Parketnr. 20-001288-21.
HR, 20-01-2026, nr. 24/03488
ECLI:NL:HR:2026:66
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-01-2026
- Zaaknummer
24/03488
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:66, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑01‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:2903
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1197
ECLI:NL:PHR:2025:1197, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:66
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑01‑2024
- Vindplaatsen
NTS 2026/14
Uitspraak 20‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Medeplegen zware mishandeling met voorbedachte raad door aangever met auto naar afgelegen plek in bos te brengen en hem daar meermalen tegen zijn hoofd en lichaam te schoppen, trappen en slaan, waardoor aangever meerdere fracturen (in zijn gezicht en kuitbeen) en ontwrichting ter hoogte van zijn sleutelbeen oploopt, art. 302.1 jo. 303.1 Sr. Bewijsklacht zwaar lichamelijk letsel. Kunnen breuken van kaakholte, oogkasbodem, neusbijholte, jukbeen en kuitbeen (naast ontwrichting ter hoogte van sleutelbeen) worden aangemerkt als “zwaar lichamelijk letsel” a.b.i. art. 302.1 jo. 303.1 Sr? HR wijdt beschouwingen aan begrip zwaar lichamelijk letsel, waarbij HR nader ingaat op algemene gezichtspunten voor beantwoording van vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, te weten aard van letsel, eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en uitzicht op (volledig) herstel. Als het toebrengen of veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel wordt tlgd., kan het voor beoordeling door rechter van belang zijn dat zich bij processtukken gegevens bevinden die concreet informatie geven over (elk van) de hiervoor genoemde gezichtspunten. OM is ervoor verantwoordelijk dat hiervoor benodigde (medische) stukken, voordat zaak ttz. wordt behandeld, bij processtukken worden gevoegd (vgl. art. 149a.1 Sv). In voorkomende gevallen kan rechter (desnoods door aanhouding van behandeling van zaak) bewerkstelligen dat stukken met nadere informatie over letsel alsnog bij processtukken worden gevoegd. Hof heeft vastgesteld dat slachtoffer a.g.v. bewezenverklaarde geweldshandelingen van verdachte en zijn mededaders (naast ontwrichting ter hoogte van sleutelbeen) breuken in meerdere lichaamsdelen, te weten breuken op 2 plaatsen van kaakholte, oogkasbodem, neusbijholte, jukbeen en kuitbeen heeft opgelopen. Verder heeft hof vastgesteld dat slachtoffer op spoedeisende hulp van ziekenhuis is behandeld door chirurg. Op grond hiervan heeft hof kennelijk geoordeeld dat in dit specifieke geval de aard, samenstel en veelheid van de aan slachtoffer toegebrachte letsels zo ernstig zijn dat deze (ook zonder nadere/specifieke vaststellingen over noodzaak en aard van medisch ingrijpen en uitzicht op (volledig) herstel) als zwaar lichamelijk letsel a.b.i. art. 302.1 jo. 303.1 Sr moeten worden aangeduid. Dat oordeel getuigt in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03488
Datum 20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 september 2024, nummer 20-001288-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat sprake is van ‘zwaar lichamelijk letsel’ als bedoeld in artikel 302 lid 1 in samenhang met artikel 303 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
2.2.1
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank onder verbetering van gronden bevestigd, behalve wat betreft de opgelegde straf. In dat vonnis is overeenkomstig de tenlastelegging ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat hij:
“op 6 mei 2016 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, aan [slachtoffer] opzettelijk met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten
* fracturen (o.a. de rechter kaakholte en de oogkasbodem en de neusbijholte en het rechterjukbeen en het linkerkuitbeen (ter hoogte van de knie)) en
* een ontwrichting ter hoogte van het sleutelbeen
heeft toegebracht door deze meermalen met (aanzienlijke/forse) kracht tegen diens hoofd en/of in diens gelaat en tegen diens overige lichaamsdelen te schoppen/trappen en/of stompen/slaan.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“IV. Het geschrift, te weten medische informatie/letselbeschrijving van [specialist 1] , forensische arts, pagina 590 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Informatie ontvangen van chirurg [ziekenhuis] over behandeling aldaar op de spoedeisende hulp op 06-05-2016.
