Einde inhoudsopgave
Richtlijn 2014/59/EU betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen
Artikel 103 Vooraf te betalen bijdragen
Geldend
Geldend vanaf 10-05-2026
- Bronpublicatie:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/806 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/806)
- Inwerkingtreding
10-05-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/806 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/806)
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
1.
Om het in artikel 102 vermelde streefbedrag te halen, dragen de lidstaten er zorg voor dat ten minste jaarlijks bijdragen worden geïnd van de instellingen, met inbegrip van EU-bijkantoren, waaraan op hun grondgebied vergunning is verleend.
2.
De bijdrage van elke instelling is gelijk aan het verhoudingsgetal tussen, enerzijds, het bedrag van haar passiva (exclusief eigen vermogen) minus gedekte deposito's, en, anderzijds, het totaalbedrag van de passiva (exclusief eigen vermogen) minus gedekte deposito's van alle instellingen waaraan op het grondgebied van de lidstaat vergunning is verleend.
Die bijdragen worden op basis van de overeenkomstig lid 7 van dit artikel vastgestelde criteria aan het risicoprofiel van de instellingen aangepast.
3.
De in aanmerking te nemen beschikbare financiële middelen om het in artikel 102 vermelde streefbedrag te bereiken, kunnen ook onherroepelijke betalingstoezeggingen omvatten die volledig zijn gedekt door zekerheden of activa met een laag risico die niet met rechten van derden zijn bezwaard, waarover vrij kan worden beschikt en waarvan uitsluitend gebruik kan worden gemaakt door de afwikkelingsautoriteiten voor de in artikel 101, lid 1, genoemde doeleinden. Het aandeel van onherroepelijke betalingstoezeggingen is niet hoger dan 30 % van het totaalbedrag dat overeenkomstig dit artikel wordt geïnd. Binnen dat maximum bepaalt de afwikkelingsautoriteit jaarlijks het aandeel van de onherroepelijke betalingstoezeggingen in het totale bedrag van de overeenkomstig dit artikel te heffen bijdragen.
3 bis.
De afwikkelingsautoriteit vraagt de op grond van lid 3 van dit artikel gedane onherroepelijke betalingstoezeggingen op indien het gebruik van de afwikkelingsfinancieringsregelingen op grond van artikel 101 nodig is.
Indien een entiteit niet langer onder artikel 1 valt, zorgen de lidstaten ervoor dat de afwikkelingsautoriteit de op grond van lid 3 van dit artikel gedane onherroepelijke betalingstoezeggingen annuleert en de zekerheid ter dekking van die toezeggingen wordt teruggegeven.
Gezien de noodzaak om een toereikend niveau van beschikbare financiële middelen in de afwikkelingsfinancieringsregelingen in stand te houden of te herstellen, zorgen de lidstaten ervoor dat de afwikkelingsautoriteiten in de in de tweede alinea bedoelde gevallen bevoegd zijn om, bij annulering van de onherroepelijke betalingstoezeggingen, een bedrag vast te stellen dat de in de tweede alinea bedoelde entiteit aan de afwikkelingsfinancieringsregeling bijdraagt in de vorm, op de voorwaarden en binnen de tijdspanne die door de afwikkelingsautoriteit in zijn besluit zijn vastgelegd.
De in de derde alinea bedoelde bijdrage is niet hoger dan het bedrag van de onherroepelijke betalingstoezeggingen die op grond van de tweede alinea zijn geannuleerd.
4.
De lidstaten dragen er zorg voor dat de verplichting tot betaling van de in dit artikel bedoelde bijdragen in rechte afdwingbaar is en dat verschuldigde bijdragen volledig worden betaald.
De lidstaten leggen passende regelgevings-, boekhoud-, rapportage- en andere verplichtingen op om te waarborgen dat verschuldigde bijdragen volledig worden betaald. De lidstaten nemen ook maatregelen om te waarborgen dat naar behoren wordt geverifieerd of de bijdragen correct zijn betaald. De lidstaten nemen maatregelen om fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.
5.
De overeenkomstig dit artikel geïnde bedragen worden alleen aangewend voor de in artikel 101, lid 1, beschreven doeleinden.
6.
Behoudens het bepaalde in de artikelen 37, 38, 40, 41 en 42, kunnen de van de instelling in afwikkeling of de overbruggingsinstelling ontvangen bedragen, de rente en andere beleggingsopbrengsten, alsook alle andere opbrengsten toekomen aan de financieringsregelingen.
7.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 115 gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op de nadere omschrijving van het in lid 2 van dit artikel bedoelde begrip ‘aanpassen van de bijdragen aan de financieringsregelingen aan het risicoprofiel van de instellingen’, rekening houdend met al hetgeen volgt:
- a)
de risicoblootstelling van de instelling, waaronder het belang van haar handelsactiviteiten, haar risicoposities buiten de balanstelling en de omvang van de hefboomfinanciering;
- b)
de stabiliteit en diversiteit van de financieringsbronnen en de onbezwaarde zeer liquide activa van de holding;
- c)
de financiële toestand van de instelling;
- d)
de waarschijnlijkheid dat tot afwikkeling van de instelling wordt overgegaan;
- e)
de mate waarin de instelling eerder van buitengewone financiële overheidssteun heeft geprofiteerd;
- f)
de complexiteit van de structuur van de instelling en de afwikkelbaarheid daarvan;
- g)
het belang van de instelling voor de stabiliteit van het financiële stelsel of de economie van een of meer lidstaten of van de Unie;
- h)
het feit dat de instelling deel uitmaakt van een IPS.
8.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 115 gedelegeerde handelingen vast te stellen om het volgende te specificeren:
- a)
de registratie-, boekhoud- en rapportageverplichtingen en andere in lid 4 bedoelde verplichtingen om te waarborgen dat de bijdragen daadwerkelijk worden betaald;
- b)
de in lid 4 bedoelde maatregelen om te waarborgen dat naar behoren wordt geverifieerd of de bijdragen correct zijn betaald.