NJ 2020/116
Doorrijden na ongeval. Opvatting dat slachtoffer niet in ‘hulpeloze toestand’ is achtergelaten omdat omstanders aanwezig waren, is onjuist.
HR 10-03-2020, ECLI:NL:HR:2020:394
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
10 maart 2020
- Magistraten
Mrs. W.A.M. van Schendel, A.L.J. van Strien, M.T. Boerlage
- Zaaknummer
18/03983
- Conclusie
A-G mr. F.W. Bleichrodt
- Noot
Red. Aant.
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS194796:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Verkeersstrafrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2020:394, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 10‑03‑2020
ECLI:NL:PHR:2020:35, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 21‑01‑2020
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑09‑2019
- Wetingang
Art. 7 lid 1 sub b WVW 1994 (oud)
Essentie
Doorrijden na ongeval. De opvatting dat geen sprake kan zijn van het in ‘hulpeloze toestand’ achterlaten als bedoeld in art. 7 lid 1 sub b (oud) WVW 1994 indien ter plaatse omstanders aanwezig zijn, is in zijn algemeenheid onjuist.
Samenvatting
Bewezen is verklaard dat de verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij een ander letsel heeft opgelopen en dat hij die ander in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.
Artikel 7 lid 1 WVW 1994 luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit:
“Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.