Er was een bloeduitstorting rondom het rechteroog. Linker been is gezwollen door een bloeduitstorting. CT-scan van het hoofd toonde een breuk van de rechter kaakholte op 2 plekken. Breuk van de oogkasbodem. Röntgenfoto van de rechter toonde dat het sleutelbeen uit de kom was.
V. Het rapport Forensisch geneeskundig onderzoek van het NFI d.d. 25 oktober 2016, pagina’s 593-600 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Uit onderzoek door forensisch arts KNMG [specialist 2] bleek dat er bij [slachtoffer] een dwarse breuk aan het linkerkuitbeen ter hoogte van de knie was, een verbreding van de gewrichtsspleet tussen het sleutelbeen en de schouder rechts.
Op de CT-scan van het aangezicht werden zwellingen (‘induraties’) waargenomen aan de rechterzijde van het aangezicht, de rechteronderkaak en de rechterwang, rechts op het voorhoofd, aan de oogleden van het rechteroog en aan de linkerwang. Daarbij waren er breuken van de rechterneusbijholte aan de binnenwaartse en aan de buitenwaartse zijde (‘de mediale begrenzing en de laterale begrenzing van de sinus maxillaris’), aan het rechterjukbeen (‘arcus zygomaticus’) en aan de rechteroogkasbodem (‘orbitabodem’), met verplaatsing van oogkasinhoud naar benedenwaarts (‘verplaatsing van orbitaal vet naar caudaal’).
De bij [slachtoffer] waargenomen breuken en weke delenzwellingen in het aangezicht en ter hoogte van de linkerknie zijn passend bij meerdere botsende geweldinwerkingen op het gelaat en tenminste één botsende geweldinwerking zijwaarts op de linkerknie.”
2.2.3
Het door het hof bevestigde vonnis houdt verder onder meer in:
“Toedracht en letselDe rechtbank constateert dat het opgelopen letsel van aangever past bij zijn verklaring dat hij meerdere malen tegen zijn hoofd en lijf is geschopt en geslagen.
Uit de medische informatie blijkt dat er bij aangever sprake was van een bloeduitstorting rondom zijn rechteroog, een gezwollen linkerbeen door een bloeduitstorting en dat zijn rechter kaakholte op twee plekken gebroken was. Ook was zijn oogkasbodem gebroken en zijn sleutelbeen uit de kom. De forensische arts constateerde tevens dat er sprake was van een dwarse breuk aan het linkerkuitbeen ter hoogte van de knie en een verbreding van de gewrichtsspleet tussen het sleutelbeen en de schouder rechts. De waargenomen breuken en weke delenzwellingen in het aangezicht en ter hoogte van de linkerknie zijn volgens de arts passend bij meerdere botsende geweldinwerkingen op het gelaat en tenminste één botsende geweldinwerking zijwaarts op de knie.
(...)
De rechtbank concludeert dat er sprake is geweest van zodanig uitgeoefend geweld dat aangever daardoor het genoemde letsel heeft opgelopen. De rechtbank overweegt hierbij dat het letsel van aangever zwaar lichamelijk letsel is in de zin van artikel 303 Wetboek van Strafrecht.”
2.3.1
De tenlastelegging onder 1 is toegesneden op artikel 302 lid 1 in samenhang met artikel 82 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘zwaar lichamelijk letsel’ zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepalingen.
2.3.2
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 82 Sr:
“1. Onder zwaar lichamelijk letsel worden begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden, en afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw.
