Onderdeel 21 van mijn conclusie voorafgaand aan HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2452.
HR, 10-03-2020, nr. 18/03983
ECLI:NL:HR:2020:394
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-03-2020
- Zaaknummer
18/03983
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:394, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑03‑2020; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:35
ECLI:NL:PHR:2020:35, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑01‑2020
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:394
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑09‑2019
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2020-0073 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NTS 2020/71
Uitspraak 10‑03‑2020
Inhoudsindicatie
Doorrijden na ongeval waarbij ander in hulpeloze toestand wordt achtergelaten (art. 7.1.b (oud) WVW 1994) en gevaar op de weg veroorzaken (art. 5 WVW 1994) door met auto vanuit parkeerstand weg te rijden waardoor tegemoetkomende bromfietser tegen auto aanrijdt ten gevolge waarvan deze van zijn bromfiets afvliegt, op straat terechtkomt en gebroken heup en dubbel gecompliceerde beenbreuk oploopt, en vervolgens weg te rijden. Heeft verdachte bestuurder van bromfiets in “hulpeloze toestand” achtergelaten a.b.i. art. 7.1.b (oud) WVW 1994, nu er omstanders waren die slachtoffer te hulp konden schieten? Opvatting dat geen sprake kan zijn van in “hulpeloze toestand” achterlaten a.b.i. art. 7.1.b (oud) WVW 1994 indien ter plaatse omstanders aanwezig zijn, is in haar algemeenheid onjuist. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/03983
Datum 10 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 5 september 2018, nummer 21/002618-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.P. van der Graaf en L.C. de Lange, beiden advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘hulpeloze toestand’ als bedoeld in artikel 7 lid 1, onder b (oud), van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), althans dat die uitleg niet zonder meer begrijpelijk is.
2.2.1
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij, door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig personenauto, merk VW, type Golf cabrio had verricht en welk verkeersongeval heeft plaats gevonden in de gemeente Nijmegen op/aan de Couwenbergstraat , op 31 december 2015 omstreeks 14.26 uur, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan [slachtoffer] schade en letsel was toegebracht en daardoor, naar hij wist [slachtoffer] aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanrijding/misdrijf (als bijlage op pagina 4-8 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2015641507) als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Locatie ongeval
Datum: 31 december 2015
Omstreeks: 14.26 uur
Adres: Couwenbergstraat
Plaats: Nijmegen
Soort weg: Een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg
De geparkeerde personenauto reed weg vanuit zijn parkeerstand en omdat dit voertuig in tegenovergestelde richting stond geparkeerd (het hof begrijpt: tegen de rijrichting van het verkeer in), had hij slecht zicht tijdens het wegrijden. Hij moest namelijk de rijbaan oversteken en zag een tegemoetkomende bromfietser, die hem frontaal naderde, niet aankomen waardoor een aanrijding ontstond.
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1996
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Adres: [b-straat 1]
Postcode plaats: [postcode] [plaats]
Betrokken partijen/objecten
Betrokken 1 (voertuig)
Personenauto, Volkswagen
Materiële schade: Rechts voor
Bestuurder: [verdachte] , voornoemd
Betrokken 2 (voertuig)
Bromfiets, [kenteken]
Materiële schade: Voorzijde
Bestuurder:
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Letsel
Bij het ongeval heeft onderstaand persoon letsel opgelopen.
