Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82 (inwerkingtredingsbesluit Stb 2019, 507), zoals aangepast door de Wet van 24 juni 2020, Stb. 2020, 225 (in werking getreden op 25 juli 2020, Stb. 2020, 286).
HR, 08-10-2024, nr. 22/01147
ECLI:NL:HR:2024:1397
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-10-2024
- Zaaknummer
22/01147
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1397, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:683
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3945
ECLI:NL:PHR:2024:683, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑06‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1397
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑02‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0220
Uitspraak 08‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Mishandeling van zijn levensgezel door haar met gebaksvorkje in haar been te steken, art. 304.1 jo. 300.1 Sr. Betekening dagvaarding in eerste aanleg en rechtsgevolgen van niet-naleving van betekeningsvoorschriften, art. 36e.1.b.2 en 422a.1 Sv. Had dagvaarding in e.a. moeten worden betekend op het door verdachte bij zijn politieverhoor opgegeven adres van zijn vriendin en kon hof (enkelvoudige kamer) oordelen dat er onvoldoende aanleiding is om zaak terug te wijzen, nu verdachte ttz. in hoger beroep had kunnen verschijnen maar ervoor heeft gekozen om daarvan af te zien? Als niet-gedetineerde verdachte niet staat ingeschreven in BRP maar van hem wel (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend is, moet uitreiking van dagvaarding o.g.v. art. 36e.1.b.2 Sv op dat adres plaatsvinden. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2002:AD5163 m.b.t. rechtsgevolgen van niet-naleving van betekeningsvoorschriften t.a.v. dagvaarding in e.a. Verdachte stond t.t.v. betekening van dagvaarding in e.a. niet ingeschreven op BRP-adres en hij was evenmin gedetineerd. Verdachte heeft bij zijn verhoor door politie wel adres opgegeven waar hij verblijft. In p-v van verhoor van verdachte vermeld adres (adres A) kan redelijkerwijs gelden als (feitelijke) woon- of verblijfplaats van verdachte a.b.i. art. 36e.1.b.2 Sv (vgl. HR:2002:AD5163). Uit stukken volgt echter niet dat dagvaarding in e.a. ter uitreiking is aangeboden op dat adres van verdachte. Gelet hierop en op wat hiervoor is vooropgesteld, is ’s hofs kennelijke oordeel dat dagvaarding in e.a. rechtsgeldig is betekend door uitreiking van dagvaarding aan medewerker OM en uitreiking op laatst opgegeven woon- of verblijfplaats volgens Informatiestaat SKDB-persoon (adres B) aan ander dan verdachte, onjuist. Vervolgens heeft hof geoordeeld dat zaak niet behoefde te worden teruggewezen naar Pr, omdat verdachte ttz. in h.b. had kunnen verschijnen om zijn verhaal te doen maar ervoor heeft gekozen daarvan af te zien. Ook dit oordeel is, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, onjuist, in aanmerking genomen dat door verdachte uitdrukkelijk gemachtigde raadsman ttz. in h.b. heeft geklaagd over betekening van dagvaarding in e.a. en heeft verzocht om terugwijzing van zaak. HR verklaart betekening van dagvaarding in e.a. nietig.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01147
Datum 8 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 18 maart 2022, nummer 23-002343-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.T. Laigsingh, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam is vernietigd, en tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in eerste aanleg geldig is betekend (uitgereikt). Het klaagt in het bijzonder dat de dagvaarding niet is betekend op het adres dat de verdachte als zijn woon- of verblijfplaats heeft opgegeven tijdens zijn verhoor door de politie en dat het hof ten onrechte is overgegaan tot de inhoudelijke behandeling van de zaak.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 maart 2022 houdt onder meer in:
“De verdachte,opgeroepen als:[verdachte]geboren [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats][a-straat 1] , [geboorteplaats] ,is niet verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. R.T. Laigsingh, advocaat te Amsterdam, die desgevraagd verklaart dat de verdachte op de hoogte is van de zitting, maar andere afspraken heeft, en hij door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen.
