Het cassatieberoep is op 28 juli 2023 partieel ingetrokken in dier voege dat het beroep zich niet richt tegen de door het hof ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] genomen beslissingen.
HR, 09-07-2024, nr. 22/02832
ECLI:NL:HR:2024:1005
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-07-2024
- Zaaknummer
22/02832
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1005, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑07‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:500
ECLI:NL:PHR:2024:500, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑05‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1005
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑06‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0174
JIN 2024/112 met annotatie van mr. C. van Oort
Uitspraak 09‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Verduisteringen (in persoonlijke dienstbetrekking), art. 321 en 322 Sr. 1. Aanhoudingsverzoek door gemachtigde raadsman ttz. gedaan op grond dat verdachte niet kon verschijnen omdat hij geen vrij kon krijgen van werk, door hof afgewezen o.g.v. betekening oproeping in persoon en laat moment van bericht verhindering. 2. Beperking cassatieberoep, art. 429 Sv. Heeft omstandigheid dat beroep niet is gericht tegen beslissing op vordering benadeelde partij tot gevolg dat hof na terugwijzing geen schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van die b.p. kan opleggen? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1737 m.b.t. beoordelingskader aanhoudingsverzoeken. Nu Hof niet heeft geoordeeld dat aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is en hof geen blijk heeft gegeven van belangenafweging, is afwijzing aanhoudingsverzoek ontoereikend gemotiveerd. Ad 2. Cassatieberoep is niet gericht tegen beslissingen op vorderingen van twee b.p. Gelet op deze beperking van cassatieberoep - die toelaatbaar is (vgl. HR:2020:837) - zal HR uitspraak hof vernietigen m.u.v. beslissingen op vorderingen van deze b.p. Na terugwijzing zijn die vorderingen niet meer aan de orde. Dat sluit niet de mogelijkheid uit - nu beslissing op vordering b.p. moet worden onderscheiden van beslissing tot opleggen schadevergoedingsmaatregel a.b.i. art. 36f Sr (vgl. HR:2020:232) - dat hof na terugwijzing ten behoeve van (ook) deze b.p. schadevergoedingsmaatregel oplegt. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02832
Datum 9 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 juli 2022, nummer 22-004498-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2022 houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder in:
“Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. T. Scheffer, advocaat te Amsterdam, die mededeelt door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.De raadsman zegt voorts:Mijn cliënt is er niet en ik verwacht hem ook niet. Hij kon geen vrij krijgen van zijn werk. Dat bericht heeft mij laat bereikt. De e-mail van zijn werkgever zal ik doorsturen naar de griffier.(De e-mail wordt door de griffier geprint en in het dossier gevoegd).Mijn cliënt heeft het vonnis gezien en zou er vandaag zelf ook graag wat over willen zeggen. Primair vraag ik om aanhouding van de behandeling van de zaak.(...)Het hof trekt zich terug en de voorzitter deelt daarna als beslissing van het hof mede:Het hof wijst het aanhoudingsverzoek af. Op 25 april 2022 is de oproeping aan de verdachte in persoon betekend. Nu op het laatste moment komt er bericht van verhindering. Dit vormt echter onvoldoende aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. We gaan vandaag behandelen, en u bent gemachtigd.”
2.3
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting (hierna: aanhoudingsverzoek) kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een aanhoudingsverzoek doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen. Op grond van artikel 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord.De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt.Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.In de regel mag van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en/of niet (voldoende) aan de door hem gevraagde aanvulling is voldaan.Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden - in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte - of, voordat wordt beslist op het verzoek, gelegenheid moet worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan echter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd - als dat juist zou zijn - in de hierna weer te geven belangenafweging niet tot toewijzing van het verzoek leidt.Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al - dat wil zeggen: zonder tot die belangenafweging over te gaan - afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.Wanneer zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht - waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen - en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing. (Vgl. in iets andere bewoordingen HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737.)
