HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007, 626, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.4.1, 3.4.2.
HR, 03-09-2013, nr. 12/02091
ECLI:NL:HR:2013:585
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-09-2013
- Zaaknummer
12/02091
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:585, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 03‑09‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:667, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:667, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 21‑05‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:585, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑09‑2012
- Wetingang
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2013-0334
NbSr 2013/305
Uitspraak 03‑09‑2013
Inhoudsindicatie
N-o verklaring in h.b. Het Hof heeft klaarblijkelijk toepassing gegeven aan art. 416.2 Sv en daaraan ten grondslag gelegd dat de eerst op 8 maart 2012 ingediende appelschriftuur, gelet op art. 410.1 Sv niet als een appelschriftuur kan worden aangemerkt. Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 410.1 Sv jo. art. 416.2 Sv.
Partij(en)
3 september 2013
Strafkamer
nr. 12/02091
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 april 2012, nummer 22/004655-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.
2.2.1.
De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Op 26 juli 2011 is door de verdachte tijdig appel ingesteld. De verdachte heeft echter pas op 8 maart 2012 een brief ingediend, waarin hij zijn grieven tegen het vonnis kenbaar gemaakt. Het hof acht de indiening van voornoemde brief met grieven zo zeer buiten de termijn, zoals bepaald in artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat deze niet als appelschriftuur wordt aangemerkt. Evenmin zijn door of namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ook ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep, nu naar het oordeel van het hof geen termen aanwezig zijn om tot inhoudelijke behandeling van de zaak over te gaan. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."
2.2.2.
Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een brief van 12 maart 2012 van het Arrondissementsparket te Rotterdam, gericht aan het Ressortsparket te 's-Gravenhage, die inhoudt:
"Hierbij doe ik u toekomen het appèlschriftuur inzake [verdachte]. (...)."
Bij deze brief is gevoegd een brief van 8 maart 2012 van de verdachte, gericht aan de Rechtbank te Den Haag, die onder meer inhoudt:
"Het OM doet wel heel erg d'r best om mij belaging ten laste te brengen. (...) Diverse malen heb ik de rechtbank, zo ook de raadsleden [betrokkene 1] & [betrokkene 2], op de hoogte gebracht van de 'onmenselijke' behandeling die mij ten dele valt. De term 'onmenselijk' heb ik van wijkagent brigadier [verbalisant] van politie Rotterdam-West. Hij is ook van mening dat mij de mogelijkheid om een bestaan op te bouwen onmogelijk wordt gemaakt.
Ik eis dan ook dat de eerder genoemde personen onder ede worden gehoord. (...)
Motivering hoger beroep;
- De door [betrokkene 1] opgevoerde emailadres is mij volkomen vreemd. Bij mijn verhoor door de RC heb ik steeds volhard dat ik [betrokkene 1] enkel c.c. en/of b.c.c. heb gestuurd. In eerste aanleg is dat juist het discussiepunt geweest. Na onderzoek mijnerzijds is gebleken dat de opgevoerde emails gephoto-shopt zijn. Het e-mailadres: […]@hotmail.com is mij onbekend. Ik heb hier dan ook nooit een mailtje naar toegestuurd. [zie bijlage 3]
- Raadslid [betrokkene 1] ontvangt vaker en graag e-mails van burgers.
- Ik meen mij te herinneren dat ik op bepaalde tenlasteleggingen ben vrijgesproken, echter vind ik hierin niets terug in het vonnis. Waarom er direkt vonnis is uitgesproken, is mij nog steeds een raadsel. Daar was geen reden toe. Ik heb de aangevers nooit uitgescholden met het woord kanker erin.
- (...)
Vrijspraak;
- (...)
- Ik heb nooit [betrokkene 1] opzettelijk 'opgezocht'. Ook niet op andere marktplaatsen. (...) [betrokkene 1] heb ik enkel mailtjes gestuurd in de vorm van c.c. en/of b.c.c.. [betrokkene 1] heeft mij nooit medegedeeld dat hij geen mail meer wilde ontvangen. (...)
Daarom is en kan er geen sprake zijn van het stelselmatig inbreuk plegen van zijn persoonlijke levenssfeer. Daar ik daar nooit de intentie heb getoond."
2.2.3.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2012 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:
"De verdachte (...) is niet ter terechtzitting verschenen.
Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. H.M.G. Peters, advocaat te Rotterdam, die mededeelt niet door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
(...)
De raadsvrouw deelt mede dat zij gisteren een e-mail heeft ontvangen van haar cliënt en draagt - na daarvoor toestemming te hebben gekregen van de voorzitter - de inhoud daarvan voor.
