Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/8.2
8.2 Voorbeelden
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS373228:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Daarnaast zijn voorbeelden van toestemmingsvereisten te vinden in bijzondere wetten, zoals de te verkrijgen toestemming voor het verwerken van persoonsgegevens op grond van art. 8 WBP. Bij verwerking van die gegevens zonder toestemming kan het CBP, het toezichthoudend orgaan, handhavend optreden door het opleggen van bestuursdwang of een last onder dwangsom.
Voor enkele bijzondere gemeenschappen, zoals de huwelijksgemeenschap, maatschap of rederij geldt een afwijkende regeling in art. 3:190 BW. Een deelgenoot kan niet zonder toestemming van zijn deelgenoten beschikken over zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk. Als hoofdregel geldt ex art. 3:191 BW dat de deelgenoot wel zonder toestemming over zijn aandeel in de hele gemeenschap kan beschikken. Uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten kan echter voortvloeien dat ook hiervoor toestemming verreist is.
Krzemiński 2013, p. 106.
341. De toestemming is een niet in de wet gedefinieerde figuur, die op verschillende plaatsen in het BW voorkomt. In vrijwel ieder boek van het BW zijn voorbeelden te vinden.1 Ik licht er hieronder een aantal uit, afkomstig uit het vermogensrecht, personen- en familierecht en het ondernemingsrecht.
Vermogensrecht
Uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten van een gemeenschap kan voortvloeien dat zij slechts met aller toestemming kunnen beschikken over hun aandeel in de gemeenschap, ex art. 3:175 lid 2 BW.2
Een vruchtgebruiker mag de bestemming van de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken niet wijzigen zonder toestemming van de hoofdgerechtigde, zo bepaalt art. 3:208 BW. Art. 5:89 lid 2 BW bevat een soortgelijke regeling voor erfpacht. De hoofdgerechtigde mag op zijn beurt op grond van art. 3:210 lid 1 jo. lid 3 BW slechts nakoming eisen van vorderingen die onderworpen zijn aan het vruchtgebruik of betaling daarvan innen, indien hij daarvoor toestemming heeft van de vruchtgebruiker.
Kosten die de pandhouder maakt ten behoeve van het verpande goed, anders dan tot behoud of tot onderhoud, kan hij volgens art 3:243 lid 2 BW slechts van de pandgever terugvorderen indien deze toestemming had gegeven om de kosten te maken.
Na mededeling van een stil pandrecht is de pandgever ingevolge art. 3:246 BW nog slechts bevoegd nakoming van de verpande vordering te vorderen en betaling daarvan te innen als hij toestemming van de pandhouder heeft verkregen.
Voor rangwisseling van hypotheekhouders moet uit de akte de toestemming van de hypotheekhouders blijken ten opzichte van wie een hogere rang wordt verkregen, zo bepaalt art. 3:262 BW.
In de hypotheekakte kunnen hypotheekhouder en hypotheekgever overeenkomen dat de hypotheekgever het verhypothekeerde goed niet zonder toestemming van de hypotheekgever mag verhuren of verpachten. Dit blijkt uit art. 3:264 BW. De hypotheekakte kan op grond van art. 3:265 BW ook een beding bevatten volgens welke de hypotheekgever de inrichting of de gedaante van het bezwaarde goed niet zonder toestemming van de hypotheekhouder mag veranderen.
Op grond van art. 3:242 BW mag een pandhouder het goed dat hij in pand heeft, niet herverpanden, tenzij deze bevoegdheid hem ondubbelzinnig is toegekend. De pandgever moet dus toestemming geven tot herverpanding.3
De akte van vestiging van een erfpachtrecht kan krachtens art. 5:91 BW bepalen dat de erfpacht niet zonder toestemming van de eigenaar kan worden overgedragen. De erfpachter is bovendien zonder toestemming van de grondeigenaar niet bevoegd tot een splitsing in appartementsrechten. Dezelfde bepalingen gelden uit hoofde van de schakelbepaling van art. 5:104 lid 2 BW ook voor het opstalrecht.
In het burenrecht is het niet toegestaan om zonder toestemming binnen twee meter van de erfscheiding bomen of heggen te hebben (art. 5:42 BW) of om vensters, balkons of andere muuropeningen te hebben (art. 5:50 BW).