2.4
Het hof heeft niet geoordeeld dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid dat de verdachte niet op de terechtzitting kon verschijnen omdat hij geen vrij kon krijgen van zijn werk, niet aannemelijk is. Het hof heeft ook geen blijk gegeven van de belangenafweging als onder 2.3 vermeld. Nu het hof dit heeft nagelaten, heeft het zijn beslissing niet toereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Procedure na terugwijzing
Het cassatieberoep is - volgens de daarvan opgemaakte akte - niet gericht tegen de beslissingen van het hof over de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]. Gelet op deze beperking van het cassatieberoep - die toelaatbaar is (vgl. HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:837, rechtsoverweging 2.5) - zal de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigen met uitzondering van de beslissingen over de vorderingen van deze benadeelde partijen. Na terugwijzing zijn de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] daarom niet meer aan de orde. Dat sluit overigens niet de mogelijkheid uit - nu de beslissing op een vordering van de benadeelde partij moet worden onderscheiden van de beslissing tot het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (vgl. HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:232, rechtsoverweging 2.6.3) - dat het hof na terugwijzing ten behoeve van (ook) deze benadeelde partijen een schadevergoedingsmaatregel oplegt.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, met uitzondering van de beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2];
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2024.
Conclusie 14‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Slagend middel over ontbreken belangenafweging bij oordeel over aanhoudingsverzoek. Conclusie strekt tot vernietiging van het arrest, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02832
Zitting 14 mei 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 14 juli 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens 1, 2 en 3 "verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd" en 4 en 5 “verduistering, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Het hof heeft daarnaast een vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) toegewezen en twee vorderingen van benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld1.namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
2.1
Het eerste middel komt op tegen de afwijzing van een aanhoudingsverzoek en bevat de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft doen blijken een afweging te hebben gemaakt van alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 20222.houdt voor zover van belang in:
“Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. T. Scheffer, advocaat te Amsterdam, die mededeelt door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
De raadsman zegt voorts:
Mijn cliënt is er niet en ik verwacht hem ook niet. Hij kon geen vrij krijgen van zijn werk. Dat bericht heeft mij laat bereikt. De e-mail van zijn werkgever zal ik doorsturen naar de griffier.
(De e-mail wordt door de griffier geprint en in het dossier gevoegd).
Mijn cliënt heeft het vonnis gezien en zou er vandaag zelf ook graag wat over willen zeggen.
Primair vraag ik om aanhouding van de behandeling van de zaak.
(…)
De advocaat-generaal zegt:
Er wordt gevraagd om aanhouding, maar dat verzoek moet wel onderbouwd worden. Uit de mededeling dat de verdachte moet werken, blijkt nog niet dat hij ter zitting aanwezig wil zijn. Er moet een afweging gemaakt worden tussen het belang van de verdachte en het belang van strafvordering. De feiten zijn van lange tijd geleden. Als u komt tot de conclusie dat de verdachte ontvankelijk is in het hoger beroep, dan vind ik dat de zaak vandaag moet worden afgedaan.
Het hof trekt zich terug en de voorzitter deelt daarna als beslissing van het hof mede:
Het hof wijst het aanhoudingsverzoek af. Op 25 april 2022 is de oproeping aan de verdachte in persoon betekend. Nu op het laatste moment komt er bericht van verhindering. Dit vormt echter onvoldoende aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. We gaan vandaag behandelen, en u bent gemachtigd. Wat zijn de bezwaren tegen het vonnis?”
2.3
Het e-mailbericht dat door de raadsman op de terechtzitting van 30 juni 2022 aan het hof toegestuurd houdt voor zover van belang in:
“Van: [betrokkene 1] | [e-mailadres] .nl
(…)
Onderwerp: intrekking vrij vragen
Beste [verdachte] ,
Hierbij wil ik je mededelen dat het onmogelijk is om vandaag 30 juni vrij te geven.
De zaak staat al onderbezet en je staat ingeroosterd vandaag.
Dus graag zien we je op het werk verschijnen.”
2.4
In zijn arrest van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896, heeft de Hoge Raad nog eens uiteengezet hoe de rechter zo’n aanhoudingsverzoek moet beoordelen. Dat beoordelingskader luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“2.3 Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een verzoek doen tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging. Overeenkomstig de artikelen 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daaromtrent is gehoord.