De voorzitter vat hetgeen de raadsvrouw heeft voorgedragen als volgt samen:
Cliënt is heden niet ter terechtzitting verschenen omdat het de eerste sterfdag van zijn moeder is en het onverwachte overlijden van zijn moeder hem destijds heeft overdonderd, alsmede uit protest, omdat hij het niet eens is met de wijze waarop het Openbaar Ministerie hem de afgelopen zes jaar heeft behandeld."
2.3.1.
Art. 410, eerste lid, Sv luidt:
"1. De officier van Justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven indienen."
Art. 416 Sv luidt:
"1. (...)
2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.
3. Indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur van grieven, als bedoeld in artikel 410, eerste lid, is ingediend, kan het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."
2.3.2.
Omtrent deze bepaling houdt de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet stroomlijnen hoger beroep (wet van 5 oktober 2006, Stb. 470, in werking getreden wat betreft art. 416 Sv op 1 maart 2007) het volgende in:
"In het actuele strafprocesrecht zijn de contouren van een grievenstelsel in de artikelen 410 en 416 Sv zichtbaar, maar de vrijblijvendheid daarvan doet afbreuk aan de doelmatigheid. De bepalingen zijn zelfs betekenisloos in de gevallen, dat alleen de verdachte appèl instelt en ter terechtzitting in hoger beroep niet verschijnt. Ik acht het alleszins redelijk, om van degene die in appèl komt, of dat nu het openbaar ministerie is of de verdachte, te vragen duidelijk te maken wat de bezwaren zijn tegen het vonnis. Met het karakter van appèl als voortgezette instantie verdraagt zich niet dat in appèl, zonder dat daarvoor goede redenen bestaan een min of meer nieuwe procedure wordt gestart. Van partijen mag in het bijzonder in hoger beroep een actieve proceshouding worden gevergd. Dat is uit een oogpunt van inzet van beperkte (overheids-) middelen en mensen rationeel, aangezien daardoor dubbel en nodeloos werk wordt voorkomen. Los van de praktische eisen, die een grievenstelsel met zich brengt aangaande het beschikbaar komen van uitgewerkte vonnissen alvorens van een procespartij gevergd kan worden zijn grieven te formuleren, onderken ik ook het bezwaar, dat de eis vooraf schriftelijke grieven in te dienen die vervolgens een volledig bindend karakter hebben te ver zou kunnen voeren. Dat is enerzijds omdat redelijkerwijs niet gevergd kan worden van de niet professioneel vertegenwoordigde verdachte daartoe capabel te zijn en anderzijds omdat het karakter van het debat ter terechtzitting in hoger beroep niet zo gesloten dient te zijn dat er helemaal geen ruimte is voor de ontwikkeling van nieuwe gezichtspunten.(...)Van de verdachte die hoger beroep instelt kan wel in redelijkheid gevergd worden te verschijnen, grieven kenbaar te maken of althans verdediging te voeren. De appèlrechter dient vervolgens de bevoegdheid te hebben bij het niet vervullen van wat kort gezegd "weerwoord" genoemd kan worden om het ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren. Maar hij dient daartoe niet te worden verplicht. Herstel van ambtshalve geconstateerde fouten blijft dan mogelijk. Ook bestaat de kans dat de appèlrechter tot behandeling overgaat en dan tot een ander oordeel komt in de strafmaat. Van een vrijblijvend appèl is dan ook geen sprake."
(Kamerstukken II 2005-2006, 30320, nr. 3, p. 11 en 13)
2.3.3.
Voorts houdt de nota naar aanleiding van het verslag het volgende in:
"De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat van de verdachte die in hoger beroep gaat, in redelijkheid kan worden gevergd te verschijnen, grieven kenbaar te maken of althans verdediging te voeren, kortgezegd: "weerwoord" te voeren. Zij vragen welke gevolgen kunnen worden verbonden aan de handelwijze van een verdachte die aan deze verwachting niet voldoet. Het belangrijkste gevolg is de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het voorgestelde artikel 416, tweede lid, bepaalt immers dat indien de appellerende verdachte geen schriftuur met grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, het hoger beroep zonder onderzoek van de zaak niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Hieronder valt ook het geval dat de verdachte geen schriftuur heeft ingediend en ter zitting in hoger beroep niet verschijnt. Dit is geen verplichte
Niet-ontvankelijkheid. Het gerechtshof behoudt de bevoegdheid tot ambtshalve onderzoek. Dit onderzoek kan echter bij het ontbreken van weerwoord in die zin beperkt blijven, dat onder omstandigheden bepaalde gebreken die mogelijk aan het voorbereidend onderzoek of het onderzoek in eerste aanleg kleven, niet tot vernietiging behoeven te leiden omdat de verdediging daarover noch in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft geklaagd.
