goed ecologisch potentieel en een goede chemische toestand van het oppervlaktewater overeenkomstig de bepalingen van bijlage V te bereiken, onder voorbehoud van verlengingen in overeenstemming met lid 4 en de toepassing van de leden 5 tot en met 7 ter en onverminderd lid 8;
- iv)
leggen de lidstaten overeenkomstig artikel 16, leden 1 en 8, de nodige maatregelen ten uitvoer, met de bedoeling de verontreiniging door prioritaire stoffen geleidelijk te verminderen en emissies, lozingen en verliezen van stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen,
onverminderd de voor de betrokken partijen relevante internationale overeenkomsten van artikel 1;
- b)
voor grondwater
- i)
leggen de lidstaten de nodige maatregelen ten uitvoer met de bedoeling de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater te voorkomen of te beperken en de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen te voorkomen, onder voorbehoud van de toepassing van de leden 6 tot en met 7 ter van dit artikel en onverminderd lid 8 daarvan, en onder voorbehoud van de toepassing van artikel 11, lid 3, onder j);
- ii)
beschermen, verbeteren en herstellen de lidstaten alle grondwaterlichamen en zorgen zij voor een evenwicht tussen onttrekking en aanvulling van grondwater, met de bedoeling uiterlijk 15 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn een goede grondwatertoestand overeenkomstig de bepalingen van bijlage V te bereiken, onder voorbehoud van verlengingen overeenkomstig lid 4 van dit artikel en de toepassing van de leden 5 tot en met 7 ter daarvan en onverminderd lid 8 van dit artikel, en onder voorbehoud van de toepassing van artikel 11, lid 3, onder j);
- iii)
leggen de lidstaten de nodige maatregelen ten uitvoer om elke significante en aanhoudende stijgende tendens van de concentratie van een verontreinigende stof ten gevolge van menselijke activiteiten om te buigen, teneinde de grondwaterverontreiniging geleidelijk te verminderen.
‘Maatregelen gericht op de ombuiging van de stijgende tendens worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig artikel 17, lid 2, van deze richtlijn en artikel 5 van en bijlage IV bij Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad (1), onder voorbehoud van de toepassing van de leden 6 tot en met 7 ter van dit artikel en onverminderd lid 8 daarvan.
- c)
voor beschermde gebieden
uiterlijk 15 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn voldoen de lidstaten aan alle normen en doelstellingen, voorzover niet anders bepaald in de communautaire wetgeving waaronder het betrokken beschermde gebied is ingesteld.
Voor Mayotte als ultraperifeer gebied in de zin van artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna ‘Mayotte’) is de onder a), punt ii), onder a), punt iii), onder b), punt ii) en onder c) bedoelde termijn vastgesteld op 22 december 2021.
2.
Wanneer meer dan een van de doelstellingen van lid 1 betrekking heeft op een bepaald waterlichaam, is de strengste van toepassing.
3.
Lidstaten mogen oppervlaktewaterlichamen als kunstmatig of sterk veranderd aanmerken, indien:
- a)
de voor het bereiken van een goede ecologische toestand noodzakelijke wijzigingen van de hydromorfologische kenmerken van die lichamen significante negatieve effecten zouden hebben op:
- i)
het milieu in bredere zin;
- ii)
scheepvaart, met inbegrip van havenfaciliteiten, of recreatie;
- iii)
activiteiten waarvoor water wordt opgeslagen, zoals drinkwatervoorziening, energieopwekking of irrigatie;
- iv)
waterhuishouding, bescherming tegen overstromingen, afwatering, of
- v)
andere even belangrijke duurzame activiteiten voor menselijke ontwikkeling;
- b)
het nuttige doel dat met de kunstmatige of veranderde aard van het waterlichaam gediend wordt, om redenen van technische haalbaarheid of onevenredig hoge kosten redelijkerwijs niet kan worden bereikt met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstiger middelen.