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Letsel: gebroken onderbeen, breuk gecompliceerd, rechterknie en bekken met heup uit de kom
Relatie tot aanrijding: bestuurder van bromfiets [kenteken]
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van getuigenverhoor (als bijlage op pagina 11-12 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2015611507) inhoudende de verklaring van [getuige] :
Ik reed in mijn auto over de Couwenbergstraat te Nijmegen. Ik zag dat voor mij aan de linkerzijde van de weg een Volkswagen Golf Cabrio geparkeerd stond langs het trottoir. Ik zag dat de Golf wegreed uit de parkeerstand, voor/achter een witte bestelwagen. Ik zag dat er vanuit de tegenovergestelde richting een brommer aan kwam rijden. Ik zag dat de Golf en de brommer tegen elkaar botsten. Ik zag dat de Golf aan de rechtervoorzijde werd geraakt, schade. Ik zag dat de brommer frontaal op de auto reed en dat de bestuurder van de brommer op de straat terechtkwam. Ik zag dat de bestuurder van de Golf uitstapte, hij zat alleen in de Golf. Ik zag dat de bestuurder van de Golf kort daarop weer in de Golf stapte en wegreed. De bestuurder kwam op mij paniekerig over. Ik bedoel daarmee dat hij snel instapte en alles snel/schichtig deed. Ik zag dat de auto wegreed. Enige tijd later zag ik de Golf weer terugkomen. Ik zag dat dezelfde bestuurder uitstapte en de stoep opliep.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van benadeelde (als bijlage op pagina 13-14 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2015641507) inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :
Ik ben 31 december 2015 betrokken geweest bij een aanrijding tussen een personenauto en mijzelf. Ik reed op een bromscooter. Ik zag ineens een personenauto, die daar geparkeerd had gestaan, aan de rechterzijde van de weg op mij afkomen. Die auto kwam deels met zijn voorzijde op mijn rijstrook en ik botste vol op de rechtervoorzijde van die auto. Hierdoor kwam ik ten val. Volgens de artsen heb ik mijn heup gebroken en aan mijn rechterbeen een dubbel gecompliceerde beenbreuk. Ik heb erg veel pijn en wordt vanmiddag weer geopereerd.
4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] , van 4 januari 2016 (als bijlage op pagina 15-16 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2015641507), als verklaring van een arts van het Radboud UMC, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
A. Uitwendig waargenomen letsel:
Open Crurisfractuur + forse wond rechts (onderbeen).
Tibiaplateaufractuur re (knie).
Acetabulumfractuur re met dorsale luxatie femurkop (bekken met heup uit de kom).
D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht:
31-12-2015.
F. Geschatte duur van de genezing:
3-6 maanden.
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte (als bijlage op pagina 42-43 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2015641507) inhoudende de verklaring van [verdachte] :
Op 31 december 2015 reed ik in de personenauto van mijn vader. Dit betreft een Volkswagen Golf. Ik ben naar de Couwenbergstraat gereden en heb daar de auto geparkeerd. Ik had de auto met de voorzijde in de richting van de Hatertseweg geparkeerd, dus niet in de rijrichting van het verkeer. Ik wilde wegrijden. Ik reed net enige centimeters de weg op, om goed zicht te krijgen op de rijbaan en hoorde en zag toen een harde knal en zag dat er een bromfietser tegen de rechter voorkant van de auto aanreed en van zijn bromfiets afvloog. Ik ben door de schrik snel naar het huis van mijn moeder gereden. Ik heb mijn moeder met mijn mobiele telefoon gebeld. Ik heb haar uitgelegd wat er gebeurd was en zij vertelde mij dat ik onmiddellijk terug moest gaan naar de plaats van de aanrijding. Toen ik weer terugkwam bij de plaats van de aanrijding zag ik de politie. De ambulance reed net weg. Ik ben toen ter plaatse door u aangesproken en vervolgens aangehouden omdat ik verdacht werd van het veroorzaken van een aanrijding, waarbij de bromfietser mogelijk zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de Verkeers Ongevallen Analyse (als bijlage op pagina 18-37 van het proces-verbaal genummerd PL06-2015641507) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Voertuigen
Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:
Personenauto, merk VW, type Golf, met één inzittende.
Bromfiets, merk Turbho, type CX-50, met één opzittende.
Oorzaak toedracht en gevolg
De bestuurder van de scooter reed over de Couwenbergstraat, komende vanuit de richting van de Hatertseweg. De VW stond achter de bestelbus geparkeerd, gezien zijn rijrichting aan de linkerzijde van de rijbaan. De VW stond met de voorzijde in de richting van de Hatertseweg. De bestuurder van de VW reed weg vanuit de parkeerstand en stuurde zijn voertuig naar rechts, om langs de bestelbus te rijden. Tegengesteld aan de rijrichting van de VW reed de scooter. De bestuurder van de VW verleende de scooter geen vrije doorgang. Hierdoor botste de voorzijde van de scooter tegen de rechter voorzijde van de VW. Vermoedelijk schampte het rechterbeen van de bestuurder van de scooter de voorzijde van het rechter voorwielscherm van de VW. Na het ontstaan van het ongeval reed de bestuurder van de VW door en verleid (het hof begrijpt: verliet) de plaats van het ongeval. Op een later tijdstip parkeerde de bestuurder van de VW de VW op de door ons aangetroffen situatie.”
