Hof Arnhem-Leeuwarden, 11-12-2019, nr. 21-003081-18
ECLI:NL:GHARL:2019:10663
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
11-12-2019
- Zaaknummer
21-003081-18
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2019:10663, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 11‑12‑2019; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1743
Uitspraak 11‑12‑2019
Inhoudsindicatie
Verdachte, destijds werkzaam als dominee bij de Doopsgezinde Gemeente Huizen-Hilversum, heeft kasbewijzen vervalst en hij heeft, als penningmeester van de Stichting Welzijn Senioren (SWS, voorheen Stichting het Vierkerkenhuis) een reeks geldbedragen, met een totaal van € 210.536,00, verduisterd. En hoewel hij deze laatstgenoemde feiten niet pleegde in zijn hoedanigheid van dominee, was hij dat feitelijk wel en genoot hij het vertrouwen dat aan een dominee pleegt te worden toegekend. Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij, misbruik makend van het in hem gestelde vertrouwen, gedurende lange tijd enorm veel voor een goed doel bestemd geld, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het hof veroordeelt verdachte wegens valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en verduistering meermalen gepleegd tot gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en tot een taakstraf voor de duur van honderdtachtig uren. Daarnaast legt het hof een schadevergoedingsmaatregel op.
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003081-18
Uitspraak d.d.: 11 december 2019
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 30 mei 2018 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-096511-15 en 16-652368-16, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 november 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte wegens parketnummer 16-096511-15, feit 1 en parketnummer 16-652368-16 subsidiair tot gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van voorarrest en tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van tweehonderdtienduizend vijfhonderdzesendertig euro en tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,mr. F.P. Slewe, naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Voor zover het door verdachte ingestelde hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 16-096511-15 onder 2 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft verdachte in de zaak met parketnummer 16-096511-15, onder 1 en in de zaak met parketnummer 16-652368-16 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van driehonderdachtentwintig dagen en heeft de benadeelde partij, Stichting Welzijn Senioren, in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is voor zover in hoger beroep van belang – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
In de zaak met parketnummer 16-096511-15: 1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juni 2005 tot en met 31 december 2012 te Hilversum en/of Huizen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer kasbewij(s)(zen) van Doopsgezinde Gemeente Huizen-Hilversum, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk op die/dat kasbewij(s)(zen) (een) handtekening(en) gezet (niet zijnde zijn / verdachtes, eigen handtekening(en)) en/of met het plaatsen van die/dat handtekening(en) voorgewend dat een of meer onbekend gebleven personen een bepaald geldbedrag (welk bedrag op de/het kasbewij(s)(zen) stond genoteerd) heeft/hebben ontvangen, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
In de zaak met parketnummer 16-652368-16: primair. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 30 januari 2014 tot en met 30 juli 2015 te Huizen, althans in Nederland, opzettelijk een geldbedrag van in totaal (ongeveer) 210.536,00 euro, in elk geval enig goed, dat / die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Stichting Welzijn Senioren en/of Stichting het Vierkerkenhuis, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van / als penningmeester van de Stichting Welzijn Senioren en/of Stichting het Vierkerkenhuis, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
subsidiair.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 30 januari 2014 tot en met 30 juli 2015 te Huizen en/of Hilversum en/of Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk (een) geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 210.536,00 euro, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Stichting Welzijn Senioren en/of Stichting het Vierkerkenhuis, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als penningmeester van de Stichting Welzijn Senioren en/of Stichting het Vierkerkenhuis, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
De raadsman heeft op de gronden zoals weergegeven in de door hem ter zitting van het hof overgelegde pleitnota bepleit dat verdachte van het in de zaak met parketnummer 16-096511-15 onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Het verweer komt er – zakelijk weergegeven – op neer dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte met het plaatsen van zijn handtekening op enkele kasbewijzen heeft voorgewend dat de steunaanvragers de bij die kasbewijzen horende geldbedragen zouden hebben ontvangen. Verdachte wilde daarmee enkel de administratie op orde brengen.
