HR, 29-04-1998, nr. 32 534
ECLI:NL:HR:1998:ZC7050
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-04-1998
- Zaaknummer
32 534
- LJN
ZC7050
- Vakgebied(en)
Belastingen van lagere overheden (V)
Milieubelastingen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1998:ZC7050, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑04‑1998; (Cassatie)
- Wetingang
- Vindplaatsen
BNB 1998/235 met annotatie van W.J.N.M. SNOIJINK
FED 1998/593 met annotatie van Y. POSTEMA-VAN DER KOOGH
WFR 1998/737
V-N 1998/25.28 met annotatie van Redactie
Uitspraak 29‑04‑1998
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting. Kosten begrepen in naheffingsaanslag
Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
Nr. 32.534
29 april 1998
PdM
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 juni 1996 betreffende na te melden aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Amsterdam.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is terzake van het parkeren op 27 oktober 1993 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Amsterdam opgelegd ten bedrage van f 62,50, bestaande uit f 4,-- aan enkelvoudige belasting en f 58,50 aan kosten terzake van het opleggen van die aanslag. Bij uitspraak van de Directeur van de dienst Parkeerbeheer van de gemeente Amsterdam is belanghebbende in zijn bezwaar tegen die aanslag niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Directeur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak vernietigd, belanghebbende ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar en de naheffingsaanslag gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Directeur Gemeentebelastingen van de gemeente Amsterdam (hierna: de Directeur) heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het geschil voor het Hof betrof, voorzover in cassatie van belang, de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslag, die de Gemeente overeenkomstig artikel 11 van de Verordening parkeerbelastingen 1991 van de gemeente (hierna: de Verordening) op ƒ 58,50 heeft gesteld. Belanghebbende herhaalt in cassatie zijn door het Hof verworpen betoog dat de raming die aan de Verordening en de aanslag ten grondslag ligt, ondeugdelijk is.
3.2. Het Hof heeft in cassatie niet bestreden overwogen dat bedoelde raming geen andere kosten (bedoeld is: kostencategorieën) noemt dan die welke ingevolge artikel 2, lid 1, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (tekst 1993) in aanmerking mogen worden genomen. Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet zijn stelling aannemelijk gemaakt dat de Gemeente andere kosten dan opgesomd in voornoemd artikellid in de raming heeft opgenomen onder de noemer van een wel opgesomde kostencategorie.
3.3. Laatstgenoemde stelling komt neer op een betwisting door belanghebbende van de stelling van de Gemeente dat deze uitsluitend de in de raming genoemde, wettelijk toegestane kosten in de raming heeft opgenomen. 's Hofs oordeel houdt in dat het die stelling van de Gemeente aannemelijk heeft geacht en daartegenover de betwisting daarvan door belanghebbende als onaannemelijk heeft verworpen. Aldus opgevat geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent de verdeling van de bewijslast. Voor het overige berust dit oordeel, dat toereikend is gemotiveerd, op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen en kan het in cassatie niet met vrucht worden bestreden. De hiertegen gerichte klachten falen derhalve.
3.4. Nu voorts, naar het Hof in cassatie niet bestreden heeft overwogen, het bedrag van de geraamde kosten niet uitgaat boven het bedrag vermeld in artikel 3 van voornoemd besluit en de geraamde kosten achteraf blijken te zijn overtroffen door de werkelijke kosten, heeft het Hof terecht geoordeeld dat er geen reden is de Verordening op dit punt onverbindend te verklaren. De overige klachten, die van een andere opvatting uitgaan, moeten eveneens worden verworpen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van één van beide partijen in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 29 april 1998 vastgesteld door de raadsheer Wildeboer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.