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar onder meer het volgende aangevoerd:
“Er is een aanrijding ontstaan in het verkeer waarbij verdachte betrokken is geweest. Het ongeluk heeft plaatsgevonden in een drukke straat in Nijmegen. De verdachte is daar zodanig van geschrokken dat hij in paniek is weggereden. Hij heeft na de hectiek besloten om terug te keren. Hij heeft zich binnen een uur na het incident vrijwillig bij de politie gemeld. Op het moment dat hij de plaats van het verkeersongeval heeft verlaten, heeft verdachte gezien dat mensen zich om het slachtoffer hebben bekommerd. (...) Het subsidiaire verzoek luidt dat verdachte van feit 1 moet worden vrijgesproken.
(...)
De verdachte ontkent niet dat hij een aanrijding heeft gehad met aangever maar hij is in eerste instantie niet op de hoogte geweest van het letsel dat daarbij is opgelopen. Als hij hiermee bekend zou zijn geweest, zou hij hulp hebben verleend.”
2.2.4
Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:
“Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken nu hij de bestuurder van de bromfiets niet in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. Het verkeersongeluk heeft in een drukke straat plaatsgevonden. Verdachte heeft gezien dat er mensen naar de bestuurder van de bromfiets toe gingen om te helpen en hij is pas daarna weggereden. (...)
Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder het volgende.
Artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 strekt ertoe dat degene die bij een verkeersongeval is betrokken een daarbij gewond geraakte persoon waar mogelijk zelf onmiddellijk hulp biedt. Ook als het verkeersongeluk op een drukke straat plaatsvindt kan de betrokkene er niet gemakshalve op vertrouwen dat anderen voor de gewonde persoon zullen zorgen, zonder dat hem is gebleken dat op dat moment daadwerkelijk hulp aan de gewonde persoon wordt geboden. Door zichzelf niet om de bestuurder van de bromfiets te bekommeren, heeft verdachte de bestuurder van de bromfiets in hulpeloze toestand achtergelaten. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman strekkende tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde.”
2.3
De tenlastelegging is onder 1 toegesneden op artikel 7 lid 1 (oud) WVW 1994. Daarom moeten de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘hulpeloze toestand’ geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in artikel 7 lid 1, onder b (oud), WVW 1994.
2.4
Artikel 7 lid 1 WVW 1994 luidde ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde feit:
“Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:
a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;
b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.”
2.5
Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat geen sprake kan zijn van het in ‘hulpeloze toestand’ achterlaten als bedoeld in artikel 7 lid 1, onder b (oud), WVW 1994 indien ter plaatse omstanders aanwezig zijn. Die opvatting is in haar algemeenheid onjuist.
2.6
Het cassatiemiddel kan niet tot cassatie leiden.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2020.
Conclusie 21‑01‑2020
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G over de uitleg van het begrip ‘hulpeloze toestand’ als bedoeld in art. 7, eerste lid, aanhef en onder b, Wegenverkeerswet 1994. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/03983
Zitting 21 januari 2020
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 5 september 2018 wegens 1 “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en 2 “overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot (ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde) een taakstraf voor de duur van negentig uren, subsidiair 45 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden en (ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde) een taakstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair 25 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden; met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge art. 164 WVW reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.P. van der Graaf en mr. L de Lange, beiden advocaat te Utrecht, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel behelst de klacht dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip hulpeloze toestand als bedoeld in art. 7, eerste lid, aanhef en onder b, Wegenverkeerswet 1994, althans dat de gegeven uitleg niet zonder meer begrijpelijk is.
Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 bewezen verklaard dat:
“hij, door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig personenauto, merk VW, type Golf cabrio had verricht en welk verkeersongeval heeft plaats gevonden in de gemeente Nijmegen op/aan de Couwenbergstraat, op 31 december 2015 omstreeks 14.26 uur, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan [slachtoffer] schade en letsel was toegebracht en daardoor, naar hij wist [slachtoffer] aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;”
Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 22 augustus 2018 blijkt dat de raadsman van de verdachte het volgende heeft aangevoerd:
“Er is een aanrijding ontstaan in het verkeer waarbij verdachte betrokken is geweest. Het ongeluk heeft plaatsgevonden in een drukke straat in Nijmegen. De verdachte is daar zodanig van geschrokken dat hij in paniek is weggereden. Hij heeft na de hectiek besloten om terug te keren. Hij heeft zich binnen een uur na het incident vrijwillig bij de politie gemeld. Op het moment dat hij de plaats van het verkeersongeval heeft verlaten, heeft verdachte gezien dat mensen zich om het slachtoffer hebben bekommerd. Omdat de verdachte zich binnen twaalf uur na het ongeval vrijwillig heeft gemeld bij de politie, heeft de situatie van artikel 184 van de Wegenverkeerswet 1994 zich voorgedaan. Dit houdt in dat er sprake is van een strafuitsluitingsgrond. De verdediging wijst in dit verband ook op een uitspraak van dit hof van 10 mei 2017, die vergelijkbaar is met de onderhavige zaak (vgl. ECLI:NL:GHARL:2017:3838). Het openbaar ministerie dient om die reden primair niet-ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging ten aanzien van feit 1.
Het subsidiair verzoek luidt dat verdachte van feit 1 moet worden vrijgesproken.
(…)
De verdachte ontkent niet dat hij een aanrijding heeft gehad met aangever maar hij is in eerste instantie niet op de hoogte geweest van het letsel dat daarbij is opgelopen. Als hij hiermee bekend zou zijn geweest, zou hij hulp hebben verleend.”
6. Het hof heeft dit verweer verworpen en heeft in dit verband het volgende overwogen:
“De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken nu hij de bestuurder van de bromfiets niet in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. Het verkeersongeluk heeft in een drukke straat plaatsgevonden. Verdachte heeft gezien dat er mensen naar de bestuurder van de bromfiets toe gingen om te helpen en hij is pas daarna weggereden. De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.
(…)
Artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 strekt ertoe dat degene die bij een verkeersongeval is betrokken een daarbij gewond geraakte persoon waar mogelijk zelf onmiddellijk hulp biedt. Ook als het verkeersongeluk op een drukke straat plaatsvindt kan de betrokkene er niet gemakshalve op vertrouwen dat anderen voor de gewonde persoon zullen zorgen, zonder dat hem is gebleken dat op dat moment daadwerkelijk hulp aan de gewonde persoon wordt geboden. Door zichzelf niet om de bestuurder van de bromfiets te bekommeren, heeft verdachte de bestuurder van de bromfiets in hulpeloze toestand achtergelaten. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman strekkende tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde.”
7. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het hof het volgende heeft vastgesteld:
(i) De verdachte bestuurde een personenauto, reed weg vanuit parkeerstand en zag de hem tegemoetkomende bromfietser, die hem frontaal naderde, niet aankomen, waardoor een botsing ontstond (bewijsmiddel 1);
(ii) De brommer reed frontaal op de auto af en de bromfietser kwam op de straat terecht (bewijsmiddel 2);
(iii) De aangever heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij een aanrijding tussen een personenauto en hemzelf, waarbij hij op een bromscooter reed. Hij kwam ten val en heeft volgens artsen zijn heup gebroken. Aan zijn rechterbeen heeft hij een “dubbel gecompliceerde beenbreuk”. Hij heeft erg veel pijn en wordt weer geopereerd (bewijsmiddel 3);
(iv) Uit de tot het bewijs gebezigde geneeskundige verklaring blijkt dat de aangever een fractuur en forse wond aan zijn rechter onderbeen heeft opgelopen alsmede een fractuur aan zijn knie. Voorts wordt gesproken over een “bekken met heup uit de kom”. De geschatte duur van de genezing bedraagt drie tot zes maanden (bewijsmiddel 4);
(v) De verdachte heeft verklaard dat hij wilde wegrijden en toen een harde knal hoorde. Hij zag dat er een bromfietser tegen de rechter voorkant van de auto aanreed en “van zijn bromfiets vloog”. Hij voorts verklaard dat hij van schrik snel naar het huis van zijn moeder is gereden, dat zijn moeder hem heeft verteld dat hij terug moest gaan en dat de ambulance net wegreed toen hij terugkwam (bewijsmiddel 5).
8. Art. 7, eerste lid, WVW 1994 luidt als volgt:
“Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:
a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;
b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.”