De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten grondslag ligt. Indien zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.
In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan.
Voor het oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, volstaat evenwel niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een zich onverwacht aandienende omstandigheid, bijvoorbeeld verband houdend met ziekte van de verdachte – of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient evenwel dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing omtrent de aannemelijkheid van de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat hetgeen is aangevoerd – ware het juist – in de hierna weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds – dat wil zeggen: zonder dat tot de hierna weer te geven afweging van belangen wordt overgegaan – afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is.
Wanneer zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.
In het specifieke geval dat de verdachte wegens ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of heeft doen verzoeken, voldoet de rechter aan dit verzoek zodat de verdachte alsnog de gelegenheid krijgt aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering – dat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat – ernstig in het gedrang zou komen, wanneer het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Buiten deze situatie van verhindering wegens ziekte van de verdachte geldt in het algemeen dat niet op voorhand kan worden aangegeven hoe vorenstaande belangenafweging zal moeten uitvallen. De rechter dient deze afweging te maken in de concrete omstandigheden van het geval en, bij afwijzing van het verzoek tot aanhouding, de daarop gebaseerde beslissing te motiveren. In cassatie kan die motivering alleen op haar begrijpelijkheid worden getoetst. (Vgl. Hoge Raad 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934 en HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172.)”
2.5
De raadsman van de verdachte heeft ter onderbouwing van het aanhoudingsverzoek een e-mailbericht overgelegd waaruit volgt dat de werkgever van de verdachte heeft medegedeeld dat het onmogelijk is om hem “vandaag 30 juni vrij te geven”. Het hof heeft het verzoek tot aanhouding afgewezen en daaraan ten grondslag gelegd dat de oproeping aan de verdachte in persoon is betekend, dat het bericht van verhindering op het laatste moment komt en dat dit “onvoldoende aanleiding” vormt om de behandeling van de zaak aan te houden.
2.6
In ’s hofs motivering ligt, zo meen ik, niet besloten dat het hof van oordeel is dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geworden.3.Het hof is er kennelijk van uitgegaan dat de verdachte in verband met zijn werk niet ter terechtzitting is verschenen. Dat brengt mee dat het hof gehouden was om de door de Hoge Raad geformuleerde belangenafweging te maken. Uit de motivering van het hof blijkt evenwel niet dat het hof een afweging heeft gemaakt tussen enerzijds het aanwezigheidsrecht van de verdachte en anderzijds het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. De overweging van het hof dat het (late) bericht van verhindering “onvoldoende aanleiding” vormt om de behandeling aan te houden volstaat daartoe niet.4.Nu ’s hofs motivering geen blijk geeft van een dergelijke belangenafweging, kunnen de door het hof genoemde gronden de afwijzing van het verzoek niet dragen.5.
2.7
Het middel slaagt.
Het tweede middel
3.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is geschonden aangezien de stukken van het geding niet binnen acht maanden nadat het cassatieberoep is ingesteld naar de griffie van de Hoge Raad zijn verzonden.
3.2
Namens de verdachte is op 27 juli 2022 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 6 juni 2023 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim twee maanden is overschreden. Nu het eerste middel slaagt, behoeft de overschrijding geen verdere bespreking. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde worden gesteld.
3.3
Het tweede middel slaagt.
Afronding
4.1
Beide middelen slagen.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑05‑2024
De zaak was op het moment van deze zitting al meer dan twee jaar bij het hof aanhangig. Uit de processen-verbaal van de terechtzittingen van het hof maak ik op dat de reden hiervoor was gelegen in de COVID-19 pandemie, verwarring over een vermeende intrekking van het hoger beroep en een fout van de administratie van het hof bij de planning van de zaak.
Vgl. HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:131, waarin dat wel het geval was.