De raadsman vraagt het woord, krijgt het woord en voert als preliminair verweer:Mijn cliënt is bij verstek veroordeeld en hij was niet op de hoogte van de zaak. Wij stellen ons op het standpunt dat de inleidende dagvaarding nietig is, nu niet is voldaan aan de vereisten uit artikel 588 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Mijn cliënt had ten tijde van de zitting in eerste aanleg geen GBA-adres en dus had de dagvaarding verzonden moeten worden naar het door hem tijdens het verhoor opgegeven adres. Nu dit is nagelaten, dient de dagvaarding conform de voorschriften van de artikelen 588 en 588a Sv nietig verklaard te worden en dient de zaak teruggewezen te worden naar eerste aanleg, zodat mijn cliënt twee feitelijke instanties heeft die zijn zaak kunnen beoordelen.
De advocaat-generaal reageert:Ik heb de aktes voor mij en ik zie dat op het inschrijvingsadres van de verdachte is uitgereikt aan een huisgenoot. Nu geen afschrift naar het opgegeven adres is verzonden, had de zaak aangehouden moeten worden maar er is geen sprake van een nietige dagvaarding.
De raadsheer deelt als beslissing mede dat de dagvaarding in eerste aanleg niet nietig is, de dagvaarding is in overeenstemming met artikel 36g Sv aan de verdachte toegezonden. De zaak had wel door de politierechter aangehouden moeten worden zodat de oproeping had kunnen worden toegezonden aan het bij het eerste verhoor door de verdachte opgegeven adres. De verdachte had echter vandaag kunnen verschijnen om zijn verhaal te doen, maar heeft ervoor gekozen daarvan af te zien. De raadsheer ziet onvoldoende aanleiding de zaak terug te wijzen en deze zal dan ook vandaag inhoudelijk behandeld worden.”
2.3
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.”
- artikel 36g lid 1 Sv:
“In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:a. indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;b. indien de verdachte bij het begin van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.”
- artikel 422a lid 1 Sv:
“Indien het gerechtshof van oordeel is dat de dagvaarding in eerste aanleg op een andere grond dan wegens een aan de telastlegging klevend gebrek nietig had behoren te worden verklaard, doet het gerechtshof de zaak zelf af, tenzij terugwijzing naar dezelfde rechtbank door de advocaat-generaal of de verdachte ter terechtzitting is verlangd. Terugwijzing vindt ook zonder uitdrukkelijk gebleken verlangen van de verdachte plaats indien de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is en de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.”
2.4.1
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. Als de niet-gedetineerde verdachte niet staat ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP), maar van hem wel een (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend is, moet uitreiking van de dagvaarding op grond van artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 2°, Sv op dat adres plaatsvinden.
2.4.2
Wanneer de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg niet op wettige wijze heeft plaatsgevonden en de verdachte noch zijn raadsman is verschenen op de terechtzitting in eerste aanleg, moet het hof deze dagvaarding in beginsel nietig verklaren, behalve als het op grond van artikel 422a Sv de zaak aan zich houdt. Nietigverklaring van de dagvaarding in eerste aanleg blijft echter achterwege als de dagvaarding in hoger beroep aan de verdachte in persoon is betekend en de verdachte of zijn raadsman niet is verschenen op de terechtzitting in hoger beroep of wanneer daar niet is geklaagd over de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg. Uit de omstandigheid dat door of namens de verdachte in hoger beroep geen gebruik is gemaakt van de gelegenheid te klagen over het betekeningsverzuim in eerste aanleg, moet immers worden afgeleid dat de verdachte alsnog vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht in eerste aanleg. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.29.)
2.4.3
De inhoud van de stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5. Kort samengevat volgt daaruit het volgende. De verdachte stond ten tijde van de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg niet ingeschreven op een adres in de BRP en hij was evenmin gedetineerd. De verdachte heeft bij zijn verhoor door de politie wel een adres opgegeven waar hij verblijft. Het in het proces-verbaal van verhoor van de verdachte vermelde adres luidt [a-straat 1] in [geboorteplaats] . Dit adres kan redelijkerwijs gelden als (feitelijke) woon- of verblijfplaats van de verdachte in de zin van artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 2°, Sv. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverwegingen 3.17 en 3.24 onder b.) Uit de stukken volgt echter niet dat de dagvaarding in eerste aanleg ter uitreiking is aangeboden op dat adres van de verdachte.