Het aanmerken van een waterlichaam als kunstmatig of sterk veranderd en de redenen daarvoor worden uitdrukkelijk vermeld in de krachtens artikel 13 verplichte stroomgebiedsbeheersplannen en worden om de zes jaar herzien.
4.
De in lid 1 gestelde termijnen kunnen met het oog op het gefaseerde bereiken van de doelstellingen voor waterlichamen worden verlengd, mits de toestand van het aangetaste waterlichaam niet verder verslechtert, wanneer aan alle navolgende voorwaarden wordt voldaan:
- a)
De lidstaten stellen vast dat alle noodzakelijke verbeteringen in de toestand van de waterlichamen redelijkerwijs niet binnen de in lid 1 bepaalde termijnen kunnen worden bereikt om ten minste één van de volgende redenen:
- i)
de vereiste verbeteringen zijn technisch slechts haalbaar in perioden die de gestelde termijn overschrijden;
- ii)
de verwezenlijking van de verbeteringen binnen de termijn zou onevenredig kostbaar zijn;
- iii)
de natuurlijke omstandigheden beletten een tijdige verbetering van de toestand van het waterlichaam;
- b)
de verlenging van de termijn en de redenen daarvoor worden in het krachtens artikel 13 verplichte stroomgebiedsbeheersplan specifiek vermeld en toegelicht;
- c)
verlengingen worden beperkt tot maximaal twee bijwerkingen van het stroomgebiedsbeheersplan, behalve wanneer de natuurlijke omstandigheden van dien aard zijn dat de doelstellingen niet binnen die termijn kunnen worden bereikt;
- d)
in het stroomgebiedsbeheersplan wordt een overzicht gegeven van de ingevolge artikel 11 vereiste maatregelen die noodzakelijk worden geacht om de waterlichamen vóór het verstrijken van de verlengde termijn geleidelijk in de vereiste toestand te brengen, de redenen voor significante vertraging bij de operationalisering van deze maatregelen, alsmede het vermoedelijke tijdschema voor de uitvoering ervan. In de bijwerkingen van het stroomgebiedsbeheersplan wordt een evaluatie van de uitvoering van die maatregelen opgenomen, alsmede een overzicht van eventuele extra maatregelen.
5.
De lidstaten mogen voor specifieke waterlichamen minder strenge milieudoelstellingen vaststellen dan in lid 1 worden voorgeschreven, wanneer die lichamen in een zodanige mate door menselijke activiteiten zijn aangetast zoals bepaald overeenkomstig artikel 5, lid 1, of hun natuurlijke gesteldheid van dien aard is dat het bereiken van die doelstellingen niet haalbaar of onevenredig kostbaar zou zijn, en aan alle navolgende voorwaarden wordt voldaan:
- a)
Aan de ecologische en sociaal-economische behoeften die door zulke menselijke activiteiten worden gediend, kan niet worden voldaan met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen die geen onevenredig hoge kosten met zich brengen;
- b)
de lidstaten dragen er zorg voor dat
- —
voor oppervlaktewateren de best mogelijke ecologische en chemische toestand wordt bereikt die haalbaar is, gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;
- —
voor grondwateren zo gering mogelijke veranderingen in de goede grondwatertoestand optreden, gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;
- c)
er treedt geen verdere achteruitgang op in de toestand van het aangetaste waterlichaam;
- d)
de vaststelling van minder strenge milieudoelstellingen en de redenen daarvoor worden in het krachtens artikel 13 verplichte stroomgebiedsbeheersplan specifiek vermeld, en die doelstellingen worden om de zes jaar getoetst.
6.