9. Het onder 1 ten laste gelegde feit is toegesneden op art. 7, eerste lid, WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term "hulpeloze toestand" moet daarom worden geacht aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling onder b.
10. De stellers van het middel betogen dat van een ‘hulpeloze toestand’ als bedoeld in art. 7, eerste lid, aanhef en onder b, WVW 1994 geen sprake kan zijn als de verdachte zich ervan heeft vergewist dat er omstanders waren die het slachtoffer te hulp konden schieten, voordat hij de plaats van het ongeval verliet. Het hof zou – door anders te oordelen – zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. De stellers van het middel wijzen in dat verband onder meer op mijn eerder ingenomen standpunt dat de term ‘hulpeloze toestand’ duidt op het ontbreken van hulp. Ik betoogde in dat verband dat indien aan het slachtoffer reeds adequate hulp wordt geboden, bijvoorbeeld doordat een arts of verpleger zich over het slachtoffer ontfermt, er geen sprake is van een hulpeloze toestand.1.
11. In dezelfde conclusie merkte ik echter ook op dat het mij te ver gaat aan te nemen dat het bewijs dat de verdachte het slachtoffer in een hulpeloze toestand heeft achtergelaten niet is te leveren indien het verkeersongeval in een stad of in een dorpskern heeft plaatsgevonden, omdat er dan bijna altijd getuigen van het ongeval zijn, die zich kunnen ontfermen over het slachtoffer. Ik merkte op dat voor straffeloosheid onvoldoende is dat de bij een verkeersongeval betrokkene er gemakshalve op vertrouwt dat omstanders voor het slachtoffer zullen zorgen, zonder dat hem is gebleken dat die hulp op dat moment daadwerkelijk wordt geboden. Een andere visie staat haaks op de ratio van de strafbaarstelling, waarbij van de bij het ongeval betrokkene wordt gevergd dat hij zich bekommert om het hulpbehoevende slachtoffer.2.Van de bij het ongeval betrokkene wordt meer verwacht dan te vertrouwen op de komst van een barmhartige Samaritaan. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest in de desbetreffende zaak dat de opvatting dat slechts sprake kan zijn van het in hulpeloze toestand achterlaten als bedoeld in art. 7, eerste lid onder b, WVW 1994 indien 'de ander' niet op eigen kracht hulp kan inroepen onjuist is.
12. In de onderhavige zaak is in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte, op het moment dat hij de plaats van het ongeval verliet, heeft gezien dat mensen zich om het slachtoffer hebben bekommerd. Mede gelet op die omstandigheid, is (subsidiair) verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde. Het hof heeft in reactie op dit verweer overwogen dat ook als het verkeersongeluk op een drukke straat plaatsvindt de verdachte er niet gemakshalve op kan vertrouwen dat anderen voor de gewonde persoon zullen zorgen, zonder dat hem is gebleken dat op dat moment daadwerkelijk hulp aan de gewonde persoon wordt geboden.
13. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de hiervoor onder 7 weergegeven feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de aangever na het ongeval met een gecompliceerde dubbele beenbreuk, zijn heup uit de kom en erg veel pijn op de straat bleef liggen. Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder het daaruit volgende letsel, kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de aangever in hulpeloze toestand verkeerde. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de bewijsvoering blijkt dat de ambulance net wegreed toen de verdachte terugkwam op de plaats van het ongeval. Verder wijs ik erop dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geen enkel aanknopingspunt heeft gevonden om aan te nemen dat de verdachte zich om het lot van het slachtoffer heeft bekommerd.