2.5.1
Gelet hierop en op wat hiervoor onder 2.4.1 is vooropgesteld, is het kennelijke oordeel van het hof dat de dagvaarding in eerste aanleg rechtsgeldig is betekend door de uitreiking van de dagvaarding aan een medewerker van het openbaar ministerie en de uitreiking op het adres [b-straat 1] in [plaats] aan een ander dan de verdachte, onjuist.
2.5.2
Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de zaak niet behoefde te worden teruggewezen naar de politierechter, omdat de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep had kunnen verschijnen om zijn verhaal te doen maar ervoor heeft gekozen daarvan af te zien. Ook dit oordeel is, gelet op wat hiervoor onder 2.4.2 is vooropgesteld, onjuist, in aanmerking genomen dat de door de verdachte uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de terechtzitting in hoger beroep heeft geklaagd over de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg en heeft verzocht om terugwijzing van de zaak.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg nietig verklaren.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de politierechter in de rechtbank Amsterdam;
- verklaart de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2024.
Conclusie 25‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Betekening inleidende dagvaarding. Had de inleidende dagvaarding moeten worden betekend aan een door de verdachte in het verhoor bij de politie genoemd woon- of verblijfadres in Nederland? Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01147
Zitting 25 juni 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 18 maart 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens ‘mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel’, veroordeeld tot 60 uren taakstraf, subsidiair 30 dagen hechtenis.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.T. Laigsingh, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, bevat een klacht over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in eerste aanleg rechtsgeldig is betekend.
De zaak is in hoger beroep ter terechtzitting van 18 maart 2022 inhoudelijk behandeld. Het proces-verbaal van die zitting houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte,
opgeroepen als:
[verdachte]
geboren [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats]
[a-straat 1] , [plaats] ,
is niet verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. R.T. Laigsingh, advocaat te Amsterdam, die desgevraagd verklaart dat de verdachte op de hoogte is van de zitting, maar andere afspraken heeft, en hij door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen.
De raadsman vraagt het woord, krijgt het woord en voert als preliminair verweer:
Mijn cliënt is bij verstek veroordeeld en hij was niet op de hoogte van de zaak. Wij stellen ons op het standpunt dat de inleidende dagvaarding nietig is, nu niet is voldaan aan de vereisten uit artikel 588 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Mijn cliënt had ten tijde van de zitting in eerste aanleg geen GBA-adres en dus had de dagvaarding verzonden moeten worden naar het door hem tijdens het verhoor opgegeven adres. Nu dit is nagelaten, dient de dagvaarding conform de voorschriften van de artikelen 588 en 588a Sv nietig verklaard te worden en dient de zaak terugverwezen te worden naar eerste aanleg, zodat mijn cliënt twee feitelijke instanties heeft die zijn zaak kunnen beoordelen.
De advocaat-generaal reageert:
Ik heb de aktes voor mij en ik zie dat op het inschrijvingsadres van de verdachte is uitgereikt aan een huisgenoot. Nu geen afschrift naar het opgegeven adres is verzonden, had de zaak aangehouden moeten worden maar er is geen sprake van een nietige dagvaarding.
De raadsheer deelt als beslissing mede dat de dagvaarding in eerste aanleg niet nietig is, de dagvaarding is in overeenstemming met artikel 36g Sv aan de verdachte toegezonden. De zaak had wel door de politierechter aangehouden moeten worden zodat de oproeping had kunnen worden toegezonden aan het bij het eerste verhoor door de verdachte opgegeven adres. De verdachte had echter vandaag kunnen verschijnen om zijn verhaal te doen, maar heeft ervoor gekozen daarvan af te zien. De raadsheer ziet onvoldoende aanleiding de zaak terug te wijzen en deze zal dan ook vandaag inhoudelijk behandeld worden.’
5. De aan Uw Raad toegezonden stukken houden het volgende in:
(i) een proces-verbaal van verhoor verdachte van 12 augustus 2020 dat onder meer inhoudt:‘V= vraag verbalisant
A= antwoord verdachte
(…)
V: Waar woon je? Waar sta je ingeschreven?
A: [a-straat 1] , [plaats] . Dat is haar woning niet mijn woning.