Een tijdelijke achteruitgang van de toestand van waterlichamen is niet strijdig met de voorschriften van deze richtlijn, indien deze het resultaat is van omstandigheden die zich door een natuurlijke oorzaak of overmacht voordoen en die uitzonderlijk zijn of niet redelijkerwijze waren te voorzien, met name extreme overstromingen of lange droogteperioden, of het gevolg zijn van omstandigheden die zijn veroorzaakt door redelijkerwijs niet te voorziene ongevallen, op voorwaarde dat aan alle navolgende voorwaarden is voldaan:
- a)
Alle haalbare stappen worden ondernomen om verdere achteruitgang van de toestand te voorkomen teneinde het bereiken van de doelstellingen van deze richtlijn voor andere, niet door die omstandigheden getroffen waterlichamen niet in het gedrang te brengen;
- b)
de voorwaarden waaronder uitzonderlijke of redelijkerwijs niet te voorziene omstandigheden mogen worden aangevoerd, met inbegrip van de vaststelling van passende indicatoren, worden in het stroomgebiedsbeheersplan vermeld;
- c)
de maatregelen die in dergelijke uitzonderlijke omstandigheden moeten worden genomen, worden opgenomen in het maatregelenprogramma en mogen het herstel van de kwaliteit van het waterlichaam niet in de weg staan wanneer die omstandigheden niet meer bestaan;
- d)
de gevolgen van uitzonderlijke of redelijkerwijs niet te voorziene omstandigheden worden jaarlijks geëvalueerd, en onder voorbehoud van de redenen zoals uiteengezet in lid 4, onder a), worden alle haalbare maatregelen genomen om het waterlichaam zo snel als redelijkerwijs haalbaar is te herstellen in de toestand waarin het zich bevond voordat de effecten van die omstandigheden intraden, en
- e)
in de volgende bijwerking van het stroomgebiedsbeheersplan wordt een overzicht gegeven van de effecten van de omstandigheden en van de maatregelen die overeenkomstig de punten a) en d) zijn of zullen worden genomen.
7.
De lidstaten maken geen inbreuk op de richtlijn, wanneer:
- —
het niet bereiken van een goede grondwatertoestand, een goede ecologische toestand, of in voorkomend geval een goed ecologisch potentieel, of het niet voorkomen van achteruitgang van de toestand van een oppervlakte of grondwaterlichaam het gevolg is van nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen, of wanneer
- —
het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling,
en aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
alle haalbare stappen worden ondernomen om de negatieve effecten op de toestand van het waterlichaam tegen te gaan;
- b)
de redenen voor die veranderingen of wijzigingen worden specifiek vermeld en toegelicht in het krachtens artikel 13 verplichte stroomgebiedsbeheersplan en de doelstellingen worden om de zes jaar getoetst;
- c)
de redenen voor die veranderingen of wijzigingen zijn van hoger openbaar belang en/of het nut van het bereiken van de in lid 1 vermelde doelstellingen voor milieu en samenleving wordt overtroffen door het nut van de nieuwe veranderingen en wijzigingen voor de gezondheid van de mens, de handhaving van de veiligheid van de mens of duurzame ontwikkeling, en
- d)
het nuttige doel dat met die veranderingen of wijzigingen van het waterlichaam wordt gediend, kan vanwege technische haalbaarheid of onevenredig hoge kosten niet worden bereikt met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen.
7 bis.
De lidstaten maken geen inbreuk op deze richtlijn wanneer negatieve kortetermijneffecten op een of meer kwaliteitselementen van een waterlichaam die worden veroorzaakt door een nieuw project of een wijziging van een bestaand project in dat waterlichaam, na één jaar of, voor biologische kwaliteitselementen, na maximaal drie jaar na de start van de uitvoering van het project niet meer kunnen worden vastgesteld en aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
het negatieve effect is niet het gevolg van directe lozingen, emissies of verliezen van een verontreinigende stof;
- b)
de mogelijkheid dat het negatieve effect zich voordoet, wordt vooraf op betrouwbare wijze beoordeeld door een bevoegde autoriteit, en er wordt geconcludeerd dat er na één jaar of, voor biologische kwaliteitselementen, na maximaal drie jaar geen negatieve effecten zouden zijn voor het betrokken waterlichaam of daarmee verbonden waterlichamen;
- c)
er wordt een verificatie achteraf uitgevoerd;
- d)
alle haalbare maatregelen worden genomen om negatieve effecten voor het waterlichaam en daarmee verbonden waterlichamen te beperken, en
- e)
een samenvatting van de belangrijkste activiteiten die overeenkomstig dit lid zijn uitgevoerd, de relevante resultaten van de verificatie achteraf en de maatregelen die zijn genomen om de negatieve effecten te beperken, worden opgenomen in het uit hoofde van artikel 13 verplichte stroomgebiedbeheerplan.