2. Onder zwaar lichamelijk letsel wordt mede begrepen storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft.”
- Artikel 302 lid 1 Sr:
“Hij die aan een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengt, wordt, als schuldig aan zware mishandeling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.4.1
Het Wetboek van Strafrecht bevat geen definitie of omschrijving van zwaar lichamelijk letsel. Artikel 82 Sr geeft echter wel tot op zekere hoogte invulling aan dat begrip doordat deze bepaling inhoudt dat onder zwaar lichamelijk letsel wordt begrepen: “ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden, en afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw”, alsmede “storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft”. Artikel 82 Sr strekt ertoe buiten twijfel te stellen dat in de in die bepaling genoemde gevallen sprake is van zwaar lichamelijk letsel, maar de wetgever heeft niet beoogd in die bepaling een limitatieve opsomming te geven.
2.4.2
Artikel 82 Sr laat de rechter de vrijheid om ook buiten de onder 2.4.1 aangeduide gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Gelet op de uiteenlopende vormen waarin lichamelijk letsel zich kan voordoen, kan moeilijk precies worden aangegeven wanneer dat letsel als zwaar lichamelijk letsel geldt.
2.4.3
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit.De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.
2.4.4
Wat de aard van het letsel betreft, zijn buiten de in artikel 82 Sr genoemde gevallen ook het verlies van het gebruik van een zintuig, verminking en verlamming als zwaar lichamelijk letsel te beschouwen. Van zodanig letsel kan ook sprake zijn bij ernstige lichamelijke schade aan de gezondheid, bijvoorbeeld vanwege een inwendige biochemische ontregeling die haar oorsprong vindt in het achterwege laten van het gebruik van voor de gezondheid onontbeerlijke geneesmiddelen of vanwege een besmetting van een persoon met een bacterie of virus, zoals het HIV-virus.Psychische gevolgen die niet zonder meer zijn aan te merken als een (ver)storing van de verstandelijke vermogens als bedoeld in artikel 82 lid 2 Sr, kunnen echter niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
2.4.5
Een veelvoorkomende categorie letsel betreft (bot)fracturen. Als sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Ten aanzien van gebitsschade, zoals afgebroken tanden, verdient opmerking dat, nu gebitsschade niet zonder meer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, in beginsel nadere specifieke vaststellingen over in het bijzonder de noodzaak en de aard van het medische (tandheelkundige) ingrijpen, noodzakelijk zijn. In dit verband kan relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen.
2.4.6
Een ander mogelijk gezichtspunt betreft het uitzicht op herstel. Daarbij geldt – ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden – dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn als het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, maar ook als het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Verder kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. Daarom is bijvoorbeeld de enkele vaststelling dat sprake is van een (al dan niet zware) hersenschudding, niet toereikend voor de kwalificatie ‘zwaar lichamelijk letsel’; daarvoor zijn nadere vaststellingen noodzakelijk.In voorkomende gevallen kan in de beoordeling verder worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meer littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.
2.4.7
De beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is buiten de onder 2.4.1 aangeduide gevallen in belangrijke mate voorbehouden aan de feitenrechter. Zijn oordeel daarover kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Als uit de bestreden beslissing niets blijkt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel, zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie.
2.4.8
Het voorgaande brengt met zich dat, als het toebrengen of veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel wordt tenlastegelegd, het voor de beoordeling door de rechter van belang kan zijn dat zich bij de processtukken gegevens bevinden die concreet informatie geven over (elk van) de onder 2.4.3 genoemde gezichtspunten. Het openbaar ministerie is ervoor verantwoordelijk dat de hiervoor benodigde (medische) stukken, voordat de zaak op de terechtzitting wordt behandeld, bij de processtukken worden gevoegd (vgl. artikel 149a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering). In voorkomende gevallen kan de rechter – desnoods door aanhouding van de behandeling van de zaak – bewerkstelligen dat stukken met nadere informatie over het letsel alsnog bij de processtukken worden gevoegd.