Op 20 september 2013 heeft [aangever] namens de Doopsgezinde Gemeente Huizen-Hilversum (DGHH) aangifte tegen verdachte gedaan. De verklaring van aangever komt erop neer dat verdachte, die in de eerste plaats als dominee/predikant in dienst was van de DGHH in de periode tussen 2006 en 2010 misbruik heeft gemaakt van in hem gesteld vertrouwen door vanuit verschillende (vertrouwens-)posities binnen de organisatie vanuit het Diaconaal Fonds (DF) geld door te sluizen naar een eigen organisatie ( [naam stichting] ). Verdachte verzocht het DF telkens geld over te maken ten behoeve van steunaanvragers. Op de vraag vanuit DGHH naar een specificatie van aan wie uiteindelijk de doorgesluisde bedragen waren uitgekeerd, bleef verdachte aanvankelijk het antwoord schuldig.
Door verdachte zijn later, in 2012 in het kader van het onderzoek naar zijn handel en wandel, twee reeksen overzichten geproduceerd van gestelde uitgaven door het DF over de afzonderlijke jaren 2007 tot en met 2010. Tussen de oude en nieuwe overzichten zitten telkens onverklaarbare verschillen. Op 25 juni 2013 heeft verdachte onderliggende kasbewijzen verstrekt aan de advocaat die inmiddels door DGHH was ingeschakeld. In het
dossier bevinden zich de door verdachte verstrekte kasbewijzen, die door verdachte zijn
gebruikt als bewijs voor ontvangst van het geld door de steunaanvragers. Het eerste
kasbewijs is gedateerd op 19 oktober 2006 en het laatste kasbewijs is gedateerd op
31 december 2010.
In eerste aanleg heeft verdachte verklaard dat hij op enkele kasbewijzen in plaats van de ontvanger van de uitkering zelf een handtekening heeft geplaatst, niet zijnde zijn eigen handtekening.
Door het telkens plaatsen van een gefingeerde handtekening op een kasbewijs (dat uit zijn aard bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen) heeft verdachte iedere keer voorgewend dat dit bewijs door een ander was ondertekend ter bevestiging van de ontvangst van het daarop genoemde geldbedrag. Dat verdachte enkel het oogmerk zou hebben om de administratie op orde te brengen, doet daaraan niet af. Het hof verwerpt daarom het verweer.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-096511-15 onder 1 en in de zaak met parketnummer 16-652368-16 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
In de zaak met parketnummer 16-096511-15: 1. hij in de periode 19 oktober 2006 tot en met 31 december 2012 in Nederland, meermalen, een kasbewijs van Doopsgezinde Gemeente Huizen-Hilversum, - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk op die kasbewijzen een handtekening gezet (niet zijnde zijn eigen handtekening) en met het plaatsen van die handtekeningen voorgewend dat een of meer onbekend gebleven personen een bepaald geldbedrag (welk bedrag op de kasbewijzen stond genoteerd) heeft/hebben ontvangen, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
In de zaak met parketnummer 16-652368-16: primair. hij op meer tijdstippen in de periode 30 januari 2014 tot en met 30 juli 2015 in Nederland, opzettelijk een geldbedrag van in totaal 210.536,00 euro, toebehorend aan Stichting Welzijn Senioren, en welk goed verdachte als penningmeester van de Stichting Welzijn Senioren onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 16-096511-15 onder 1 bewezen verklaarde levert op:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 16-652368-16 primair bewezen verklaarde levert op:
verduistering, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte, destijds werkzaam als dominee bij de Doopsgezinde Gemeente Huizen-Hilversum, heeft kasbewijzen vervalst en heeft, als penningmeester van de Stichting Welzijn Senioren (SWS, voorheen Stichting het Vierkerkenhuis) een reeks geldbedragen, met een totaal van € 210.536,00, verduisterd. En hoewel hij deze laatstgenoemde feiten niet pleegde in zijn hoedanigheid van dominee, was hij dat feitelijk wel en genoot hij, blijkens het dossier, het vertrouwen dat aan een dominee pleegt te worden toegekend. Dit onvoorwaardelijk in verdachte gestelde vertrouwen heeft ertoe bijgedragen dat hij gedurende een lange tijd heeft kunnen doorgaan met zijn kwalijke praktijken. Hij bleef immers, ook nadat de afschrijvingen van grote bedragen van de rekening van de SWS opvielen en tot vragen leidden, doorgaan met het overmaken van geld naar de rekening van een van zijn eigen rechtspersonen. Het geld van de SWS, dat verdachte zich op die manier toe-eigende, was bedoeld voor het behartigen van het welzijn van senioren in de meest uitgebreide zin van het woord. Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij, misbruik makend van het ten onrechte in hem gestelde vertrouwen, gedurende lange tijd enorm veel voor een goed doel bestemd geld, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. De stelling van verdachte dat hij bevoegd was om dat deel van het kapitaal van SWS waar hij toegang toe had, te beleggen is in ieder geval niet komen vast te staan en deze stelling is evenmin aannemelijk geworden. Ook zijn stelling dat hij het bestuur van SWS, waar hij deel van uitmaakte, op enig moment op de hoogte zou hebben gebracht van zijn bedoelingen mist feitelijke grondslag en is daarom niet aannemelijk geworden.