Vgl. in dat verband EHRM 27 juli, ECLI:CE:ECHR:2021:0727JUD007263117, rov. 51 waarin het EHRM een schending van het aanwezigheidsrecht van art. 6 EVRM aannam en daartoe onder meer overwoog “that the Court of Appeal did not set out in its judgment for what reason(s) the interests to which it had regard outweighed the applicant's interest in being able to exercise her right to attend the hearing of her appeal in person.”. In die zaak had het hof de in aanmerking te nemen belangen, anders dan in de onderhavige zaak, wel aangeduid (“to which it had regard”), maar deze belangen wogen volgens het EHRM niet op tegen het aanwezigheidsrecht van de verdachte.
Vgl. bijvoorbeeld HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:65.
Beroepschrift 20‑06‑2023
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 22/02832
Betekening aanzegging: 20 juni 2023
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20220294
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Den Haag d.d. 14 juli 2022, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van vorderingen van benadeelde partijen.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging gevraagd het onderzoek aan te houden. Daartoe is aangevoerd dat verdachte geen vrij kon krijgen van zijn werk ; verdachte het vonnis heeft gezien daar graag zelf ook wat over willen zeggen.
Het hof heeft het verzoek afgewezen. Het hof heeft daartoe overwogen/geoordeeld dat op 25 april 2022 de oproeping aan de verdachte in persoon is betekend en dat op het laatste moment er bericht van verhindering komt hetgeen echter onvoldoende aanleiding vormt om de behandeling van de zaak aan te houden.
Nu niet blijkt dat het hof de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk heeft geacht heeft het hof ten onrechte niet doen blijken een afweging te hebben gemaakt tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen, zodat het onderzoek ter terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest niet in stand kunnen blijven.
Toelichting
1.1
In eerste aanleg is verdachte veroordeeld tot een één gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van vorderingen van benadeelde partijen. Tegen het vonnis heeft verdachte hoger beroep ingesteld.
1.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 juni 2022 is onder meer gerelateerd:
‘De verdachte, gedagvaard als:
(…)
is niet ter terechtzitting verschenen.
Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting ' aanwezig mr. T. Scheffer, advocaat te Amsterdam, die mededeelt door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
De raadsman zegt voorts:
Mijn cliënt is er niet en ik verwacht hem ook niet.
Hij kon geen vrij krijgen van zijn werk. Dat bericht heeft mij laat bereikt. De e-mail van zijn werkgever zal ik doorsturen naar de griffier.
(De e-mail wordt door de griffier geprint en in het dossier gevoegd}.
Mijn cliënt heeft het vonnis gezien en zou er vandaag zelf ook graag wat over willen zeggen.
Primair vraag ik om aanhouding van de behandeling Van de zaak.
(…)
De voorzitter vraagt de raadsman naar de grieven en waar die zijn neergelegd.
De raadsman antwoordt:
Er zijn grieven tegen de straf, formeel staat er nog één dag open, maar ik wil het vooral hebben over de vordering van de benadeelde partijen. Mijn cliënt heeft alles bekend en de straf is op die ene dag na uitgezeten.
Het hof trekt zich terug en de voorzitter deelt daarna als beslissing van het hof mede:
Het hof wijst het aanhoudingsverzoek af. Op 25 april 2022 is de oproeping aan de verdachte in persoon betekend. Nu op het laatste moment komt er bericht van verhindering. Dit vormt echter onvoldoende aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. We gaan vandaag behandelen, en u bent gemachtigd.
(…)’
1.3
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan op de terechtzitting worden gedaan door de betrokkene of zijn raadsman die daartoe door de betrokkene op grond van artikel 279 Sv is gemachtigd. Overeenkomstig de artikelen 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daaromtrent is gehoord. De betrokkene of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten grondslag ligt. Indien zo'n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen. In de regel mag van de betrokkene of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan. Voor het oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden — in het bijzonder of het gaat om een zich onverwacht aandienende omstandigheid, bijvoorbeeld verband houdend met ziekte van de betrokkene — of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient echter dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing omtrent de aannemelijkheid van de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat hetgeen is aangevoerd — ware het juist — in de hierna weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt. Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds — dat wil zeggen: zonder dat tot de hierna weer te geven afweging van belangen wordt overgegaan — afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Wanneer zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de betrokkene bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht — waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen — en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de betrokkene maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.1.