2.5
Het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer als gevolg van de bewezenverklaarde geweldshandelingen van de verdachte en zijn mededaders – naast een ontwrichting ter hoogte van het sleutelbeen – breuken in meerdere lichaamsdelen, te weten breuken op twee plaatsen van de kaakholte, de oogkasbodem, de neusbijholte, het jukbeen en het kuitbeen heeft opgelopen. Verder heeft het hof vastgesteld dat het slachtoffer op de spoedeisende hulp van een ziekenhuis is behandeld door een chirurg. Op grond hiervan heeft het hof kennelijk geoordeeld dat in dit specifieke geval de aard, het samenstel en de veelheid van de aan het slachtoffer toegebrachte letsels zo ernstig zijn dat deze – ook zonder nadere vaststellingen over de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel – als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 302 lid 1 in samenhang met artikel 303 lid 1 Sr moeten worden aangeduid. Dat oordeel getuigt in het licht van wat onder 2.4 is vooropgesteld niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
2.6
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
2.7
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026.
Conclusie 11‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Zware mishandeling met voorbedachte raad (art. 303 Sr), door aangever tegen hoofd, schouder en been te schoppen en slaan. Middel klaagt o.a. dat het vastgestelde letsel niet kan worden aangemerkt als ‘zwaar lichamelijk letsel’. Middel slaagt volgens de AG, nu nadere vaststellingen over o.a. de noodzaak en de aard van medisch, al dan niet operatief ingrijpen en ook het uitzicht op herstel ontbreken. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03488
Zitting 11 november 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1.
De verdachte is bij arrest van 12 september 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch1., middels gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 30 april 2021, wegens:
- feit 1: “medeplegen van zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade”;
- feit 3: “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod” en
- feit 4: “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van de categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest.2.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt dat het onder 13.bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Meer in het bijzonder kan – aldus de stellers van het middel – uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat het bewezenverklaarde feit is gepleegd in [plaats] . Bovendien getuigt het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onvoldoende met redenen omkleed.
3. Bespreking van het middel
3.1
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat hij:
“op 6 mei 2016 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, aan [slachtoffer] opzettelijk met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten
* fracturen (o.a. de rechter kaakholte en de oogkasbodem en de neusbijholte en het rechterjukbeen en het linkerkuitbeen (ter hoogte van de knie) en
* een ontwrichting ter hoogte van het sleutelbeen
heeft toegebracht door deze meermalen met (aanzienlijke/forse) kracht tegen diens hoofd en/of in diens gelaat en tegen diens overige lichaamsdelen te schoppen/trappen en/of stompen/slaan.”
3.2
Wat betreft de pleegplaats merk ik het volgende op. Uit de bewijsmiddelen I, II en VIII kan worden afgeleid dat de aangever op een uitvaart was bij [A] in [plaats] , alwaar hij werd aangesproken door de verdachte en mee moest lopen naar een auto waarin nog drie andere personen zaten. De aangever moest instappen. Ze reden in de richting van [a-straat] .4.Ze reden door een bos in de omgeving van [plaats] en zijn een zandpad opgereden. Bij een slagboom zijn ze uitgestapt en verder gelopen. Daarna is de aangever mishandeld. Uit de camerabeelden van het crematorium blijkt dat de verdachte ongeveer 20 minuten niet op het parkeerterrein van het crematorium is geweest. Daaruit kan worden afgeleid dat hij maximaal 20 minuten weg is geweest. In die maximaal 20 minuten is hij naar de auto gelopen en weggereden, heeft de mishandeling plaatsgevonden en is hij weer teruggegaan naar het crematorium. In aanmerking nemende dat de plaats [plaats] niet beperkt is tot de bebouwde kom maar ook een groot buitengebied kent, is het oordeel van het hof dat de mishandeling heeft plaatsgevonden in [plaats] niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dat de precieze locatie van de mishandeling niet bekend is geworden maakt dat niet anders.
3.3
Voor het bewijs van het zwaar lichamelijk letsel van de aangever zijn de volgende bewijsmiddelen gebruikt:
“IV. Het geschrift, te weten medische informatie/letselbeschrijving van [arts 1] , forensische arts, pagina 590 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Informatie ontvangen van chirurg [medisch centrum 1] over behandeling aldaar op de spoedeisende hulp op 06-05-2016.
