Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.2.3
IV.2.3 Geen cognitief voorschrift
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600897:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook Laufer 1995, i.h.b. p. 401 e.v. die verdedigt dat een cognitieve assumptie van feitelijke onschuld aan leden van de jury moet worden geïnstrueerd om de a priori partijdigheid ten nadele van de verdachte te compenseren.
Sax 1959, p. 987-988.
Zo ook Trechsel 1981, p. 319; Trechsel 2005, p. 156; Knigge 2013, p. 236.
Zie uitdrukkelijk Gomien e.a. 1996, p. 182: “[E]veryone – even the guilty – has the right to be presumed innocent until final judgment”. Zie voorts ECieRM 9 oktober 1985, nr. 10282/ 83, rep., par. 49 (Englert/Bondsrepubliek Duitsland). Vgl. ook Packer 1968, p. 161; Ashworth 2006, p. 73; De Jong & Van Lent 2016: “[...] even in cases where there is seemingly no room for the slightest doubt concerning the defendant’s wrongdoing and culpability, it is necessary to presume his innocence.”
Zie ook afwijzend over het standpunt van Sax: Krauss 1971, p. 158-159; Schubarth 1978, p. 32.
Zie in dezelfde zin Tophinke 2000, p. 184-186; Kitai 2002, p. 293.
Een derde manier waarop is getracht aan de term ‘vermoeden’ in dit kader een invulling te geven is door de onschuldpresumptie te begrijpen als cognitief van aard. Dat cognitieve gebod kan natuurlijk niet inhouden dat te allen tijde moet worden gedacht dat de in een strafzaak betrokken persoon onschuldig is. Dat komt immers neer op wat in paragraaf 2.1 een feitelijk vermoeden werd genoemd en is aldus niet te rijmen met de verdenking.
Een alternatief is vooral bepleit door Sax.1 Hij ziet de onschuldpresumptie als een psychologisch fenomeen dat in voortdurend conflict staat met de mate van verdenking.2 Onschuldvermoeden en verdenking zijn communicerende vaten. Zij strijden om voorrang in het hoofd van de strafvorderlijke autoriteiten. Hoe sterker de verdenking, hoe zwakker de presumptie van onschuld en vice versa. Een en ander culmineert in een onherroepelijke rechterlijke uitspraak die één van beide definitief doet triomferen. Zo helpt de onschuldpresumptie verklaren waarom voor bepaalde, ingrijpendere dwangmiddelen in veel strafrechtsstelsels een hogere verdenkingsgraad is vereist. Dit standpunt berust op de hypothese dat naarmate dwangmiddelen ingrijpender zijn, zij de spankracht van de onschuldpresumptie bij een gelijk blijvende verdenking meer op de proef stellen. Door bijvoorbeeld voor toepassing van voorlopige hechtenis niet te volstaan met een ‘gewone’ verdenking, maar ernstige bezwaren te vereisen, wordt die spanning verminderd. Die ernstige bezwaren zwakken het onschuldvermoeden immers af, zo is de redenering.
Aan een cognitieve conceptualisering in het algemeen en aan Sax’ begrip van schuld- en onschuldvermoeden als cognitieve tegenpolen in het bijzonder, kleven echter grote nadelen. Ten eerste is het in het algemeen onwenselijk dat een rechtsnorm zich al te veel met gedachten bemoeit. Gedachten zijn in beginsel immers vrij en dat geldt mijns inziens ook voor de gedachten van met overheidsgezag belaste functionarissen.3 Dat is niet alleen een principieel punt, maar ook pragmatisch: een cognitieve inbreuk op de onschuldpresumptie is onbewijsbaar. Daarnaast hebben functionarissen hun eigen cognitieve ideeën over de schuld van de verdachte lang niet altijd zelf in de hand. Zeker vanaf het moment dat een verdenking ontstaat, lijkt niet goed denkbaar dat een onschuldvermoeden in de gedachten van een opsporingsambtenaar nog alle ruimte krijgt. Dat kan hem bovendien ook nauwelijks worden verweten en is voor een goede vervulling van zijn taak zelfs tot op zekere hoogte noodzakelijk. Zijn intuïtie kan voor de doeltreffendheid van de opsporing van grote waarde zijn.
Sax’ verbinding tussen verdenking en onschuldpresumptie leidt er daarnaast toe dat de laatste van de twee niet of nauwelijks meer te gelden heeft als de verdenking bijzonder sterk is en alles erop wijst dat de verdachte het feit heeft gepleegd. Dat sluit niet goed aan op de gebruikelijke formulering van het beginsel, die erop duidt dat het onverkort geldt totdat het tegendeel is bewezen. Die uitleg doet bovendien een belangrijke waarde van het beginsel teniet. Juist ook in (ogenschijnlijk) uitgemaakte zaken, waarin het publiek, de media, politie en justitie van de schuld van de verdachte vast overtuigd raken, kan de onschuldpresumptie de verdachte waardevolle rechtsbescherming bieden. Voor elke, zelfs de achteraf schuldig gebleken verdachte, heeft de onschuldpresumptie die waarde.4 Daar waar de bescherming van de onschuldpresumptie het meest gewenst is, blijft zij in deze benadering echter achterwege.5 Zo bezien is er meer voor te zeggen de onschuldpresumptie een constante intensiteit toe te dichten, totdat een (onherroepelijke) veroordeling de onschuldpresumptie beëindigt.6