De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.4.1:4.1 Inleidende opmerkingen
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.4.1
4.1 Inleidende opmerkingen
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948299:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze paragraaf is geschreven vanuit de situatie dat het een gemeenschap betreft waar een van de echtgenoten samen met één of meer anderen tot één of meer goederen gerechtigd is. Hetgeen in deze paragraaf wordt opgemerkt, geldt echter op gelijke wijze wanneer het een verdeling van een gemeenschap tussen de echtgenoten zélf betreft met een direct of indirect element van erfrecht of gift.
Zie voor die passages uit de parlementaire geschiedenis paragraaf 4.2.2 van hoofdstuk 5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
461. In de inleiding van dit hoofdstuk is aangegeven dat in dit hoofdstuk drie situaties centraal zouden staan. De eerste twee situaties zijn in de vorige paragrafen aan de orde gekomen. In deze paragraaf komt de derde situatie aan de orde. Dat is de situatie dat een echtgenoot deelgenoot is geworden in een gemeenschap die krachtens erfrechtelijke titel of schenking of met een ‘indirect’ element van erfrecht of gift is ontstaan (i.e. met ‘eigen vermogen’ dat krachtens erfrechtelijke titel of gift is verkregen), waarna die gemeenschap wordt verdeeld. Ook in dat geval is de vraag welke gevolgen die verdeling voor de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen heeft.1
462. Omdat het antwoord op deze vraag zeer nauw samenhangt met de aard en de werking van de verdeling zal in paragraaf 4.2 eerst een korte recapitulatie worden gegeven van hetgeen in hoofdstuk 5 over de aard en de werking van de verdeling is geschreven. Daarbij zal nog een keer het verschil tussen de translatieve werking en de declaratieve werking van de verdeling worden benadrukt. Dat onderscheid zal in de navolgende paragrafen blijven terugkomen, omdat de gevolgen van de verdeling telkens vanuit beide opvattingen beschreven zullen worden. Weliswaar heeft de verdeling naar mijn mening een translatieve werking, maar de declaratieve werking van de verdeling kent een stevige aanhang, en ook in de parlementaire geschiedenis kunnen aanwijzingen voor die declaratieve werking worden gevonden.2 Het is daarom zinvol om de omvang van de huwelijksgemeenschap op basis van beide opvattingen uit te werken. Daarbij zal in paragraaf 4.3 worden beschreven hoe in beide opvattingen een verkrijging krachtens verdeling zich tot boedelmenging verhoudt. In deze paragraaf zal bovendien aandacht zijn voor de opvatting dat een goed na de verdeling deels in en deels buiten de huwelijksgemeenschap zou kunnen vallen. Daarnaast wordt in de paragraaf 4.3 stil gestaan bij de verkrijging van een overbedelingsuitkering bij de verdeling. In paragraaf 4.4 staat vervolgens de werking van artikel 1:95 lid 1 BW bij de verkrijging krachtens verdeling centraal. Daarna zal in paragraaf 4.5 worden ingaan op die gevallen waarin de erflater of gever aan de oorspronkelijke gemeenschappelijke verkrijging een in- of uitsluitingsclausule heeft verbonden. Met name is dan de vraag of deze clausule doorwerkt bij een daaropvolgende verkrijging krachtens verdeling en of deze bij de verdeling nog op enigerlei wijze kan worden doorbroken. In paragraaf 4.6 komt de verkrijging krachtens een zogenoemde ‘opvolgende verdeling’ aan de orde. In paragraaf 4.7 zal tot slot aandacht worden besteed aan die gevallen waarin goederen worden verkregen uit hoofde van de verdeling van ‘samenvallende gemeenschappen’.