Er was een bloeduitstorting rondom het rechteroog. Linker been is gezwollen door een bloeduitstorting. CT-scan van het hoofd toonde een breuk van de rechter kaakholte op 2 plekken. Breuk van de oogkasbodem. Röntgenfoto van de rechter toonde dat het sleutelbeen uit de kom was.
V. Het rapport Forensisch geneeskundig onderzoek van het NFI d.d. 25 oktober 2016, pagina’s 593-600 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Uit onderzoek door forensisch arts [medisch centrum 2] [arts 2] bleek dat er bij [slachtoffer] een dwarse breuk aan het linkerkuitbeen ter hoogte van de knie was, een verbreding van de gewrichtsspleet tussen het sleutelbeen en de schouder rechts.
Op de CT-scan van het aangezicht werden zwellingen (induraties) waargenomen aan de rechterzijde van het aangezicht, de rechteronderkaak en de rechterwang, rechts op het voorhoofd, aan de oogleden van het rechteroog en aan de linkerwang. Daarbij waren er breuken van de rechterneusbijholte aan de binnenwaartse en aan de buitenwaartse zijde (‘de
mediale begrenzing en de laterale begrenzing van de sinus maxillaris’), aan het rechterjukbeen (‘arcus zygomaticus’) en aan de rechteroogkasbodem (‘orbitabodem’), met verplaatsing van oogkasinhoud naar benedenwaarts (‘verplaatsing van orbitaal vet naar caudaal’).
De bij [slachtoffer] waargenomen breuken en weke delenzwellingen in het aangezicht en ter hoogte van de linkerknie zijn passend bij meerdere botsende geweldinwerkingen op het gelaat en tenminste één botsende geweldinwerking zijwaarts op de linkerknie.”
3.4
Het (op dit punt) bevestigde vonnis van de rechtbank houdt voorts in:
“Uit de medische informatie blijkt dat er bij aangever sprake was van een bloeduitstorting rondom zijn rechteroog, een gezwollen linkerbeen door een bloeduitstorting en dat zijn rechter kaakholte op twee plekken gebroken was. Ook was zijn oogkasbodem gebroken en zijn sleutelbeen uit de kom. De forensische arts constateerde tevens dat er sprake was van een dwarse breuk aan het linkerkuitbeen ter hoogte van de knie en een verbreding van de gewrichtsspleet tussen het sleutelbeen en de schouder rechts. De waargenomen breuken en weke delenzwellingen in het aangezicht en ter hoogte van de linkerknie zijn volgens de arts passend bij meerdere botsende geweldinwerkingen op het gelaat en tenminste één botsende geweldinwerking zijwaarts op de knie. (…)
De rechtbank concludeert dat er sprake is geweest van zodanig uitgeoefend geweld dat aangever daardoor het genoemde letsel heeft opgelopen. De rechtbank overweegt hierbij dat het letsel van aangever zwaar lichamelijk letsel is in de zin van artikel 303 Wetboek van Strafrecht.”
3.5
In zijn overzichtsarrest van 3 juli 2018 is de Hoge Raad ingegaan op het begrip ‘zwaar lichamelijk letsel’. Uit dat arrest volgt dat als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van ‘zwaar lichamelijk letsel’ sprake is, in elk geval kunnen worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Een veelvoorkomende categorie letsel betreft (bot)fracturen. Indien sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Overigens kan relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen. De beantwoording van de vraag of letsel als ‘zwaar lichamelijk letsel’ moet worden aangemerkt, is in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zijn oordeel daarover kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Als echter uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie.5.