V: Waar staat U ingeschreven GBA? (BFK: gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens - thans basisregistratie personen (= BRP)
A: Nergens
V: Heeft U een postadres?
A: Ja dat is daar op het [a-straat 1] . [postcode] (BFK: ik begrijp: [a-straat 1] , [plaats]
V: Met wie woon je daar?
A: Met mijn vriendin’.
(ii) een dagvaarding van de verdachte om op 23 december 2020 om 14:10 uur voor de politierechter te Amsterdam te verschijnen;
(iii) een akte van uitreiking met als geadresseerde de verdachte, waarop bij briefsoort staat vermeld: ‘dagvaarding’, bij parketnummer: ‘13-205923-20’, bij zitting: ‘23 december 2020’, bij tijdstip: ’14:10’ en bij forum: ‘politierechter’. Deze akte houdt in dat de dagvaarding op 2 december 2020 is uitgereikt op het adres [b-straat 1] , [plaats] . Er staat een kruisje in het vakje ‘Ja’ achter de tekst (Bezorger, u kunt de brief uitreiken) ‘Aan een ander op het vermelde adres, die belooft die brief onmiddellijk aan geadresseerde te geven’. Op de akte staat als adres vermeld: ‘ [b-straat 1] [plaats] ’;
(iv) een akte van uitreiking met als geadresseerde de verdachte, waarop bij briefsoort staat vermeld: ‘dagvaarding’, bij parketnummer: ‘13-205923-20’, bij zitting: ‘23 december 2020’ en bij forum: ‘politierechter’. Deze akte houdt in dat de dagvaarding op 26 november 2020 is uitgereikt aan de medewerker van het openbaar ministerie; daarbij is ‘Ja’ aangekruist bij ‘De woon- of verblijfplaats van de geadresseerde is niet bekend’. Op de akte staat als adres vermeld: ‘Zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande’;
(v) een informatiestaat SKDB-persoon betreffende verdachte van 26 november 2020. Hieruit volgt dat het BRP-adres van de verdachte sinds 17 april 2019 de status ‘Vertrokken Onbekend Waarheen’ heeft, en dat hij niet is gedetineerd in Nederland. Voorts blijkt hieruit dat het adres [b-straat 1] te [plaats] als laatst opgegeven woon-of verblijfplaats staat vermeld met als registratiedatum 25 maart 2020. Deze informatiestaat SKDB-persoon is aan de akte van uitreiking genoemd onder (iv) gehecht;
(vi) een aantekening mondeling vonnis van 23 december 2020 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam, inhoudend dat de verdachte bij verstek is veroordeeld. Als adres van de verdachte is vermeld: ‘ [b-straat 1] , [plaats] ’.
6. De steller van het middel voert aan dat de verdachte bij gelegenheid van zijn verhoor heeft verklaard dat hij geen GBA-adres heeft en dat hij als zijn woonadres [a-straat 1] , [plaats] heeft opgegeven. Volgens de steller van middel heeft de verdachte nooit op het adres [b-straat 1] , [plaats] verbleven. De steller van het middel stelt zich vervolgens op het standpunt dat de inleidende dagvaarding ten onrechte niet is betekend op het door de verdachte bij zijn verhoor opgegeven woonadres, [a-straat 1] , [plaats] . De dagvaarding in eerste aanleg zou aldus niet rechtsgeldig zijn betekend. Voorts meent de steller van het middel dat het hof ten onrechte is overgaan tot de inhoudelijke behandeling van de zaak, nu ‘de gemachtigde’ ter terechtzitting in hoger beroep zou hebben verzocht om terugwijzing naar de politierechter vanwege nietigheid van de inleidende dagvaarding en het hof er ten onrechte vanuit is gegaan dat de dagvaarding overeenkomstig art. 36g Sv aan de verdachte is verzonden. Het hof zou in strijd met artikel 6 EVRM en artikel 14, derde lid, aanhef en onder d, IVBPR hebben gehandeld nu de verdachte geen gebruik heeft kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht.
7. Artikel 36e, eerste en tweede lid, Sv luidt als volgt:1.
‘1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:1° aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,2° indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.’
