Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.7
IX.7 Betekenis en werking van de onschuldpresumptie in de Nederlandse strafrechtspleging
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS597494:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. wel de principiële uitspraken Amerikaans Supreme Court 4 maart 1895, 156 U.S. 432 (Coffin/United States) en House of Lords 23 mei 1935, [1935] UKHL 1 (Woolmington/ DPP). Een dergelijke stap zou in Nederland niet ondenkbaar zijn geweest, want de Nederlandse rechter schroomt in het algemeen niet ongeschreven beginselen te erkennen als bron van positief recht. Bekend is de ontwikkeling van algemene beginselen van behoorlijk bestuur en relatief recent nog bleek het zogeheten alcoholslotprogramma in strijd met het ongeschreven ne bis in idem-beginsel, zie (HR 3 maart 2015, NJ 2015, 256).
Vgl. uitvoeriger § VIII.7.
Meest opvallende – mogelijke – verandering is de ogenschijnlijk groeiende toelaatbaarheid van gevolgtrekkingen uit het zwijgen van de verdachte, zie daarover § VII.7.4.
§ VII.5.3.
§ VII.6.3.
In § III.6 is een aantal potentiële gronden kritisch besproken.
Zo’n benadering acht ik onjuist, zie § III.5.3.3; § V.5; § VII.6.3 en 7.2.
De ruimte voor uitoefening van verdedigingsrechten betreft een minimum aan rechtsbescherming waarvan het ontbreken hooguit de onredelijkheid van het bewijsvermoeden kan onderstrepen. Waarom de toekenning van die in een eerlijk proces vanzelfsprekende rechten op zichzelf zouden rechtvaardigen dat op de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie inbreuk wordt gemaakt, zie ik niet. Zie nader § VII.7.2 en tevens de bespreking van de kritiek op deze redenering in de EHRM-rechtspraak, § V.8.3.5.
Zie ter illustratie Stijnen 2011, p. 593: “Deze bewijsmaatstaf [van proof beyond reasonable doubt, JB] geldt voor de vraag of de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Voor de verwerping van een beroep op een strafuitsluitingsgrond geldt deze bewijsmaatstaf uiteraard niet.” En Nan 2016: “In het algemeen wordt aangenomen dat het in het licht van de onschuldpresumptie de vervolgende instantie is die alle onderdelen voor een veroordeling zal moeten ‘bewijzen’ (in de zin dat hij voldoende bewijsmateriaal aandraagt; het is uiteindelijk de rechter die bewijst). Bij ons zijn dat de bestanddelen van het strafbare feit. De onschuldpresumptie zal het ook door de richtlijn niet verbieden dat het daarna aan de verdachte is om voor hem bevrijdende of verontschuldigbare omstandigheden aannemelijk te maken.” Beiden leggen het internationale recht uit in het licht van het Nederlandse regime van feitenvaststelling.
Zie ter illustratie Kooijmans 2015, § 2.3 die concludeert dat de tijdigheid van strafrechtelijke reactie inmiddels onder het bereik van de hoofddoelstelling van het strafprocesrecht kan worden geschaard.
Zie § II.8, resp. § VII.4.
§ VII.4.2; § VII.5.1.
§ VII.7.4 en VII.7.5.
Hfdst. V, i.h.b. § 9.
Hfdst. VI, i.h.b. § 10.
In de hoofdstukken VII en VIII is in het bijzonder stilgestaan bij de betekenis en werking van de onschuldpresumptie in de Nederlandse strafrechtspleging. Het is niet mijn bedoeling de bevindingen uit die hoofdstukken hier samen te vatten of de afsluitende analyses uit beide hoofdstukken te herhalen. Ik volsta met enkele meer vergelijkende observaties.