14. Ik wijs er in dat verband op dat de uitleg van verweren is voorbehouden aan de feitenrechter. Die uitleg kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.3.Kennelijk heeft het hof het verweer aldus uitgelegd, dat dit inhoudt dat de verdachte heeft gezien dat er mensen op het gevallen slachtoffer afkwamen. Dat is iets anders dan dat de verdachte zou hebben gezien dat adequate hulp werd geboden door (bijvoorbeeld) een arts of verpleegkundige.4.Deze uitleg acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik aanmerking dat niet is aangevoerd dat de verdachte pas is weggereden nadat hij zich ervan had vergewist dat het slachtoffer van hulp werd voorzien. De verdachte heeft verklaard dat hij “door de schrik snel” naar het huis van zijn moeder is gereden. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat de verdachte in paniek is weggereden en dat hij aanvankelijk niet op de hoogte was van het letsel dat daarbij was opgelopen, terwijl hij hulp zou hebben verleend als hij daarvan wel op de hoogte zou zijn geweest. In de bestreden uitspraak ligt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat zich in dezen niet de situatie voordeed waarin de bestuurder ervan mocht uitgaan dat daadwerkelijk dusdanig adequate hulp werd geboden, dat geen sprake meer was van een ‘hulpeloze toestand’ als bedoeld in art. 7, eerste lid onder b, WVW 1994. Daarbij wijs ik erop dat de verdediging niet heeft aangevoerd dat op het moment dat de verdachte wegreed reeds medische hulp aan de aangever zou zijn geboden. Het hof heeft het verweer aldus verworpen op gronden die die verwerping kunnen dragen.
15. De klacht dat uit de bewijsvoering niet volgt dat de verdachte wist dat hij iemand in hulpeloze toestand achterliet, kan – gelet op het voorafgaande – evenmin slagen. Ik wijs in dit verband in het bijzonder op de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat “er een bromfietser tegen de rechter voorkant van de auto aanreed en van zijn bromfiets afvloog” en dat hij “door de schrik” snel naar het huis van zijn moeder is gereden. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de verdachte daarmee minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever letsel was toegebracht en in hulpeloze toestand werd achtergelaten, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
16. Het middel faalt.
17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑01‑2020
Onderdeel 21 van mijn conclusie voorafgaand aan HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2452, onder verwijzing naar onderdeel 5 van de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Wortel voorafgaand aan HR 10 april 2007, nr. 00249/06 (niet gepubliceerd).
Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2018, p. 219.
Een aanwijzing voor die uitleg vind ik ook in de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 5), voor zover inhoudende: “Ik reed net enige centimeters de weg op, om goed zicht te krijgen op de rijbaan en hoorde en zag toen een harde knal en zag dat er een bromfietser tegen de rechter voorkant van de auto aanreed en van zijn bromfiets afvloog. Ik ben door de schrik snel naar het huis van mijn moeder gereden.”
Beroepschrift 27‑09‑2019
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Griffienummer: S 18/03983
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE
van mr. R.P. van der Graaf en mr. L de Lange, advocaten te Utrecht aan de Muntkade 1 (3531 AK) die verklaren door nagenoemde persoon, ter zake bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd
in de zaak van:
De heer [verzoeker]
geboren op [geboortedatum]-1996, verzoeker tot cassatie van de te zijnen laste door het Gerechtshof te Arnhem op 5 september 2018 in de strafzaak onder ressortnummer 21-002618-17 gedane uitspraak, dient hierbij het navolgende middel van cassatie in.
Middel I.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder van de artikelen 350, 358 en 359 Wetboek van Strafvordering en artikel 7 lid 1, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet doordat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip hulpeloze toestand als bedoeld in dit artikel dan wel is die uitleg niet zonde meer begrijpelijk.
Toelichting
1.
Op 5 september 2018 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna; ‘het hof’) in onderhavige zaak arrest gewezen en verzoeker wegens overtreding van art. 5 en 7 Wegenverkeerswet 1994 (hierna; ‘de WvW’) voor beide feiten veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf van in totaal 140 uur en een rijontzegging voor de duur 12 maanden.
2.
Het cassatieberoep richt zich enkel tegen de bewezenverklaring van feit 1 van de tenlastelegging, de overtreding van art. 7 WvW. Verzoeker is van oordeel dat het hof een onjuiste dan wel een niet begrijpelijke uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘hulpeloze toestand’ als bedoeld in art. 7, lid 1, aanhef onder b van de WvW.
3.