9. Uit artikel 36e, eerste en tweede lid, Sv volgt dat wanneer een verdachte niet is gedetineerd en niet is ingeschreven in de BRP, de uitreiking van de gerechtelijke mededeling dient plaats te vinden aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde. Uw Raad spreekt in dat verband in het overzichtsarrest inzake betekening en het aanwezigheidsrecht van 12 maart 2002 van ‘een uit de stukken blijkend – voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald – adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden’.2.Volgens Uw Raad zou wat betreft de dagvaarding in eerste aanleg ‘in aanmerking kunnen komen een door de verdachte bij zijn verhoor door de politie of de rechter-commissaris opgegeven adres’.3.
10. Uit de in randnummer 5 vermelde stukken kan worden opgemaakt dat de berechting in eerste aanleg bij verstek heeft plaatsgevonden en dat de verdachte ten tijde van het betekenen van de inleidende dagvaarding niet was gedetineerd. De dagvaarding in eerste aanleg is – blijkens de daarvan opgemaakte aktes van uitreiking – op 26 november 2020 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was en op 2 december 2020 uitgereikt op het adres [b-straat 1] , [plaats] ‘(a)an een ander op het vermelde adres, die belooft die brief onmiddellijk aan geadresseerde te geven’. Verder houdt de Informatiestaat SKDB-persoon van 26 november 2020 in dat vanaf 17 april 2019 geen BRP-adres van de verdachte bekend is en dat als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats, met registratiedatum 15 maart 2020, het adres [b-straat 1] te [plaats] staat vermeld. Uit de stukken blijkt dat de verdachte bij een politieverhoor van 12 augustus 2020 als woonadres heeft opgegeven het adres van zijn vriendin: [plaats] , [a-straat 1] , en dat hij heeft verklaard dat dit tevens zijn postadres is.
11. Een en ander brengt mee dat het middel voor zover inhoudend dat het hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig is betekend, slaagt. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat het hof het adres [a-straat 1] in [plaats] niet heeft aangemerkt als een uit de stukken blijkend, niet door een latere opgave achterhaald, adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden.4.Daarbij is niet van belang of de dagvaarding in overeenstemming met artikel 36g Sv aan de verdachte is toegezonden; het toezenden van een afschrift van de dagvaarding aan een bij het eerste verhoor in de strafzaak opgegeven adres is ten opzichte van de betekening een aanvullende waarborg, zo volgt ook uit artikel 36g, derde lid, onder a, Sv.
12. Art. 422a Sv bevat een regeling voor gevallen waarin de inleidende dagvaarding op een andere grond dan een aan de tenlastelegging klevend gebrek nietig had behoren te worden verklaard. Het gerechtshof doet de zaak in dat geval zelf af, ‘tenzij terugwijzing naar dezelfde rechtbank door de advocaat-generaal of de verdachte ter terechtzitting is verlangd’. Uit het overzichtsarrest inzake betekening en het aanwezigheidsrecht van 12 maart 2002 kan worden afgeleid dat ook een verlangen van de raadsman tot terugwijzing dient te leiden.5.
13. Nu de gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep een beroep heeft gedaan op de nietigheid van (de betekening van) de inleidende dagvaarding en terugwijzing heeft verlangd, had het hof aan de nietigheid van (de betekening van) de inleidende dagvaarding gevolgen moeten verbinden. Dat brengt mee dat ook het oordeel van het hof dat de zaak niet behoefde te worden teruggewezen nu de verdachte ervan heeft afgezien ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen en zijn verhaal te doen, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.
14. Het middel is terecht voorgesteld. Naar het mij voorkomt kan Uw Raad de inleidende dagvaarding om doelmatigheidsredenen zelf nietig verklaren.6.
15. Nu het eerste middel naar mijn mening doel treft en dat tot vernietiging van de bestreden uitspraak dient te leiden, laat ik het tweede middel onbesproken. Indien Uw Raad anders oordeelt over het eerste middel ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam is vernietigd, en tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑06‑2024
HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002: AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.24.
Vgl. HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4757 en HR 25 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2414.
Ik merk op dat dit adres later is opgegeven dan het adres [b-straat 1] in [plaats] . Vgl. HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:626.
