HR, 18-12-1991, nr. 27171
ECLI:NL:HR:1991:ZC4834
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-12-1991
- Zaaknummer
27171
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1991:ZC4834, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑12‑1991; (Cassatie)
- Vindplaatsen
WFR 1992/86
V-N 1992/259, 7 met annotatie van Redactie
BNB 1992/145 met annotatie van J. Brunt
FED 1993/361 met annotatie van R.L.H. IJZERMAN
Uitspraak 18‑12‑1991
Inhoudsindicatie
-
Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
nr. 27.171
18 december 1991
PdM
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 oktober 1989 betreffende de hem voor het jaar 1982 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof.
Aan belanghebbende is voor het jaar 1982 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 514.944, -- , welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten.
3.1. Het oordeel van het Hof dat van belanghebbende mag worden gevraagd het bewijs te leveren dat de schriftelijke vastlegging van de tussen [A] B.V. (hierna: [A] B.V. ) enerzijds en [B] B. V. (hierna: [B] ) en belanghebbende anderzijds gesloten service-overeenkomst onvolledig en/of onjuist is, althans geen zuivere weergave bevat van hetgeen partijen per 1 januari 1981 werkelijk zijn overeengekomen en in 1982 tussen hen gold, is juist.
Het Hof heeft vervolgens overwogen dat belanghebbende dit bewijs niet heeft geleverd, aangezien de namens hem ter zake gedane mededelingen en beweringen onvoldoende door bewijsmiddelen zijn gestaafd.
Deze oordelen zijn van feitelijke aard, zijn niet onbegrijpelijk en behoefden geen nadere motivering zodat zij in cassatie niet met vrucht kunnen worden bestreden. De eerste klacht faalt derhalve.
3.2. Het oordeel van het Hof dat hetgeen in de service-overeenkomst is neergelegd aldus dient te worden uitgelegd dat belanghebbende in wezen in persoon een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met [A] B.V., en dat voorts is afgesproken dat [A] B. V . de beloning voor de door belanghebbende persoonlijk te verrichten arbeid zal overmaken aan [B], geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, berust voor het overige op de aan het Hof voorbehouden waardering van de feiten en omstandigheden, en behoefde geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven.
3.3. Het Hof heeft de vraag of er sprake zou zijn van ondernemingswinst van belanghebbende en het ontkennende antwoord daarop ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat de service-overeenkomst niet een "pot- pool-firma-service-overeenkomst" is, zoals door belanghebbende is betoogd en door de Inspecteur is bestreden.
Het Hof kon zich in dit verband deze vraag terecht stellen en is daarmee niet buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. Ook de tweede klacht faalt derhalve.
3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende met [A] is overeengekomen dat deze loon en tantième zal uitbetalen aan [B] Dit oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Het Hof heeft voorts overwogen dat het litigieuze bedrag in rekening-courant is tegoedgeschreven in 1982 en in dat jaar rentedragend is geworden.
Uitgaande van deze oordelen heeft het Hof terecht beslist dat nu de uitbetaling van loon en tantième haar grond vindt in een dienstbetrekking, deze beloning is aan te merken als door de werknemer te zijn genoten in de zin van artikel 33, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, ook al vindt zij plaats aan een derde ingevolge een overeenkomst met de werknemer. De derde klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden.
3.5. De vierde klacht kan evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van . rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing.
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Herrmann, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Vonk, in raadkamer van 18 december 1991.