3.6
Uit de bewijsvoering blijkt dat het slachtoffer ten gevolge van het mede door de verdachte toegepaste geweld diverse bloeduitstortingen, breuken in kaakholte, oogkasbodem en het linkerkuitbeen en een gewrichtsspleet tussen sleutelbeen en schouder heeft opgelopen. Hij is in het ziekenhuis op de spoedeisende hulp door een chirurg behandeld, maar wat daar voor behandeling heeft plaatsgevonden blijkt niet uit de bewijsvoering. Het op deze omstandigheden gebaseerde oordeel van het hof dat zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in art. 303 Sr (in verbinding met art. 302 Sr) is toegebracht, is – mede gelet op wat hiervoor is vooropgesteld – niet toereikend gemotiveerd, nu ten aanzien van zowel de botbreuken in de kaakholte als de botbreuk in de oogkasbodem en het linkerkuitbeen nadere vaststellingen in het bijzonder over de noodzaak en de aard van medisch, al dan niet operatief ingrijpen en ook het uitzicht op herstel ontbreken.
3.7
Het middel is terecht voorgesteld.
4. Slotsom
4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑11‑2025
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het onder 2 en 5 tenlastegelegde (vrijspraak rechtbank), het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigd ten aanzien van de opgelegde straf en in zoverre opnieuw recht gedaan en het vonnis waarvan beroep voor het overige – met verbetering van gronden – bevestigd.
Dit staat niet met zoveel woorden in het middel, maar de geformuleerde klachten zien slechts op dit feit.
Een blik op Google Maps leert dat dat een straat is in [plaats] , dichtbij het crematorium.
Vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, NJ 2020/200, m.nt. H.D. Wolswijk, HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1969, NJ 2021/20, HR 17 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:571, NJ 2022/317, m.nt. H.D. Wolswijk en HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1486, NJ 2022/346.
Beroepschrift 20‑01‑2024
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt, en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch d.d. 12 september 2024, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Daarnaast heeft het hof een beslissing genomen op de vordering benadeelde partij.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 82 en 303 Sr alsmede art. 359, 415 en 423 Sv, en wel omdat uit de bewijsmiddelen niet althans niet zonder meer kan volgen dat verdachte op 6 mei 2016 te [a-plaats], tezamen en in vereniging met anderen, aan [slachtoffer] opzettelijk met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Meer in het bijzonder kan niet volgen dat het bewezenverklaarde feit gepleegd is in [a-plaats] terwijl het oordeel van de rechtbank — zoals bevestigd door het hof — dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onvoldoende met redenen is omkleed nu de rechtbank — zoals bevestigd door het hof — geen nadere en concrete vaststellingen heeft gedaan ten aanzien van de (eventuele) noodzaak en aard van (invasief) medisch ingrijpen en de duur van en het uitzicht op (volledig) herstel hetgeen ook niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
Het arrest kan dan ook niet in stand blijven.
Toelichting
1.1
In het vonnis d.d. 30 april 2021 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant onder meer bewezen verklaard, dat verdachte:
‘1.
op 6 mei 2016 te [a-plaats], tezamen en in vereniging met anderen, aan [slachtoffer] opzettelijk met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten
- *
fracturen (o.a. de rechter kaakholte en de oogkasbodem en de neusbijholte en het rechterjukbeen en het linkerkuitbeen (ter hoogte van de knie) en
- *
een ontwrichting ter hoogte van het sleutelbeen
heeft toegebracht door deze meermalen met (aanzienlijke/forse) kracht tegen diens hoofd en/of in diens gelaat en tegen diens overige lichaamsdelen te schoppen/trappen en/of stompen/slaan;’
1.2
Ten behoeve van de bewezenverklaring heeft de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaarde locatie en het letsel als bewijs voor het bewijs gebruikt:
- ‘I.
Het proces-verbaal aangifte, pagina's 496–498 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
‘Op 10 mei 2016 deed [slachtoffer] aangifte van zware mishandeling gepleegd op 6 mei 2016 in de bossen in de omgeving van [a-plaats]. De aangifte werd opgenomen in het [ziekenhuis 1] te [b-plaats]. [slachtoffer] verklaarde:
Ik doe aangifte van zware mishandeling gepleegd in de bossen in de omgeving van [a-plaats].