Deze leden vragen in dit verband nog hoe moet worden omgegaan met een verdachte die weliswaar verschijnt, maar zich vervolgens beroept op zijn zwijgrecht. Het zwijgrecht moet worden onderscheiden van de hiervoor bedoelde verwachting dat de verdachte die appèl instelt, weerwoord voert. Ook van de verdachte die geen verklaring wenst af te leggen over het hem tenlastegelegde feit, kan worden verwacht dat hij aangeeft waarom hij in appèl is gegaan. In zo'n geval zou hij ten minste kunnen aanvoeren dat hij ten onrechte door de rechtbank is veroordeeld. Laat hij zelfs dit na en geeft een ambtshalve beoordeling van de stukken geen aanleiding om het vonnis te vernietigen, dan kan het gerechtshof het hoger beroep zonder verder onderzoek niet-ontvankelijk verklaren."
2.4.
Het Hof heeft klaarblijkelijk toepassing gegeven aan art. 416, tweede lid, Sv en daaraan ten grondslag gelegd dat de eerst op 8 maart 2012 ingediende appelschriftuur, gelet op art. 410, eerste lid, Sv niet als een appelschriftuur kan worden aangemerkt. Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 410, eerste lid, Sv, in verbinding met art. 416, tweede lid, Sv.
2.5.
Het middel slaagt.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2013.
Conclusie 21‑05‑2013
Inhoudsindicatie
N-o verklaring in h.b. Het Hof heeft klaarblijkelijk toepassing gegeven aan art. 416.2 Sv en daaraan ten grondslag gelegd dat de eerst op 8 maart 2012 ingediende appelschriftuur, gelet op art. 410.1 Sv niet als een appelschriftuur kan worden aangemerkt. Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 410.1 Sv jo. art. 416.2 Sv.
Nr. 12/02091 Zitting: 21 mei 2013 | Mr. Vellinga Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Verdachte is door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 22 juli 2011 waarbij verdachte wegens misdrijven is veroordeeld tot straf als in dat vonnis vermeld.
2. Namens verdachte heeft mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.
4. Het Hof heeft te dier zake het volgende overwogen:
“Op 26 juli 2011 is door de verdachte tijdig appel ingesteld. De verdachte heeft echter pas op 8 maart 2012 een brief ingediend, waarin hij zijn grieven tegen het vonnis kenbaar gemaakt. Het hof acht de indiening van voornoemde brief met grieven zo zeer buiten de termijn, zoals bepaald in artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat deze niet als appelschriftuur wordt aangemerkt. Evenmin zijn door of namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ook ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep, nu naar het oordeel van het hof geen termen aanwezig zijn om tot inhoudelijke behandeling van de zaak over te gaan. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”
5. Het oordeel van het Hof komt erop neer dat niet meer van een schriftuur in de zin van art. 416 lid 2 jo 410 lid 1 Sv kan worden gesproken wanneer deze geruime tijd na afloop van de termijn genoemd in art. 410 Sv is ingediend. Door aldus te overwegen heeft het Hof volgens het middel een te beperkte uitleg gegeven aan het bepaalde in art. 416 lid 2 jo. 410 lid 1 Sv.
6. Bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 lid 1 Sv toegezonden stukken bevinden zich:
- een brief van de verdachte d.d. 8 maart 2012 aan het Hof, inhoudende bezwaren tegen het vonnis van de Rechtbank;
- een faxbericht d.d. 9 maart 2012 van de raadsvrouw van verdachte, mr. H.M.G. Peters, aan de voorzitter van het Hof, inhoudende bezwaren tegen het vonnis van de Rechtbank alsmede een verzoek tot oproeping ter terechtzitting in hoger beroep van drie getuigen.
7. Art. 416 lid 2 Sv luidt, als volgt:
“Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.”