Het onschuldvermoeden is als zodanig (nog) niet in het nationale positieve recht van Nederland vastgelegd. De Grondwet noch enige wet in formele zin geeft aan het gehele beginsel expliciet uitdrukking en evenmin heeft de Nederlandse rechter het beginsel met zoveel woorden erkend als algemeen ongeschreven rechtsbeginsel.1 Desondanks bestaat geen twijfel dat beide dimensies van de onschuldpresumptie in de Nederlandse strafrechtspleging gelding en betekenis hebben. Dat wordt natuurlijk in de eerste plaats zeker gesteld door de binding van Nederland aan het EVRM, het IVBPR en aan het recht van de EU. Deze studie heeft evenwel laten zien dat beide dimensies van de onschuldpresumptie de Nederlandse strafrechtspleging niet, of in elk geval niet uitsluitend, van buitenaf zijn opgedrongen. Lang voordat Nederland zich bond aan verdragen die de onschuldpresumptie bevatten, gaven de dimensies van het principe reeds richting aan de totstandkoming en ontwikkeling van facetten van het strafprocesrecht. De wetgever kende daaraan bij het opstellen en bewerken van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering betekenis toe op meerdere plaatsen en momenten, zoals bijvoorbeeld bij de vorming van het bewijsstelsel, van de regeling van de voorlopige hechtenis en van de compensatieregeling voor ondergane dwangmiddelen. Zonder eraan uitdrukkelijk te refereren beschermde ook de Hoge Raad de werking van het onschuldvermoeden. Mede daardoor is in tal van haast vanzelfsprekende karaktertrekken van het Nederlandse strafproces de onschuldpresumptie duidelijk te herkennen en is de eerbiediging ervan op hoofdlijnen verzekerd. Het verdragsrecht op de onschuldpresumptie heeft daaraan nauwelijks hoeven bijdragen en heeft ook geen fundamentele verschuivingen in de inrichting van het strafproces teweeggebracht.
Ondanks de onmiskenbare verankering van de beide dimensies van de onschuldpresumptie in de Nederlandse strafrechtspleging, kent de werking van het beginsel diverse beperkingen. Tal van meer concrete kenmerken van het stelsel doen aan het beginsel niet volmaakt recht. Ook dat geldt voor beide dimensies. De wijze waarop spanning met de onschuldpresumptie zich manifesteert en wordt geadresseerd, loopt evenwel uiteen.
De mate waarin de Nederlandse strafvordering aan de behandelingsdimensie beantwoordt, is aan verandering onderhevig. De druk op de behandelingsdimensie neemt in het strafrecht de laatste decennia toe, want diverse wijzigingen in het strafprocesrecht staan met de behandelingsdimensie op gespannen voet. Voorbeelden van dergelijke ontwikkelingen zijn de toenemende bemoeienis van media met lopende strafzaken, de afnemende terughoudendheid van sommige overheidsfunctionarissen bij het doen van uitlatingen over dergelijke zaken, de verschillende uitbreidingen van de gronden voor voorlopige hechtenis, het ‘weekendje weg’, de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voor ‘andere’ feiten dan het bewezenverklaarde feit, de dadelijke tenuitvoerlegging van sanctiebeslissingen en de voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke vrijheidsstraf. In parlementaire stukken, literatuur en rechtspraak is de spanning van dergelijke veranderingen met het onschuldvermoeden over het algemeen expliciet onder ogen gezien. Dat de onschuldpresumptie moet wijken, is in die gevallen niet het gevolg van een zekere ‘blindheid’ voor het beginsel, maar van een welbewuste afweging tegen andere, zwaarder wegende belangen. Grofweg gaat het daarbij om drie te onderscheiden belangen: het belang dat ieder krijgt wat hij verdient en niet van misdaad profiteert, het belang van een voortvarende reactie op een strafbaar feit en het belang van vrije meningsuiting en nieuwsgaring.2
De druk op de bewijsdimensie is meer constant. Voor zover voor de onschuldpresumptie van belang, is de feitenvaststelling met betrekking tot de vervulling van materiële strafbaarheidsvoorwaarden de afgelopen decennia in de kern hetzelfde gebleven.3 Dat wil niet zeggen dat kenmerken van het strafproces niet met de bewijsdimensie op gespannen voet staan, maar die spanning wordt beduidend minder onderkend en geproblematiseerd. Zo constateerde ik onder meer dat de bewijsdimensie weliswaar een richtinggevend basisprincipe is bij de feitenvaststelling in strafzaken, maar dat dat niet scherp tot uitdrukking komt in de maatstaf voor de verwerping van alternatieve scenario’s voor het