Voor de uitvoering van de verificatie achteraf uit hoofde van punt c) van de eerste alinea kan gebruik worden gemaakt van bestaande monitoringregelingen, ingesteld op grond van bijlage V, die, indien nodig, aangevuld worden met aanvullende ad-hocmonitoring.
7 ter.
De lidstaten maken geen inbreuk op deze richtlijn wanneer de toestand van een ontvangend oppervlaktewaterlichaam achteruitgaat als gevolg van een verplaatsing, door menselijke activiteit, van water of sediment van hetzelfde of van een ander oppervlaktewaterlichaam, of van een grondwaterlichaam naar het ontvangend oppervlaktewaterlichaam, zonder dat dit leidt tot een netto toename van de verontreinigingsbelasting, en aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
alle haalbare maatregelen, in het bijzonder de behandeling van het water of sediment, indien uitvoerbaar, worden genomen om de overbrenging van verontreinigingsbelasting tot een minimum te beperken, om de negatieve effecten voor de toestand van de waterlichamen die door de verplaatsing worden getroffen, te beperken;
- b)
de samenstelling van het te verplaatsen water of de te verplaatsen sedimenten is vastgesteld en de verplaatsing verhoogt het totale risico voor de menselijke gezondheid en het milieu niet ten opzichte van het bestaande risico vóór de verplaatsing;
- c)
er wordt bevestigd dat het ontvangende oppervlaktewaterlichaam niet in een goede chemische toestand verkeert met betrekking tot de meeste verplaatste verontreinigende stoffen, en in het bijzonder met betrekking tot de meest persistente en bioaccumulerende verplaatste verontreinigende stoffen, en er wordt niet verwacht dat de ecologische toestand of het ecologisch potentieel van het ontvangende waterlichaam in een lagere klasse zal terechtkomen als gevolg van de verplaatsing van die verontreinigende stoffen;
- d)
de verplaatsing mag niet leiden tot een toename in de voor de productie van drinkwater vereiste zuivering;
- e)
binnen het ontvangende waterlichaam is rond elk onttrekkingspunt van voor menselijke consumptie bestemd water, een gebied vastgesteld waar verplaatsing verboden is;
- f)
er zijn geen significant betere milieuopties, om redenen van technische haalbaarheid of onevenredig hoge kosten;
- g)
de verplaatsing is onderworpen aan voorafgaande regulering of vergunning, en
- h)
een samenvatting, met inbegrip van informatie met betrekking tot de punten a) tot en met g) van dit lid en de redenen voor de verplaatsing, wordt opgenomen in het uit hoofde van artikel 13 verplichte stroomgebiedbeheerplan.
8.
Bij de toepassing van de leden 3 tot en met 7 ter zorgen de lidstaten ervoor dat het bereiken van de doelstellingen van deze richtlijn in andere waterlichamen in hetzelfde stroomgebiedsdistrict niet blijvend wordt verhinderd of in gevaar wordt gebracht en dat de toepassing van die bepalingen verenigbaar is met andere milieuvoorschriften in de Uniewetgeving.
9.
De lidstaten nemen stappen om ervoor te zorgen dat de toepassing van de nieuwe bepalingen, met inbegrip van de toepassing van de leden 3 tot en met 7 ter, ten minste hetzelfde beschermingsniveau waarborgt als de bestaande Uniewetgeving.
Voetnoten
Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake de voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging (PB L 372 van 27.12.2006, blz. 19, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2006/118/oj).;’