8. Omtrent die bepaling houdt de parlementaire geschiedenis bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet stroomlijnen hoger beroep (Wet van 5 oktober 2006, Stb. 470) het volgende in:
“In het actuele strafprocesrecht zijn de contouren van een grievenstelsel in de artikelen 410 en 416 Sv zichtbaar, maar de vrijblijvendheid daarvan doet afbreuk aan de doelmatigheid. De bepalingen zijn zelfs betekenisloos in de gevallen, dat alleen de verdachte appèl instelt en ter terechtzitting in hoger beroep niet verschijnt. Ik acht het alleszins redelijk, om van degene die in appèl komt, of dat nu het openbaar ministerie is of de verdachte, te vragen duidelijk te maken wat de bezwaren zijn tegen het vonnis. Met het karakter van appèl als voortgezette instantie verdraagt zich niet dat in appèl, zonder dat daarvoor goede redenen bestaan een min of meer nieuwe procedure wordt gestart. Van partijen mag in het bijzonder in hoger beroep een actieve proceshouding worden gevergd. Dat is uit een oogpunt van inzet van beperkte (overheids-)middelen en mensen rationeel, aangezien daardoor dubbel en nodeloos werk wordt voorkomen. Los van de praktische eisen, die een grievenstelsel met zich brengt aangaande het beschikbaar komen van uitgewerkte vonnissen alvorens van een procespartij gevergd kan worden zijn grieven te formuleren, onderken ik ook het bezwaar, dat de eis vooraf schriftelijke grieven in te dienen die vervolgens een volledig bindend karakter hebben te ver zou kunnen voeren. Dat is enerzijds omdat redelijkerwijs niet gevergd kan worden van de niet professioneel vertegenwoordigde verdachte daartoe capabel te zijn en anderzijds omdat het karakter van het debat ter terechtzitting in hoger beroep niet zo gesloten dient te zijn dat er helemaal geen ruimte is voor de ontwikkeling van nieuwe gezichtspunten. Ook na indiening van grieven kan een verdachte reden hebben bij nader inzien andere zaken aan de orde te stellen dan in toegespitste schriftelijke grieven is vermeld. In de praktijk gaat de onvrede van de verdachte over de beslissingen nogal eens gepaard met de keuze voor een andere advocaat. Toch zal de advocaat in eerste aanleg namens de verdachte doorgaans wel het appèl moeten instellen en in een daartoe verplichtend stelsel de grieven formuleren. Ten slotte is er het al gememoreerde principiële punt van de eigen onderzoeksverantwoordelijkheid van de appèlrechter. Er zal naar mijn oordeel toch altijd een mogelijkheid moeten worden open gelaten dat de appèlrechter, hetzij ambtshalve, hetzij bij nader inzien op verzoek van procespartijen, de behandeling van de gehele zaak naar eigen inzicht inricht.”
“De opmerkingen van de RvdR hebben geleid tot aanpassing van het voorgestelde verlofstelsel in die zin, dat het niet indienen van redenen voor het appèl niet perse behoeft te leiden tot het niet toelaten (artikel 410a lid 3 Sv). De voorzitter dient derhalve in een dergelijk geval ook ambtshalve te beoordelen of behandeling ter zitting vereist is. Daardoor kan worden voorkomen, dat in het bijzonder allochtone, niet-Nederlandse unieburgers en analfabete verdachten door de gevolgen van de eis van schriftelijke grieven zullen worden getroffen. De suggestie van de RvdR om in alle gevallen waarin de verdachte ter zitting in eerste aanleg en bij het instellen van het rechtsmiddel van hoger beroep niet werd bijgestaan door een raadsman zonder meer toe te laten tot de behandeling ter zitting is echter niet gevolgd. Een dergelijke opening in het verlofstelsel zou de zin ervan in belangrijke mate aantasten.
(…)
De NVvR staat positief tegenover het concept-wetsvoorstel en doet suggesties voor verbeteringen van inhoudelijke en redactionele aard. De NVvR heeft waardering voor de wijze waarop de onderscheiden wensen en mogelijkheden voor herziening van het stelsel zijn afgewogen. Over het algemeen kan de NvVR de gekozen opzet volgen, maar het stelsel van het voortbouwend appèl is volgens de NvVR geen echte breuk met het huidige stelsel. Met name wordt opgemerkt, dat aan het niet indienen van een geschrift met grieven, behoudens gevallen die onder het verlofstelsel vallen, geen rechtsgevolgen worden verbonden. Het is juist, dat ook indien geen schriftelijke grieven worden ingediend de appèlrechter over alle vragen van 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering kan beslissen. Maar als alleen de verdachte appèl instelt, geen schriftelijke grieven indient, ter zitting niet verschijnt en zich ook niet laat vertegenwoordigen, dan zal het appèl in het nieuwe stelsel in de regel leiden tot niet-ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep. Een daartegen ingesteld cassatieberoep is beperkt tot die kwestie. Aan deze rechtsgevolgen, die ook besparende effecten hebben, lijkt de NVvR voorbij te gaan.”