(…)
Ik werd toen neergezet; Ik zag en voelde een enorme schop tegen mijn linker bovenbeen. Ik voelde een hevige pijn in mijn been. Ik voelde en zag vanaf dat moment dat ik over heel mijn lijf en hoofd werd geslagen en geschopt. Ik weet vanaf dat moment ook niets meer. Ik denk dat ik bewusteloos ben geweest. Ik kwam weer bij na enige tijd. Ik voelde dat ik gewond was. Ik voelde dat ik niet meer kon lopen. Ik voelde ook pijn in mijn gezicht en hoofd.
(…)’
- IV.
Het geschrift, te weten medische informatie/letselbeschrijving van [specialist 1], forensische arts, pagina 590 van voornoemd eind-proces-verbaal, ; inhoudende, zakelijk weergegeven:
‘Informatie ontvangen van chirurg [ziekenhuis 2] over behandeling aldaar op de spoedeisende hulp op 06-05-2016. , Er was een bloeduitstorting rondom het rechteroog. Linker been is. gezwollen door een bloeduitstorting. CT-scan van het hoofd toonde een breuk van de rechter kaakholte op 2 plekken. Breuk van de oogkasbodem. Röntgenfoto van de rechter toonde dat het sleutelbeen uit de kom was.’
- V.
Het rapport Forensisch geneeskundig onderzoek van het NFI d.d. 25 oktober 2016, pagina's 593–600 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
‘Uit onderzoek door forensisch arts [specialist 2] bleek dat er bij [slachtoffer] een dwarse breuk aan het linkerkuitbeen ter hoogte van de knie was, een verbreding van de gewrichtsspleet tussen het sleutelbeen en de schouder rechts.
Op de CT-scan van het aangezicht werden zwellingen (induraties') waargenomen aan de rechterzijde van het aangezicht, de rechteronderkaak en de rechterwang, rechts op het voorhoofd, aan de oogleden van het rechteroog en aan de linkerwang. Daarbij waren er breuken van de rechterneusbijholte aan de binnenwaartse en aan de buitenwaartse zijde (‘de mediale begrenzing en de laterale begrenzing van de sinus maxillaris’), aan het rechterjukbeen (‘arcus zygomaticus’) en aan de rechteroogkasbodem (‘orbitabodem’), met verplaatsing van oogkasinhoud naar benedenwaarts (‘verplaatsing van orbitaal vet naar caudaal’).
De bij [slachtoffer] waargenomen breuken én weke delenzwellingen in het aangezicht en ter hoogte van de linkerknie zijn passend bij meerdere, botsende geweldinwerkingen op het gelaat en tenminste één botsende geweldinwerking zijwaarts op de linkerknie.’
1.3
Tegen het vonnis heeft verdachte hoger beroep ingesteld. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is onder meer gerelateerd dat mr. K. Blonk, advocate te Rotterdam, het woord tot de verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. Hierin is onder meer aangevoerd:
‘Het volgende punt is overigens van groot belang mbt de beelden: het is helemaal niet duidelijk geworden waar de vermeende mishandeling zou hebben plaatsgevonden.
[slachtoffer] beweert dat hij een oorbel en mogelijk een kies is kwijtgeraakt op die plek.53 In een latere Verklaring mist hij opeens een Rolex type Pepsi Detona mist.54 (In zijn eerste verklaringen rept hij met geen woord, terwijl het toch om een heel duur horloge van een overleden vriend gaat).
De politie heeft tweemaal onderzoek gedaan naar de plek waar het allemaal gebeurd zou zijn, zelfs met op bloed gespecialiseerde honden.
Er zijn geen sporen van bloed gevonden of aanwijzingen dat er een gevecht heeft plaatsgevonden.55 Er is nergens een oorbel, een kies of een Rolex aangetroffen. Dat zou wel logisch zijn geweest, afgaande op zijn verklaringen. Er kan dan ook niet vastgesteld worden waar [slachtoffer] mishandeld (als hij al mishandeld is natuurlijk).
