De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/11:11
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/11
11
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:BSD46372:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
W. Snijders 1999 II, p. 587.
Zie bijvoorbeeld HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7199, NJ 2014/272 (Eringa q.q./ABN AMRO), waarin werd beslist dat de omzetting van een stil pandrecht op roerende zaken in een vuistpand door het in de macht van de pandhouder brengen van de verpande zaken een feitelijke handeling is die buiten het bereik van art. 42 FW valt.
In par. 2.5. bespreek ik een aantal rechtsfiguren waarvan de kwalificatie als eenzijdige rechtshandeling wordt betwijfeld.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De scheidslijn tussen rechtshandeling en feitelijke handeling met rechtsgevolg is niet altijd eenvoudig te trekken.1 Het belang van het onderscheid ligt in de toepasselijkheid van de regels die gelden voor rechtshandelingen. Een feitelijke handeling kan bijvoorbeeld niet worden vernietigd op grond van een wilsgebrek of met een beroep op de actio pauliana.2 Een handelingsonbekwame kan geen (onaantastbare) rechtshandeling verrichten, maar is wel gebonden aan de uit een feitelijke handeling voortvloeiende rechtsgevolgen.
Het onderscheidende criterium dat een rechtshandeling moet worden verricht met het oogmerk om het rechtsgevolg tot stand te brengen, is betrekkelijk, zo bleek in de vorige paragraaf. De verklaring die art. 3:33 BW vereist, is vormvrij en de op rechtsgevolg gerichte wil kan blijken uit houding, handelingen en soms zelfs uit een niet-doen.3 Een rechtshandeling kan er dus ook ‘feitelijk’ uitzien. De voor kwalificatie als rechtshandeling relevante vraag is of de rechtsorde hoe dan ook het rechtsgevolg vastknoopt aan het verrichten van de handeling en de wil van de handelende dus irrelevant is. Beantwoording van deze vraag wordt bemoeilijkt door de in nr. 10 aangehaalde nuancering van het belang van de wil bij rechtshandeling. Bij rechtshandelingen ontstaat rechtsgevolg door een samenspel van wil en wet. Daarnaast kan de wenselijkheid dat een bepaalde gedraging beheerst wordt door de regels voor rechtshandelingen reden zijn voor kwalificatie als eenzijdige rechtshandeling.4
Dit nalaten, zonder het oogmerk tot bekrachtiging, voldoet mijns inziens niet aan de eisen van art. 3:33 BW en is mijns inziens dus geen rechtshandeling.