Vgl. ook HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.29, m.nt. Schalken. Strikt genomen volgt dit niet uit de wettelijke regeling; art. 331, eerste lid, Sv, in hoger beroep van toepassing op grond van art. 415, eerste lid, Sv, ziet op de bevoegdheden die de verdachte in Titel VI van het Tweede boek zijn toegekend.
Vgl. HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:434 en HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:563.
Beroepschrift 02‑02‑2024
Hoge Raad der Nederlanden
Postbus 20303
2500 EH Den Haag
Amsterdam, 2 februari 2024
Betreft: CASSATIEMIDDELEN
[Hoge Raad der Nederlanden
Afdeling DIV
Ingekomen]
[05 FEB. 2024]
[Behandelaar :]
Inzake: [verdachte], [geboortedatum] 1970, domicilie kiezende ten kantore van mr. R.T. Laigsingh, aan de Pieter Calandlaan 134, 1068 NR te Amsterdam.
Cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 maart 2022(parketnr. 23-002343-21)
Zaaknr: S 22/01147
Ondergetekende is tot indiening van de schriftuur en cassatiemiddelen bepaaldelijk gevolmachtigd door de heer [verdachte](hierna cliënt genoemd).
Het hof heeft in het arrest van 18 maart 2022 Cliënt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60(zestig) uren.
Cassatiemiddel 1:
Cliënt is van mening dat de (inleidende)dagvaarding in eerste aanleg niet op een rechtsgeldige wijze is betekend aan cliënt. Derhalve is er sprake van een nietige dagvaarding.
Toelichting:
Cliënt is sinds 2018 illegaal en staat sindsdien niet ingeschreven in het BRP. Ten tijde van het delict woonde cliënt bij zijn vriendin aan de [a-straat 01], [postcode] te [a-plaats]. Onduidelijk is hoe het OM [b-straat 01], [postcode] te [b-plaats] als BRP-adres van cliënt heeft. Hoe het ook zij, vaststaat dat cliënt tijdens het verhoor heeft verklaard dat hij geen GBA-adres heeft en zijn woonadres([a-straat 01], [postcode] te [a-plaats]) heeft opgegeven(zie bijlage 1). Op het adres [b-straat 01], [postcode] te [b-plaats] is een afdeling van [A] gevestigd(zie bijlage 2). Cliënt heeft op voornoemd adres nooit verbleven.
Uit de akte van betekening dagvaarding eerste aanleg blijkt dat deze in het openbaar en op het adres [b-straat 01], [postcode] te [b-plaats] is betekend. De dagvaarding eerste aanleg is ten onrechte niet betekend op het door cliënt opgegeven woonadres, [a-straat 01], [postcode] te [a-plaats]. Derhalve is de inleidende dagvaarding niet rechtsgeldig betekend.
Nu in eerste aanleg noch cliënt noch een gemachtigde was verschenen op de zitting had de politierechter de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding moeten onderzoeken en de nietigheid van de dagvaarding moeten uitspreken.
In hoger beroep heeft gemachtigde verzocht om de zaak terug te verwijzen naar de politierechter vanwege een nietige (inleidende)dagvaarding. Ten onrechte is het Hof overgegaan tot de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Ten onrechte gaat het hof ervan uit dat de dagvaarding overeenkomstig artikel 36g Sv. aan de verdachte is verzonden. Immers, de dagvaarding is niet verzonden naar de door verdachte opgegeven (woon)adres.
Bovendien is artikel 422a Sv. niet aan de orde, Immers, gemachtigde heeft bij de behandeling in appel verzocht om terug verwijzing naar de politierechter.
Cassatiemiddel 2:
Ten onrechte is cliënt door het hof veroordeeld tot 60 uren taakstraf.
Toelichting:
Cliënt verblijft sinds 2018 illegaal in Nederland en is niet uitzetbaar. Hij heeft vaste woon en verblijfplaats derhalve is een opgelegde taakstaf niet uitvoerbaar.
Gezien het voorgaande kan het arrest van het hof geen standhouden.
Weshalve verzocht wordt de zaak terug te verwijzen naar het Gerechtshof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
Advocaat- bepaaldelijk gevolmachtigde,
Mr. R.T. Laigsingh