bewezenverklaarde. Het criterium dat een bewijsverweer niet ‘aannemelijk’ is geworden, is diffuus en sluit niet nauwkeurig aan op de voor het bewijs van een strafbaar feit te verlangen mate van waarschijnlijkheid.4 Diezelfde maatstaf geldt voor de verwerping van excepties. Ook in die context is de onduidelijkheid ervan onwenselijk en bestaat mijns inziens in het algemeen geen goede reden om niet aan te sluiten bij het uitgangspunt dat ook over het vervuld zijn van de elementen geen redelijke twijfel mag bestaan.5 Voorts bedient de wetgever zich weliswaar niet frequent van wettelijke uitzonderingen op de door de onschuldpresumptie ingegeven verdeling van het bewijsrisico en de bewijsvoeringslast, maar voor zover dat gebeurt is geen sprake van concrete en overtuigende onderbouwing. In de toelichting op dergelijke voorstellen wordt slechts gewezen op het belang van een effectieve rechtshandhaving. Waarom juist het desbetreffende delict die grotere effectiviteit vergt en waarom dat noopt én legitimeert tot een inbreuk op het vermoeden van onschuld, blijft echter onbesproken.6 Ook de Hoge Raad stelt aan wettelijke bewijslastverschuivingen tot op heden geen autonome grenzen. Gemeentelijke bepalingen die verbieden een instrument bij zich te voeren en die vervolgens het bewijsrisico ten aanzien van de cruciale omstandigheid dat het instrument is bestemd tot het begaan van strafbare feiten bij de betrokkene leggen, heeft de Hoge Raad bijvoorbeeld aanvaard op de grond dat dergelijke ontsnappingsclausules te beschouwen zijn als bijzondere rechtvaardigingsgronden. Dat lijkt te duiden op een (formele) benadering van de bewijsdimensie waarin de (wijze van) schepping van strafuitsluitingsgronden per definitie met de onschuldpresumptie verenigbaar is.7 Het ter sauvering van bewijsvermoedens wel gebruikte argument dat de verdachte de ruimte heeft gekregen zijn verdedigingsrechten uit te oefenen en het vermoeden derhalve heeft kunnen betwisten, is als nauwelijks begrenzend te beschouwen.8 Van deze met de bewijsdimensie op gespannen voet staande elementen van het stelsel lijkt het problematische karakter minder aanvaard, zij staan minder ter discussie en op nationaal niveau worden eraan ook geen duidelijke grenzen gesteld door wetgever, rechter of doctrine.
Voor deze verschillen tussen de beide dimensies zie ik drie potentiële oorzaken, welke ook naast elkaar zouden kunnen bestaan. Een eerste verklaring voor de grotere aandacht voor en onderkenning van moeilijke rechtsvragen die de behandelingsdimensie betreffen, is dat voor nieuwigheden indringender en kritischer belangstelling bestaat. De afwegingen die aan de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie ten grondslag liggen en ook bij de formulering van mogelijke uitzonderingen erop de hoofdrol vertolken, zijn tamelijk klassiek. De wensen geen onschuldigen te veroordelen, de burger niet lichtzinnig te verplichten zich tegen beschuldigingen te verdedigen en hem een positie als autonome procespartij te bieden, staan daarbij van oudsher tegenover het belang daadwerkelijk schuldigen zoveel mogelijk te kunnen straffen. Een dergelijke afweging is van alle tijden en de wijze waarop die afweging beslag heeft gekregen in het procesrecht dat de feitenvaststelling in strafzaken regelt, is dezelfde gebleven. De gangbare wijze waarop de feiten in strafzaken worden vastgesteld, is daardoor vanzelfsprekend geworden.9 De dilemma’s die de behandelingsdimensie meebrengt zijn evenmin nieuw, maar de belangen waartegen de behandelingsdimensie het aflegt, lijken wel zwaarwegender geworden door veranderende maatschappelijke en politieke verwachtingen van het strafrecht. Zo is berechting binnen een redelijke termijn al lange tijd een belangrijk gezichtspunt bij de inrichting van het strafproces, maar dat zo snel mogelijk moet worden gereageerd op onwenselijk gedrag ten behoeve van slachtoffer en samenleving is vooral de laatste jaren een politiek speerpunt.10 Dat heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van bijvoorbeeld de strafbeschikking, de ZSM-aanpak, het weekendarrangement, de dadelijke tenuitvoerlegging van sancties en voorlopige hechtenis op nieuwe gronden. De spanning met de behandelingsdimensie van die wens tot voortvarendheid in het algemeen en van sommige van de genoemde inventies in het bijzonder, roept nieuwe vragen op, waarover wetgever, rechter en doctrine zich terecht buigen.
