Einde inhoudsopgave
Voorstel van wet tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Wetboek van Strafvordering)
Artikel 4.3.17
Geldend
Geldend vanaf 01-04-2025
- Redactionele toelichting
Tekst op basis van wetsvoorstel.
- Bronpublicatie:
01-04-2025, Kamerstukken 2025, 36327 (uitgifte: 01-04-2025, kamerstukken: 36327-C)
- Inwerkingtreding
01-04-2025
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
01-04-2025, Kamerstukken 2025, 36327 (uitgifte: 01-04-2025, kamerstukken: 36327-C)
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
1.
In het geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel 2.7.4, eerste lid, inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen bevel tot teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet.
2.
De rechtbank beveelt, onverminderd artikel 4.3.4, eerste lid:
- a.
de teruggave van het voorwerp aan degene bij wie het is inbeslaggenomen;
- b.
de teruggave van het voorwerp aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt; of
- c.
indien geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende.
3.
Op dit bevel is artikel 2.7.29 van toepassing.
4.
De rechtbank kan de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen onder zekerheidstelling bevelen. Artikel 2.7.30 is van overeenkomstige toepassing.
5.
Artikel 2.7.24, tweede lid, is van toepassing.