“In het advies van de NOvA wordt de vraag gesteld welke eisen aan een door de verdachte ingediende schriftuur houdende grieven dienen te worden gesteld. Gewezen wordt op in de praktijk lopende experimenten. In het ressort ’s-Hertogenbosch wordt door de advocatuur, het OM en het gerechtshof al langer gezamenlijk getracht te komen tot een effectievere besteding van de schaarse zittingscapaciteit van het Gerechtshof. Daartoe is per 1 januari 1999 in het kader van een experiment voorzien in de mogelijkheid van «opgave van bezwaren» waardoor de verdachte inzichtelijk waartegen zijn bezwaren zich met name richten. Een soortgelijk stelsel wordt sinds een aantal jaren in het ressort Leeuwarden gehanteerd. In de opgave van bezwaren in het ressort ’s-Hertogenbosch kan de verdachte aangeven waartegen het hoger beroep is gericht: de bewezenverklaring van een (of meer) tenlastegelegd(e) feit(en), de opgelegde straf en/of maatregel (aard en hoogte), de beslissing tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel of anderszins. Dat is een zeer summiere opgave van bezwaren. De NOvA vraagt of het de bedoeling is dat er, in navolging van dit experiment, op landelijk niveau een soortgelijke opgave van bezwaren wordt geïntroduceerd, of dat de wetgever een uitgebreide(re) motivering van de grieven voor ogen staat. Het is denkbaar dat de experimenten in de genoemde ressorten gevolgd worden door een uniformering van de wijze waarop een opgave van bezwaren wordt gedaan. Het wetsvoorstel legt in dit opzicht geen beperkingen op en stelt ook geen verdere inhoudelijke eisen aan de schriftelijke opgave van bezwaren. Het wordt aan de rechter in hoger beroep overgelaten welke de betekenis daaraan toekomt voor de behandeling ter zitting. De combinatie van schriftelijk ingediende grieven en mondeling opgegeven bezwaren zullen immers richtinggevend moeten zijn voor die behandeling.”
“Onderdeel N. Artikel 416 Sv (…)
In aanvulling op hetgeen in het algemeen deel reeds over deze wijzigingen is gesteld, wordt het volgende opgemerkt. Het voorgestelde tweede lid bepaalt, dat indien van de zijde van de appellerende verdachte geen bewaren worden ingebracht, waaronder begrepen kan worden de omstandigheid dat wel ingebrachte bezwaren niet worden gehandhaafd, het ingestelde hoger beroep zonder verder onderzoek niet ontvankelijk verklaard kan worden. De keuze voor de mogelijkheid, in plaats van een verplichte conclusie daartoe, vloeit voort uit de wens om aan de rechter ambtshalve ruimte te laten om, indien zulks noodzakelijk wordt geacht, ondanks intrekking van bezwaren toch onderzoek te verrichten.”
“De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat van de verdachte die in hoger beroep gaat, in redelijkheid kan worden gevergd te verschijnen, grieven kenbaar te maken of althans verdediging te voeren, kortgezegd: «weerwoord» te voeren. Zij vragen welke gevolgen kunnen worden verbonden aan de handelwijze van een verdachte die aan deze verwachting niet voldoet. Het belangrijkste gevolg is de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het voorgestelde artikel 416, tweede lid, bepaalt immers dat indien de appellerende verdachte geen schriftuur met grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, het hoger beroep zonder onderzoek van de zaak niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Hieronder valt ook het geval dat de verdachte geen schriftuur heeft ingediend en ter zitting in hoger beroep niet verschijnt. Dit is geen verplichte niet-ontvankelijkheid. Het gerechtshof behoudt de bevoegdheid tot ambtshalve onderzoek. Dit onderzoek kan echter bij het ontbreken van weerwoord in die zin beperkt blijven, dat onder omstandigheden bepaalde gebreken die mogelijk aan het voorbereidend onderzoek of het onderzoek in eerste aanleg kleven, niet tot vernietiging behoeven te leiden omdat de verdediging daarover noch in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft geklaagd.”
9. Uit de hierboven weergegeven wetsgeschiedenis volgt dat de appelrechter op de voet van art. 416 lid 2 Sv de bevoegdheid heeft bij het ontbreken van weerwoord van de appellerende verdachte tegen het vonnis in eerste aanleg (doordat geen schriftuur met grieven is ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven) het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Het Hof is hiertoe evenwel niet verplicht.
10. Art. 410 lid 1 Sv houdt in dat de verdachte binnen veertien dagen na het instellen van het beroep een schriftuur inhoudende grieven kan indienen. De rechter heeft de gevolgen van overschrijding van deze termijn voor de opgave van getuigen en deskundigen moeten relativeren in geval is volstaan met een zogenaamd kop-staart-vonnis en het na afloop van die termijn is aangevuld met bewijsmiddelen.1.Reeds deze omstandigheid wijst erop dat niet steeds wanneer een schriftuur wordt ingediend na afloop van de in de wet genoemde termijn niet meer van een schriftuur in de zin van art. 416 lid 2 jo 410 lid 1 Sv kan worden gesproken.