De akte van splitsing van een onroerende zaak kan gewijzigd worden met medewerking van alle appartementseigenaren, zo bepaalt art. 5:139 BW. In een wijziging van de akte moet worden toegestemd door de beperkt gerechtigden op de appartementsrechten.
Een verbintenis is alternatief als de schuldenaar één van twee of meer verschillende prestaties moet verrichten, zo bepaalt art. 6:17 BW. De keuze uit de verschillende prestaties kan rusten bij de schuldenaar zelf, de schuldeiser of een derde. De omstandigheid dat één van de prestaties onmogelijk is geworden, doet aan de keuzebevoegdheid niet af. Art. 6:20 lid 2 BW schrijft echter voor dat als de keuze aan de schuldenaar is, deze niet de onmogelijke prestatie mag kiezen, tenzij de onmogelijkheid het gevolg is van een aan de schuldeiser toe te rekenen oorzaak, of hij met de keuze instemt.
Een schuldenaar is slechts met toestemming van de schuldeiser bevoegd het verschuldigde in gedeelten te voldoen, zo schrijft art. 6:29 BW voor. Ook is op grond van art. 6:45 BW toestemming vereist voordat de schuldenaar zich van zijn verbintenis kan bevrijden door een andere prestatie te verrichten dan de verschuldigde.
Ingevolge art. 6:155 BW werkt een schuldoverneming pas ten opzichte van de schuldeiser, als hij zijn toestemming voor de overneming heeft gegeven. Bij voorbaat gegeven toestemming kan niet worden herroepen, tenzij de schuldeiser zich dat recht uitdrukkelijk heeft voorbehouden, zo bepaalt art. 6:156 lid 2 BW.
Een huurder of pachter mag krachtens art. 7:215 jo. 7:348 BW de inrichting of gedaante van het gehuurde of gepachte in beginsel niet veranderen zonder toestemming van de verhuurder respectievelijk verpachter. Anderzijds mag de verpachter geen verbeteringen aan het verpachte aanbrengen dan na schriftelijke toestemming van de pachter, zo blijkt uit art. 7:354 BW.
Voor een rechtshandeling waarbij lastgever en lasthebber elkaars wederpartij zijn, moet ex art. 7:416 BW de lastgever schriftelijk toestemming geven, indien hij een natuurlijke persoon is die niet handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Dit geldt op grond van art. 7:417 BW ook voor rechtshandelingen waarbij de lasthebber tevens lasthebber van de wederpartij is.
Een patiënt moet volgens art. 7:450 BW toestemming geven voor verrichtingen ter uitvoering van een geneeskundige behandelingsovereenkomst.
Een bewaarnemer mag op grond van art. 7:603 lid 1 jo. lid 2 BW een zaak slechts gebruiken of aan een derde in bewaring geven indien de bewaargever daarvoor toestemming heeft gegeven.
Op grond van art. 7:671a BW heeft de werkgever voorafgaande toestemming nodig van het UWV voor de opzegging van een arbeidsovereenkomst.
Een verzekeringnemer kan op grond van art. 7:972 BW zijn uit de overeenkomst voortvloeiende rechten slechts uitoefenen met schriftelijke toestemming van de begunstigde of van degene die een beperkt recht heeft op de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten.
De boekhouder van een rederij kan slechts met toestemming van de leden van de rederij overgaan tot een buitengewone herstelling van het schip of tot ontslag van een kapitein, krachtens art. 8:164 BW.
Een schip waaraan in nood hulp is verleend mag niet zonder toestemming van de hulpverlener worden verwijderd van de eerste haven of plaats waar zij na beëindiging van de hulpverlening zijn aangekomen, totdat voldoende zekerheid gesteld is voor betaling van het hulploon. Dit volgt uit art. 8:572 BW.
Familie- en erfrecht
Iemand die zonder toestemming de naam van een ander voert, handelt ten opzichte van hem onrechtmatig, wanneer hij de schijn wekt de ander te zijn of tot diens geslacht of gezin te behoren, zo bepaalt art. 1:8 BW.
