Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.1:5.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.1
5.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS581919:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 juni 1996 (De Nieuwe Woning/Staat), N] 1997, 495 m.nt. HJS.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 4 is geanalyseerd wat de betekenis is van het zogeheten rolrichtlijnen-arrest1 voor de mogelijkheid tot vaststelling van en het ontstaan van gebondenheid aan rechtersregelingen. Gebleken is dat een rechtersregeling die berust op 'zelfbinding' door de ter zake bevoegde rechters en die behoorlijk bekendgemaakt is, de rechter kan binden op grond van de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging. Indien daarnaast is voldaan aan de eis dat de regeling zich 'naar inhoud en strekking ertoe leent om jegens de daarbij betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast', geldt zij bovendien als recht in de zin van art. 79 RO.
Hoewel de kwalificatie van een rechtersregeling als recht in de zin van art. 79 RO dogmatisch niet als oorzaak, maar veeleer als gevolg van de bindende werking van een dergelijke regeling moet worden gezien, is zij niettemin van belang omdat daardoor controle in cassatie op uitleg en toepassing van die regeling mogelijk wordt. Gelet op dit praktische belang zal daarom in hoofdstuk 5 en 6 nader worden ingegaan op de kwalificatie van rechtersregelingen als recht in de zin van art. 79 RO. In hoofdstuk 6 wordt onderzocht welke gevolgen dit etiket precies heeft voor de gebondenheid aan een als zodanig te beschouwen rechtersregeling, alsmede voor de mogelijkheden tot controle op de toepassing daarvan. Daaraan voorafgaand wordt in dit hoofdstuk onderzocht hoe de in hoofdstuk 4 geformuleerde vereisten waaraan een rechtersregeling moet voldoen teneinde als recht in de zin van art. 79 RO te kunnen gelden, nader ingevuld kunnen worden. Achtereenvolgens komen de volgende vragen aan de orde: welk orgaan is bevoegd tot vaststelling van rechtersregelingen (§ 5.2), wanneer is sprake van een behoorlijke bekenolmaking (§ 5.3) en wanneer leent een rechtersregeling zich naar inhoud en strekking voor toepassing als rechtsregel (§ 5.4)?