11. Noch van de officier van justitie noch van de verdachte kan redelijkerwijs worden verlangd dat binnen de termijn van art. 410 lid 1 Sv grieven worden geformuleerd tegen de motivering van de bewezenverklaring wanneer ten tijde van het wijzen van het vonnis is volstaan met een verkort vonnis en de opgave van de bewijsmiddelen pas ter beschikking komt na afloop van die termijn. Het is immers niet wel doenlijk bezwaren te formuleren tegen hetgeen men niet kent.2.Ook dat wijst er op dat niet steeds wanneer een schriftuur wordt ingediend na afloop van de in de wet genoemde termijn niet meer van een schriftuur in de zin van art. 416 lid 2 jo 410 lid 1 Sv kan worden gesproken en deze derhalve als zodanig buiten beschouwing zou kunnen worden gelaten.
12. De termijn van art. 410 Sv is met name van belang voor het criterium dat dient te worden gehanteerd bij de beoordeling van bij schriftuur opgegeven getuigen en deskundigen:
“Het wettelijk kader om de behandeling af te stemmen op de wensen van partijen en hetgeen de rechter nodig acht kan – met handhaving van het verbod van partieel appèl – worden geschapen door de rechter in hoger beroep de bevoegdheid toe te kennen het onderzoek ambtshalve te beperken tot de schriftelijk of mondeling naar voren gebrachte grieven van de procespartijen en hetgeen hij overigens noodzakelijk oordeelt. Deze kijk op de behandeling in hoger beroep stemt ook overeen met de door mij voorgestelde aanpassing van artikel 414, tweede lid, Sv zoals opgenomen in het voorstel wet tot wijziging van het Sv in verband met het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen. Door die aanpassing te realiseren zal de toelating van opgegeven van getuigen gedurende de verdere behandeling, anders dan bij het indienen van een schriftuur, gekoppeld worden aan het noodzakelijkheidscriterium.
13. Een verdachte kan zowel bij appelschriftuur als ter terechtzitting in hoger beroep zijn bezwaren tegen het beroepen vonnis opgeven. Daarom valt niet in te zien welk door de termijn van art. 410 lid 1 Sv beschermd belang ermee is gediend dat een geschrift houdende bezwaren tegen het beroepen vonnis binnengekomen na afloop van de termijn genoemd in art. 410 lid 1 Sv maar – zoals in het onderhavige geval – ruim voor de terechtzitting in hoger beroep door de appelrechter bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep buiten beschouwing wordt gelaten. Verdachte kon immers ook nog op de terechtzitting met bezwaren tegen het vonnis aankomen. Daarom, aldus Van Woensel, wordt pas ter terechtzitting duidelijk wat de stand van zaken is met betrekking tot de grieven en moeten zaken de facto altijd in volle omvang worden voorbereid.3.
14. Tegen deze achtergrond moet het buiten beschouwing laten van de hiervoor in nr. 6 genoemde geschriften bij de beoordeling van de vraag of het beroep ontvankelijk is als nodeloos formalisme (“unduly formalistic”) worden beschouwd. Hier lijkt in de woorden van Buruma4.het soepel lopen van de vonnissenmachine de doorslag te hebben gegeven ten detrimente van de gerechtvaardigde belangen van de verdachte. Het oordeel van het Hof geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder van het begrip schriftuur als bedoeld in art. 416 lid 2 jo 410 lid 1 Sv.
15. Het middel is derhalve terecht voorgedragen. De vraag is of dit ook moet leiden tot vernietiging van het arrest van het Hof. Die vraag dient bevestigend te worden beantwoord. De geschriften van verdachte en advocaat strekken er immers toe dat het bewezenverklaarde onder opgave van redenen wordt ontkend. Als zodanig bevatten deze geschriften grieven tegen het beroepen vonnis, zodat deze zijn op te vatten als schriftuur houdende grieven tegen het vonnis.5.
16. Het middel slaagt.
17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑05‑2013
De Minister tilde aan dit bezwaar minder: Kamerstukken II 2003-2004, 29 254, nr. 8, p. 6.
A.M. van Woensel, Stroomlijning: voor het bouwen, afbouwen en door timmeren, p. 25, in Stroomlijning van het hoger beroep in strafzaken, P.G. Wiewel en R.E. de Winter (red.), Prinsengrachtreeks 2007/1, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2007.
Y. Buruma, ‘Strafrechtelijke rechtsvorming’, Strafblad 2013, p. 10.
Vgl. HR 14 september 2010, LJN BM7489.