Een tweede (deel)oorzaak zou kunnen liggen in de historische relatie tussen de onschuldpresumptie en de Nederlandse procesvorm. Nederland kent van oudsher een meer ‘inquisitoir’ procesmodel, dat vooral door het Franse en het Duitse strafprocesrecht is beïnvloed. Terwijl kenmerken van het meer ‘adversariële’ procesmodel in Angelsaksische landen ertoe hebben bijgedragen dat daar de onschuldpresumptie als bewijslastverdelingsnorm een belangrijke plaats in de doctrine en de rechtspraak verwierf, is in Nederland de heersende opvatting geweest dat het strafrecht geen bewijslastverdeling kent.11 Bijgevolg is een bewijslastdoctrine in de Nederlandse strafrechtswetenschap niet tot wasdom gekomen. Misschien daardoor zijn de toepassing en consequenties van de bewijsdimensie minder geproblematiseerd. De Nederlandse procesvorm hoeft aan gedachtevorming over de verdeling van de bewijslast mijns inziens echter niet in de weg te staan. Ook in het Nederlandse strafproces kan en moet de vraag steeds gesteld worden wie bij welke mate van twijfel de procedure ‘verliest’.12 Men kan en moet zich eveneens afvragen onder welke omstandigheden van de verdachte een actieve bijdrage aan de waarheidsvinding mag worden verlangd en aan hem het ontbreken van die bijdrage mag worden tegengeworpen.13 En ook daarbij is de onschuldpresumptie een van de belangrijkste gezichtspunten die pleit tegen op de verdachte rustende verplichtingen. Dat thans wordt ingezet op een meer contradictoir procesmodel verkleint de praktische verschillen met andere, meer ‘adversariële’ procesmodellen en kan derhalve worden gezien als een extra reden om de betekenis van de bewijsdimensie in dat contradictoire strafproces nader te overdenken en eraan meer eigen invulling te geven.
De uitleg die het EHRM geeft aan de onschuldpresumptie is vermoedelijk ten derde verantwoordelijk voor de gesignaleerde verschillen. Zoals gezien in hoofdstuk V stelt het EHRM aan verschuivingen van de bewijslast nauwelijks grenzen, laat het ruimte voor gevolgtrekkingen uit het zwijgen van de verdachte en stuiten klachten over de gehanteerde bewijsmaatstaf en bewijswaardering af op de fourth instance-doctrine.14 Tegelijkertijd ziet het Europese Hof op de naleving van de behandelingsdimensie in meerdere opzichten streng toe.15 In het parlementair debat, in de literatuur en in de rechtspraak binnen Nederland wordt de betekenis van de onschuldpresumptie veelal beperkt tot de uit artikel 6 lid 2 EVRM voortvloeiende rechtsregels. Het EVRM werpt in de context van de behandelingsdimensie beduidend meer en concretere barrières op dan in de context van de bewijsdimensie. Staat het EVRM niet in de weg dan lijkt de onschuldpresumptie voor het overige in de Nederlandse strafrechtspleging vaak geen zwaarwegend argument.