Minderjarigen of onder curatele gestelden hebben op grond van art. 1:35 e.v. BW toestemming nodig van hun ouders, de curator of, in het geval van iemand die wegens een geestelijke stoornis onder curatele staat, de kantonrechter om een huwelijk aan te gaan.
Een echtgenoot heeft ingevolge art. 1:88 BW de toestemming van de andere echtgenoot nodig voor het verrichten van in dat artikel genoemde rechtshandelingen, zoals overeenkomsten aangaande de woning, het doen van bovenmatige, niet-gebruikelijke schenkingen en overeenkomsten waarbij de echtgenoot zich (anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf) borg stelt.
Huwelijkse voorwaarden kunnen blijkens art. 1:117 BW slechts worden gemaakt of gewijzigd met toestemming van degenen, wiens toestemming noodzakelijk was voor voltrekking van het huwelijk.
Voor erkenning van een kind heeft een man ex art. 1:204 BW de toestemming nodig van de moeder als het kind jonger is dan zestien. Als het kind ouder is dan twaalf jaar moet ook het kind toestemming geven voor de erkenning.
Een minderjarige heeft toestemming nodig van zijn wettelijk vertegenwoordiger om rechtsgeldig rechtshandelingen te kunnen verrichten (art. 1:234 BW). De onder curatele gestelde behoeft toestemming van zijn curator (art. 1:381 BW).
Een bewindvoerder vertegenwoordigt de onder bewind gestelde in en buiten rechte. Voor het verrichten van sommige rechtshandelingen behoeft hij krachtens art. 1:441 lid 2 BW echter de toestemming van de rechthebbende. Deze rechtshandelingen betreffen onder meer het beschikken over goederen, het doen van giften en het lenen van geld.
Een persoon die onder mentorschap staat, kan in beginsel niet zelf rechtshandelingen verrichten aangaande zijn verzorging, verpleging, behandeling of begeleiding, tenzij zijn mentor daar toestemming voor geeft, bepaalt art. 1:453 BW.
Ingevolge art. 4:17 BW kan een erflater in zijn testament bepalen dat de executeur voor de tegeldemaking van een goed de toestemming van de erfgenamen behoeft.
Een onder testamentair bewind gestelde heeft voor rechtshandelingen anders dan die dienende tot gewoon onderhoud van de goederen die hij in gebruik heeft en dan diegenen die geen uitstel kunnen lijden toestemming nodig van de bewindvoerder. Dit is bepaald in art. 4:167 BW. Uit art. 4:169 BW volgt echter dat de bewindvoerder deze handelingen ook slechts met toestemming van de rechthebbende mag uitvoeren.
Ondernemingsrecht
Een aantal besluiten van het bestuur van een vennootschap zijn ingevolge art. 2:63j BW onderworpen aan goedkeuring van de raad van commissarissen, zoals het aangaan of verbreken van een duurzame samenwerking, het doen van grote investeringen, een voorstel tot ontbinding van de rechtspersoon of het aanvragen van faillissement.
Art. 2:72 lid 2 sub c BW bepaalt dat voor omzetting van een rechtspersoon, niet zijnde een BV, in een NV, aan de akte van omzetting de schriftelijke toestemming moet worden gehecht van de eventuele leden van de rechtspersoon wiens aandelen niet worden volgestort door omzetting van de reserves.
Storting op een aandeel na oprichting van de vennootschap mag slechts in vreemd geld geschieden met toestemming van de vennootschap, bepaalt art. 2:191a lid 2 BW.
Gedurende het faillissement van de vennootschap kunnen de statuten alleen met toestemming van de curator gewijzigd worden, blijkens art. 2:237 BW.
Van een aantal van de bepalingen van art. 2:268 BW inzake de samenstelling en vorming van de raad van commissarissen, kan worden afgeweken in de statuten, mits met goedkeuring van de raad van commissarissen en toestemming van de ondernemingsraad, zo volgt uit lid 12.
Art. 2:403 lid 1 sub b BW vereist dat voor toepassing van het verlichte jaarrekeningregime, alle leden danwel aandeelhouders jaarlijks moeten instemmen met de afwijking van het reguliere regime.