Beroepschrift 12‑09‑2012
CASSATIESCHRIFTUUR
Inzake : [rekwirant]
Edelhoogachtbaar College,
Ondergetekende, als daartoe door rekwirant tot cassatie bijzonder gevolmachtigd, mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, heeft hierbij de eer aan u, Edelhoogachtbaar College, te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het namens rekwirant ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het gerechtshof te 's‑Gravenhage d.d. 4 april 2012.
In genoemd arrest heeft het Gerechtshof rekwirant niet-ontvankelijk verklaard in het namens rekwirant tijdig ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam d.d. 22 juli 2011.
Als grond van cassatie heeft ondergetekende de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 410 lid 1 en 416 lid 2 Wetboek van Strafvordering geschonden, omdat het gerechtshof rekwirant ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.
Het arrest van het Hof leidt daarmee aan nietigheid, althans is onvoldoende naar de eis der wet met redenen omkleed.
Toelichting
Het gerechtshof stelt in haar arrest vast dat op 26 juli 2011 door de verdachte tijdig appel is ingesteld.
De verdachte heeft echter, aldus het gerechtshof, pas op 8 maart 2012 een brief ingediend, waarin hij zijn grieven tegen het vonnis kenbaar heeft gemaakt en acht de indiening van voornoemde brief met grieven zozeer buiten de termijn, zoals bepaald in art. 410, eerste lid Wetboek van Strafvordering, dat deze niet als appelschriftuur wordt aangemerkt.
Evenmin, aldus verder het gerechtshof, zijn door of namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven en ook ambtshalve ziet het gerechtshof geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep, nu naar diens oordeel geen termen aanwezig zijn om tot inhoudelijke behandeling over te gaan. Daarom wordt verdachte, gelet op het bepaalde in art. 416, tweede lid Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Laatstgenoemde bepaling is bij de Wet stroomlijnen hoger beroep geheel gewijzigd en regelt o.a. het mondeling naar voren brengen van bezwaren tegen de bestreden beslissing.
Voorts wordt aan het gerechtshof een discretionaire bevoegdheid toegekend om een verdachte in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk, indien er geen of niet tijdig (schriftelijke, of mondelinge) bezwaren zijn aangevoerd.
Voorschriften, die op zich passen bij het voortbouwend appel.
Uit het dossier volgt dat rekwirant inderdaad niet zeer tijdig na het instellen van het appel een schriftuur houdende zijn grieven tegen het vonnis in eerste aanleg heef ingediend, maar — aldus het gerechtshof in haar arrest — eerst op 8 maart 2012 een brief aan het gerechtshof heeft toegezonden, waarin hij zijn grieven (wel) kenbaar maakt.
Evenmin is rekwirant blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting ter zitting van 4 april 2012 verschenen en was zijn raadsvrouw, mr. Peters, advocaat te Rotterdam, blijkens haar mededeling, niet uitdrukkelijk gemachtigd om de verdediging te voeren.
Nu de bezwaren evenmin ter terechtzitting zijn opgegeven kon het gerechtshof rekwirant niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Het gerechtshof was daartoe echter niet verplicht en kon beslissen de zaak wel inhoudelijk te behandelen.
Daartoe had het gerechtshof in de visie van rekwirant, gelet op de inhoud van het dossier, dienen te beslissen, nu ook Uw Raad lijkt te waken voor een al te formalistische toepassing van lid 2 van art 416 Wetboek van Strafvordering voor de verdachte.
In het dossier bevinden zich immers, naast de door het gerechtshof al gememoreerde brief d.d. 8 maart 2012 van rekwirant zelf, ook nog de fax brief d.d. 9 maart van de raadsvrouw mr. Peters aan de voorzitter van het gerechtshof, waarin grieven tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam worden opgegeven en verzocht wordt om ter zake een 3-tal getuigen te doen horen ter terechtzitting, alsmede een e-mail van rekwirant ter zake waarvan de raadsvrouw blijkens het proces-verbaal van de zitting d.d. 4 april 2012 meedeelt dat zij deze gisteren, aldus 3 april 2012, van rekwirant had ontvangen en waarvan zij met toestemming van de voorzitter de inhoud voordraagt.
Op grond van het vorenstaande stelt rekwirant dat uit zijn brief van 8 maart 2012, de fax van zijn raadsvrouw van 9 maart 2012 en zijn e-mail van 3 april 2012 volgt dat hij in ieder geval tijdig voor aanvang van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting van het gerechtshof d.d. 4 april 2012 zijn grieven tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam in eerste aanleg duidelijk kenbaar heeft gemaakt, er blijkens zijn ter terechtzitting voorgedragen) e-mail van 3 april 2012 voor rekwirant goede gronden waren om zelf niet ter terechtzitting te verschijnen, maar hij wel degelijk wenste dat zijn grieven tegen het vonnis (inhoudelijk) behandeld zouden worden.