Door de verdediging is ter terechtzitting uitdrukkelijk onderbouwd aangevoerd dat verzoeker van deze verdenking vrijgesproken diende te worden. Door de verdediging is daartoe het volgende aangevoerd;
- —
‘Er is een aanrijding ontstaan in het verkeer waarbij verdachte betrokken is geweest. Het ongeluk heeft plaatsgevonden in een drukke straat in Nijmegen. De verdachte is daar zodanig van geschrokken dat hij in paniek is weggereden. Hij heeft na de hectiek besloten om terug te keren. Hij heeft zich binnen een uur na het incident vrijwillig bij de politie gemeld. Op het moment dat hij de plaats van het verkeersongeval heeft verlaten, heeft verdachte gezien dat mensen zich om het slachtoffer hebben bekommerd. Omdat de verdachte zich binnen twaalf uur na het ongeval vrijwillig heeft gemeld bij de politie, heeft de situatie van artikel 184 van de Wegenverkeerswet 1994 zich voorgedaan. Dit houdt in dat er sprake is van een strafuitsluitingsgrond. De verdediging wijst in de verband ook op een uitspraak van dit hof van 10 mei 2017, die vergelijkbaar is met de onderhavige zaak (vgl. ECLI:NL:GHARLE:2017:3838). Het Openbaar Ministerie dient om die reden primair niet-ontvankelijk worden verklaard in de strafvervolging ten aanzien van feit 1. Het subsidiaire verzoek luidt dat verdachte van feit 1 moet worden vrijgesproken’
En vervolgens in dupliek
‘De verdachte ontkent niet dat hij een aanrijding heeft gehad niet aangever maar hij is in eerste instantie niet op de hoogte geweest van het letsel dat daarbij is opgelopen. Als hij hiermee bekend zou zijn geweest, zou hij hulp hebben verleend.’
4.
Het Hof verwerpt dit verweer met de volgende motivering;
‘Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat verdachte zich binnen twaalf uren na het verkeersongeval vrijwillig heeft gemeld bij de politie, zodat zich de situatie van artikel 184 van de Wegenverkeerswet 1994 voordoet. De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van verdachte.
Het hof overweegt dat het onder 1 ten laste gelegde betrekking heeft op de overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de in artikel 184 van die wet neergelegde vervolgingsuitsluitingsgrond zich uitsluitend kan voordoen na overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994. De ratio van het beperkte toepassingsbereik van artikel 184 van de Wegenverkeerswet 1994 is dat artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a van die wet primair beoogt veilig te stellen dat betrokkenen na een ongeval in staat worden gesteld de veroorzaker aansprakelijk te kunnen stellen voor de geleden schade, terwijl artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b vooral de (acute) belangen van het leven en de lichamelijke gezondheid van verkeersdeelnemers beschermt.
Overigens overweegt het hof dat hier ook niet gesproken kan worden van ‘zich vrijwillig melden’ als bedoeld in artikel 184 van de Wegenverkeerswet 1994, mede gelet op de door verdachte afgelegde verklaring op dossierpagina 43, voor zover inhoudende — zakelijk weergeven -: ‘Ik heb aan mijn moeder uitgelegd wat er gebeurd was en zij vertelde mij dat ik onmiddellijk terug moest gaan naar de plaats van de aanrijding.
(…)
Toen ik weer terugkwam bij de plaats van de aanrijding zag ik de politie. De ambulance reed toen net weg. Ik ben toen ter plaatse door u aangesproken en vervolgens aangehouden omdat ik verdacht werd van het veroorzaken van een aanrijding, waarbij de bromfietser mogelijk zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen’.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsman strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan.
Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van feit 1
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken nu hij de bestuurder van de bromfiets niet in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. Het verkeersongeluk heeft in een drukke straat plaatsgevonden. Verdachte heeft gezien dat er mensen naar de bestuurder van de bromfiets toe gingen om te helpen en hij is pas daarna weggereden. De raadsman heeft zich ten aan zien van het onder 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder het volgende.
Artikel 7, eerste lid, aanhef, en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 strekt ertoe dat degene die bij een verkeersongeval is betrokken een daarbij gewond geraakte persoon waar mogelijk zelf onmiddellijk hulp biedt. Ook als het verkeersongeval op een drukke straat plaatsvindt kan de betrokkene er niet gemakshalve op vertrouwen dat andere voor de gewonde persoon zullen zorgen, zonder dat hem is gebleken dat op dat moment daadwerkelijk hulp aan de gewonde persoon wordt geboden. Door zichzelf niet om de bestuurder van de bromfiets te bekommeren, heeft verdachte de bestuurder van de bromfiets in hulpeloze toestand achtergelaten. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman strekkende tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde.’
5.