In de auto, waarmee [slachtoffer] zegt vervoerd te zijn naar de plek, is geen enkel spoor van [slachtoffer] aangetroffen- Ook niet van [verdachte] of de medeverdachten.56 Buiten de verklaring van [slachtoffer] blijkt daarom verder nergens anders uit of hij inderdaad met een auto naar de PD is gebracht en zo ja met welke.
Volgens het dossier is dat het bewijs dat [slachtoffer] in de tussentijd (dus tussen vertrek en terugkeer van de verdachten) is mishandeld door [verdachte] en de medeverdachten. In het dossier worden afstanden gemeten en daar komt dan uit dat de verdachten 11 minuten de tijd gehad om [slachtoffer] te mishandelen en terug te brengen.58
Maar ais niet eens vastgesteld kan worden waar de mishandeling zou hebben plaatsgevonden en hóe [slachtoffer] naar de beweerdelijke PD is gegaan en weer terug is gegaan, dan hebben de pv's die zien op tijden en afstanden en met name de conclusies die daaruit ten aanzien van [verdachte] worden getrokken, ook geen (bewijs)waarde.
(…)
[verdachte] ontkent dat hij bij een mishandeling in een bos verderop betrokken is geweest.
(…)’
1.4
In het arrest d.d. 12 september 2024 heeft het hof te 's‑Hertogenbosch onder meer overwogen/geoordeeld:
‘Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis, met verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg komt de daarmee samenhangende overweging van de rechtbank, dus voor zover die ziet op de opgelegde straf, te vervallen en wordt deze in zijn geheel vervangen op de wijze als hierna vermeld.’
1.5
Uit de gebruikte bewijsmiddelen kan (al) niet volgen dat het feit gepleegd is in [a-plaats], zoals bewezen is verklaard. Uit de voor het bewijs gebruikte aangifte blijkt (slechts) dat het feit volgens aangever gepleegd is gepleegd in de bossen in de omgeving van [a-plaats] waaruit niet althans niet zonder meer kan volgen dat het feit daadwerkelijk in [a-plaats] is gepleegd zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.1. Dit klemt te meer nu de verdediging in hoger beroep uitdrukkelijk het verweer heeft gevoerd dat de verklaringen van aangever onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt en dat onvoldoende ander bewijs voorhanden is. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte uit camerabeelden heeft afgeleid dat aangever, verdachte en een aantal andere beweerdelijke medeplegers in een bepaalde periode niet zichtbaar zijn geweest op camerabeelden en de aanname dat het beweerdelijke feit dus net in die periode zou zijn gepleegd onbegrijpelijk is. Daartoe is onder meer aangevoerd dat er onderzoek is gedaan naar de beweerdelijke locatie waar het feit zou zijn gepleegd maar de politie nergens sporen heeft aangetroffen waaruit volgt dat daar het feit zou zijn gepleegd zodat de aanname dat het feit in de betreffende periode is/kan zijn gepleegd onjuist althans onbegrijpelijk is.
1.6
Voorts schiet de bewezenverklaring ten aanzien van het bewezenverklaarde zwaar lichamelijk letsel te kort. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Een veelvoorkomende categorie letsel betreft (bot)fracturen. Indien sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Overigens kan relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen. Indien uit de bewijsvoering niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie.2.
1.7
Het oordeel van de rechtbank — zoals bevestigd door het hof — dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onvoldoende met redenen omkleed nu de rechtbank-zoals bevestigd door het hof-geen nadere en concrete vaststellingen heeft gedaan over de (eventuele) noodzaak en aard van (invasief) medisch ingrijpen en de duur van en het uitzicht op (volledig) herstel welke gezichtspunten ook niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid.3.
1.8
Het arrest kan dan ook niet in stand blijven.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 20 januari 2024
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑01‑2024
Vgl. o.m. HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7678; HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4448 en HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3653.
Vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051.
HR 18 oktober 2022, NJ 2022/346. Dat de gebruikte bewijsmiddelen het nodige moeten inhouden over de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel, volgt ook uit