1.4
Nu niet blijkt dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld heeft het hof niet doen blijken een afweging te hebben gemaakt tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen, zodat het onderzoek ter terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest niet in stand kunnen blijven.
Middel II
Op 27 juli 2022 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Het hof heeft het verkorte arrest op 1 juni 2023, derhalve niet tijdig binnen de door de wet aangegeven termijn met de bewijsmiddelen aangevuld. Hoewel op dit verzuim geen nietigheid is gesteld houdt het wel in dat het hof de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen 8 maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden. De Hoge Raad heeft de stukken immers pas op 6 juni 2023 ontvangen, zodat de redelijke termijn van de berechting is geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.
Toelichting
2.1
Op 27 juli 2022 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Het hof heeft het verkorte arrest op 1 juni 2023, derhalve niet tijdig binnen de door de wet aangegeven termijn met de bewijsmiddelen aangevuld. Hoewel op dit verzuim geen nietigheid is gesteld houdt het wel in dat het hof de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen 8 maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden. De Hoge Raad heeft de stukken immers pas op 6 juni 2023 ontvangen, zodat de redelijke termijn van de berechting is geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.
2.2
Aan de verdachte zal niet kunnen worden tegengeworpen dat hij onvoldoende belang heeft bij zijn klacht nu hij zelf de oorzaak zou zijn geweest van de schending van de redelijke termijn door het instellen van het beroep in cassatie. De raadslieden van verdachte zijn immers pas in staat geweest de stukken van de zaak te bestuderen nadat hen de stukken waren toegezonden. Voorts zijn de raadslieden pas in staat geweest een cassatieschriftuur in te dienen nadat de aanzegging van de Hoge Raad was betekend. De Hoge Raad is daartoe pas in staat geweest nadat het hof de stukken van het geding naar de Hoge Raad had gezonden. Dit houdt in dat de schending van de redelijke termijn te wijten is aan de te late inzending van het dossier door het hof.
2.3
Van belang is voorts het volgende. In zijn arrest van 11 september 2012 heeft de Hoge Raad gesteld klachten over schending van de redelijke termijn af te zullen doen m.b.v. art. 80a RO, indien in die zaken alleen zou worden geklaagd over schending van de redelijke termijn, of indien in die zaken ook over andere kwesties zou worden geklaagd, welke klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.2. Op Nederland rust evenwel de plicht de rechtspleging zo in te richten, dat procedures binnen een redelijke termijn worden afgewikkeld.3. Gelet hierop dient dan ook de Hoge Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een matiging toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak ook nog een andere klacht naar voren wordt gebracht.
2.4
Voorts in de onderhavige schriftuur de verdachte ook nog andere klachten naar voren heeft gebracht die betrekking hebben op de ‘prior criminal proceedings’, zodat ook om deze reden niet kan worden gesteld dat verdachte onvoldoende belang heeft bij zijn klacht over de schending van de redelijke termijn.4. Bovendien is afdoening op basis van art. 80a RO niet aangewezen, gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn en omdat afdoening op basis van art. 80a RO inbreuk maakt op het recht van ‘effective remedy’.5.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 28 juli 2023
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑06‑2023
Vgl. HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737 alsmede HR 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:353.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241 — 245, m.nt. F.W. Bleichrodt.
EHRM 26 mei 1993, NJ 1993/466, m.nt. E.A. Alkema en EHRM 23 februari 1999, nr. 34966/97 (De Groot/Nederland) , NJ 1999/641, m.nt. G. Knigge.
EHRM 27 augustus 2013, nr. 12810/13 (Celik/Nederland) .
Zie in dit verband de reeds door F.W. Bleichrodt in zijn noot onder HR 22 januari 2013, NJ 2013/245 gemaakte opmerking en -met name- de door het EHRM aan Nederland gestelde vragen in EHRM 18 december 2018, nr. 585/19 (Nelissen/Nederland).