Verzoeker acht deze motivering niet zonder meer begrijpelijk. Immers de bedoeling van de wetgever bij het strafbaar stellen van art. 7, lid 1, aanhef onder b is onmiskenbaar geweest dat een persoon die een verkeersongeval veroorzaakt en weet dat die ander daarbij letsel heeft opgelopen, achterlaat zonder dat die ander vervolgens hulp ontvangt dan wel kan ontvangen. Ik stel als voorbeeld de automobilist die 's avonds laat, in het donker op een verlaten boerenlandweggetje iemand aanrijdt en daarbij verwond. De verdachte is zich er van bewust dat er geen getuigen zijn van het incident en maakt zich vervolgens uit de voeten. Dit is een klassiek geval van iemand in hulpeloze toestand achterlaten.
6.
Dat ligt anders in onderhavige kwestie. In deze kwestie is er sprake van een verdachte die een aanrijding veroorzaakt, zich er van vergewist dat er meerdere personen op dat moment getuige zijn van de aanrijding, dan wel op dat moment aanwezig zijn in de nabijheid en vervolgens, vanuit een paniekreactie, de verkeerde keuze maakt door de plaats van het ongeval te verlaten. De gedragingen van verzoeker dienen dan ook veeleer in verband te worden gebracht met de strafbare gedragingen zoals omschreven in art. 7, lid 1, aanhef onder a, het verlaten van de plaats van een ongeval terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij iemand daarbij letsel of schade heeft toegebracht, maar uitdrukkelijk niet dat hij iemand in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. Het hof overweegt immers zelf dat art. 184 van de WvW een beperkt toepassingsbereik heeft nu artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b vooral de (acute) belangen van het leven en de lichamelijke gezondheid van verkeersdeelnemers beschermt. En daaraan is door verzoeker nu juist voldaan. Hij heeft zich ervan vergewist dat er omstanders waren die het slachtoffer te hulp konden schieten zodat er niet gesproken kan worden van iemand in een hulpeloze toestand achterlaten.
7.
Het oordeel van het hof dat art. 7, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de WvW ertoe strekt dat degene die bij een verkeersongeval is betrokken een daarbij gewond geraakte persoon waar mogelijk zelf onmiddellijk hulp biedt is op zichzelf juist, echter dat betekent niet dat wanneer de veroorzaker van dat ongeval vervolgens toch de plaats van het ongeval verlaat, hij zich dan ook schuldig maakt aan iemand in hulpeloze toestand achterlaten. Met name ook nu het hof overweegt dat er sprake was van een drukke straat waar het verkeersongeluk plaatsvond. In dat verband verwijst verzoeker ook naar de conclusie van A-G mr. Bleichrodt1. van 26 mei 2015 waarin hij concludeert dat vast dient te worden gesteld dat er voor het slachtoffer een hulpeloze toestand is ontstaan waardoor het slachtoffer afhankelijk is van de hulp van anderen. De term hulpeloze toestand duidt op het ontbreken van hulp indien aan een slachtoffer reeds adequate hulp wordt geboden. Wanneer anderen zich over het slachtoffer ontfermen kan niet worden gesproken van een hulpeloze toestand. Hiervan is in onderhavige kwestie sprake en heeft het hof aldus een verkeerde uitleg gegeven aan het begrip hulpeloze toestand als bedoeld in artikel 7 lid 1 aanhef onder b.
8.
Daarbij, zonder hier een apart middel van te maken, kan in het verlengde van het voorgestelde middel ook niet bewijsmiddelen volgen dat, zoals bewezenverklaard, verzoeker ‘wist’ dat hij iemand in hulpeloze toestand achterliet. Wetenschap impliceert immers opzet al dan niet voorwaardelijke zin. Hiervoor is betoogd dat er geen sprake was van een hulpeloze toestand. Laat staan dat verzoeker al wist dat hij iemand in hulpeloze toestand achterliet. Dit kan in ieder geval niet uit de bewijsmiddelen volgen.
Redenen waarom:
Wordt verzocht het aangedragen middel gegrond te verklaren en de strafzaak terug te wijzen naar het hof dan wel te verwijzen naar een ander hof om daar opnieuw recht te doen.
Utrecht, 27 september 2019
Gemachtigd raadsman
R.P. van der Graaf
L. de Lange
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 27‑09‑2019