Wel heeft verdachte in de loop van de tijd en in het kader van tegen hem lopende onderzoeken uiteenlopende verklaringen gegeven voor de door hem verrichte afschrijvingen, waarbij hij verschillende malen heeft gelogen en ook valse geschriften heeft vervaardigd en geproduceerd ter onderbouwing van zijn bedenksels. Een concrete en verifieerbare verklaring heeft verdachte ook bij de behandeling in hoger beroep niet gegeven. Dit maakt dat van enig begrip in zijn handelen geen sprake kan zijn. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat het zich onrechtmatig toegeëigende geld nog voor verdachte beschikbaar is. Verdachte blijft immers door geen volstrekte openheid van zaken te geven met zijn proceshouding de waarheidsvinding frustreren en bij gebrek aan concrete en verifieerbare gegevens moet het ervoor worden gehouden dat verdachte uitsluitend heeft gehandeld uit persoonlijk financieel gewin.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf voorts acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 oktober 2019 waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op een beknopt reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 9 januari 2018.
Gelet op het voorgaande, bezien in onderling verband en samenhang, acht het hof oplegging van een lange, maar deels voorwaardelijke, gevangenisstraf en een forse taakstraf passend en geboden. Gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde en het langdurige misbruik van vertrouwen kan naar het oordeel van het hof niet worden afgezien van de oplegging van vrijheidsbenemende straf. De reden om daarnaast een fors deel van die straf in voorwaardelijke vorm op te leggen is, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan.
In de omstandigheid dat bij de afdoening van de zaak in eerste aanleg sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn ziet het hof aanleiding om de op te leggen straf te matigen en wel als volgt: zonder overschrijding van de redelijke termijn zou het hof naast een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen hechtenis aan de verdachte opleggen. Het hof matigt die straf in zoverre dat het thans een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk en een taakstraf voor de duur van honderdtachtig uren, subsidiair negentig dagen hechtenis oplegt.
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer Stichting Welzijn Senioren
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat door het in de zaak met parketnummer 16-652368-16 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer is toegebracht. De totale schade begroot het hof op een bedrag van € 210.536,00. Het hof houdt bij het bepalen van het bedrag dat verdachte in het kader van een op te leggen schadevergoedingsmaatregel dient te voldoen rekening met de aannemelijk geachte betalingen door de ex-echtgenote van verdachte aan Stichting Welzijn Senioren tot een bedrag van € 12.265,00. Het door de verdachte te betalen resterende bedrag komt daarmee op een bedrag van € 198.271,00. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof zal daarom de schadevergoedingsmaatregel tot dit laatstgenoemde bedrag aan verdachte opleggen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-096511-15 onder 2 ten laste gelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-096511-15 onder 1 en in de zaak met parketnummer 16-652368-16 primair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-096511-15 onder 1 en in de zaak met parketnummer 16-652368-16 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.
Schadevergoedingsmaatregel Stichting Welzijn Senioren
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Stichting Welzijn Senioren, ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-652368-16 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 198.271,00 (honderdachtennegentigduizend tweehonderdeenenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 juli 2015.
Aldus gewezen door
mr. J. Hielkema, voorzitter,
mr. L.J. Bosch en mr. P.T. Heblij, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,
en op 11 december 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. P.T. Heblij voornoemd is buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.