Gelet op het vorenstaande had het gerechtshof in de visie van rekwirant niet van haar discretionaire bevoegdheid gebruik moeten maken om rekwirant in zijn appel niet-ontvankelijk te verklaren.
Indien het gerechtshof zich ter zake nog onvoldoende voorgelicht achtte om tot behandeling van de zaak over te gaan, had zij bijvoorbeeld de zaak kunnen aanhouden en bevelen dat rekwirant, die redenen voor zijn verhindering opgaf, op een nader te bepalen terechtzitting alsnog zelf aanwezig zou zijn om zijn grieven en onderzoek wensen toe te lichten.
Omtrent de bepaling van art. 416 , tweede lid Wetboek van Strafvordering houdt de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet stroomlijnen hoger beroep (wet van 5 oktober. 2006, Stb. 470, in werking getreden wat betreft art. 416 Wetboek van Strafvordering op 1 maart 207) nog het volgende in:
‘In het actuele strafprocesrecht zijn de contouren van een grievenstelsel in de artikelen 410 en 416 Wetboek van. Strafvordering zichtbaar, maar de vrijblijvendheid daarvan doet afbreuk aan de doelmatigheid. De bepalingen zijn zelfs betekenisloos in de gevallen, dat alleen de verdachte appel instelt en ter terechtzitting in hoger beroep niet verschijnt. Ik acht het alleszins redelijk om van degene die in appel komt, of dat nu het Openbaar Ministerie is of de verdachte, te vragen duidelijk te maken wat de bezwaren zijn tegen het vonnis. Met het karakter van appel als voortgezette instantie verdraagt zich niet dat in appel, zonder dat daarvoor goede redenen bestaan, een min of meer nieuwe procedure wordt gestart. Van partijen mag in het bij zonder in hoger beroep een actieve proceshouding worden gevergd. Dat is uit een oogpunt van inzet van beperkte (overheids-)middelen en mensen rationeel, aangezien daardoor dubbel en nodeloos werk wordt voorkomen. Los van de praktische eisen, die een grievenstelsel met zich brengt aangaande het beschikbaar komen van uitgewerkte vonnissen alvorens van een partij gevergd kan worden zijn grieven te formuleren, onderken ik het bezwaar dat de eis vooraf schriftelijke grieven in te dienen die vervolgens een volledig bindend karakter hebben te ver zou kunnen voeren. Dat is enerzijds omdat redelijkerwijs niet gevergd kan worden van de niet professioneel vertegenwoordigde verdachte daartoe capabel te zijn en anderzijds omdat het karakter van het debat ter terechtzitting in hoger beroep niet zo gesloten dient te zijn dat er helemaal geen ruimte is voor de ontwikkeling van nieuwe gezichtspunten’.
(…)
‘Van de verdachte die hoger beroep instelt kan wel in redelijkheid gevergd worden te verschijnen, grieven kenbaar te maken of althans de verdediging te voeren. De appelrechter dient vervolgens de bevoegdheid te hebben bij het vervullen van wat kort gezegd ‘weerwoord’ genoemd kan worden om het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Maar hij dient daartoe niet te worden verplicht. Herstel van ambtshalve geconstateerde fouten blijft dan mogelijk. Ook bestaat de kans dat de appelrechter tot behandeling overgaat en dan tot een ander oordeel komt in de strafmaat. Van een vrijblijvend appel is dan ook geen sprake’.
(Kamerstukken II 2006-2006, 30320, nr. 3, p. 11 en 13).
Vastgesteld kan worden dat rekwirant in de onderhavige zaak wel zijn bezwaren tegen het vonnis kenbaar heeft gemaakt en heeft doen maken. Van een niet actieve proceshouding was geen sprake.
Zijn grieven tegen het vonnis in eerste aanleg zijn op meerdere momenten duidelijk kenbaar gemaakt.
Door rekwirant niet-ontvankelijk te verklaren in zijn appel heeft het gerechtshof in de visie van rekwirant een te beperkte uitleg gegeven aan het bepaalde in art. 416 lid 2 Wetboek van Strafvordering en rekwirant de mogelijkheid onthouden om zijn zaak in twee feitelijke instanties inhoudelijk te doen behandelen.
De wetgever heeft met de onderhavige immers regeling beoogd het aantal beroepen, met name als deze niet tijdig en voldoende onderbouwd zijn, terug te dringen.
Zulks gold niet voor de zaak van rekwirant, die zulks wel en voor aanvang van de zitting in hoger beroep heeft gedaan.
Dat
Op vorenstaande grond het U, Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 12 september 2012
Raadsman,
J.T.C.M. Crepin