Rechtbank Limburg 29 december 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:7676.
HR, 09-05-2025, nr. 24/03501
ECLI:NL:HR:2025:726
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-05-2025
- Zaaknummer
24/03501
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:726, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑05‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1410
ECLI:NL:PHR:2024:1410, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:726
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑09‑2024
- Vindplaatsen
JGz 2025/41 met annotatie van mr. drs. F. Westenberg
GZR-Updates.nl 2025-0254
Uitspraak 09‑05‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/03501
Datum 9 mei 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT LIMBURG,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaak C/03/325198 / BZ RK 23/2359 van de rechtbank Limburg van 29 december 2023 en 21 juni 2024.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank van 21 juni 2024 beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze procedure heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wvggz te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden, aansluitend op een eerdere zorgmachtiging.
2.2
Bij beschikking van 29 december 20231.heeft de rechtbank een aansluitende zorgmachtiging verleend voor zes maanden, tot en met uiterlijk 29 juni 2024, en bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden voortgezet op 21 juni 2024, onder aanhouding van iedere verdere beslissing. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen:
“3.6. Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Het toestandsbeeld van betrokkene is inmiddels verbeterd dankzij de medicatie. Deze medicatie is essentieel voor betrokkene om haar toestandsbeeld stabiel te houden en het ernstig nadeel af te wenden. In de komende periode zal er geprobeerd worden om een passende woonplek voor betrokkene te realiseren. Hierbij is het belangrijk dat betrokkene de ambulante zorgverleners toelaat.
De opvolgende zorgmachtiging is noodzakelijk als zijnde een ‘vangnet’ om adequaat de juiste hulp te kunnen bieden en om tijdig te kunnen ingrijpen wanneer blijkt dat er sprake is van een terugval.
(…)
3.9. (…)
De rechtbank zal de zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verlenen, en geldt aldus tot en met 29 juni 2024 en voor het overige aanhouden om te kunnen bezien hoe het dan gaat en of er een passende woonvoorziening is gerealiseerd. De rechtbank zal op een volgende zitting bespreken hoe het toestandsbeeld van betrokkene zich heeft ontwikkeld en hoe de medewerking van betrokkene in de behandeling en het nemen van de medicatie is verlopen.”
2.3
Nadat de mondelinge behandeling op 21 juni 2024 was voortgezet, heeft de rechtbank bij beschikking van diezelfde dag een zorgmachtiging verleend voor de resterende termijn van zes maanden, tot en met uiterlijk 29 december 2024.2.De rechtbank heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“2.7. De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat de zorgmachtiging voor de resterende termijn nog noodzakelijk is. Het toestandsbeeld van betrokkene is inmiddels verbeterd dankzij de medicatie. Deze medicatie is essentieel voor betrokkene om haar toestandsbeeld stabiel te houden en het ernstig nadeel af te wenden. Het risico is groot dat betrokkene zal stoppen met de medicatie indien het juridisch kader wegvalt. Ze is het immers niet eens met de toediening van de verplichte medicatie.
Betrokkene moet nog één operatie ondergaan. Indien betrokkene hiervan hersteld is, zal een passende woonplek voor haar worden gerealiseerd. Een andere woonvorm dan de huidige afdeling, zoals een beschermde woonvorm is hierbij een optie.
Hierbij is het belangrijk dat betrokkene de medicatie accepteert en de ambulante zorgverleners toelaat.
De zorgmachtiging is noodzakelijk als zijnde een ‘vangnet’ om adequaat de juiste hulp te kunnen bieden en om tijdig te kunnen ingrijpen wanneer blijkt dat er sprake is van een terugval.
Het bovenstaande noodzaakte, naar het oordeel van de rechtbank, niet tot een actuele medische verklaring. Het doel van het aanhouden van de zorgmachtiging was met name om te bezien of inmiddels een passende woonvoorziening is gerealiseerd.
(…)”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel klaagt in de kern genomen dat de beslissing van de rechtbank in de tweede beschikking om een zorgmachtiging voor de resterende duur van zes maanden te verlenen onjuist dan wel onbegrijpelijk is omdat actuele medische informatie van een onafhankelijk psychiater ontbrak. Het middel keert zich aldus tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.7 dat een actuele medische verklaring niet nodig is omdat het doel van het aanhouden met name was om te bezien of inmiddels een passende woonvoorziening is gerealiseerd.
3.2
Uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit art. 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz en art. 6:4 Wvggz, volgt dat een rechter slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit. Voor de psychiater die de medische verklaring opstelt, gelden de in art. 5:7 Wvggz genoemde voorwaarden. Die voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg. Een en ander strookt met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM.3.
3.3
Het hiervoor in 3.2 overwogene geldt eveneens indien de rechter, nadat hij eerst een zorgmachtiging heeft verleend voor een kortere duur dan verzocht met aanhouding voor het overige, beslist over de resterende duur van de verzochte machtiging.
In die situatie dient de rechter na te gaan of de oorspronkelijke medische verklaring nog actueel is (art. 5:8 Wvggz). Is deze verklaring niet meer actueel, dan moet een nieuwe medische verklaring van een onafhankelijk psychiater worden overgelegd of moet de oorspronkelijke medische verklaring worden geactualiseerd.
Actualisering kan ook tijdens de mondelinge behandeling. Die actualisering moet zodanig concreet zijn dat de rechter daaruit kan afleiden dat de psychiater zich een oordeel heeft gevormd over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene.4.
3.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, slaagt de hiervoor in 3.1 weergegeven klacht.
3.5
Voor zover het middel klaagt dat de vraag of een passende woonvoorziening is gerealiseerd, geen onderwerp van discussie is geweest bij de mondelinge behandeling op 21 juni 2024, faalt het op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.20.
3.6
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 21 juni 2024;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren S.J. Schaafsma, als voorzitter, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 9 mei 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑05‑2025
Rechtbank Limburg 21 juni 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:4295.
HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885, rov. 3.2; HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:191, rov. 3.2.1.
Zie ook HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885, rov. 3.5.
Conclusie 20‑12‑2024
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03501
Zitting 20 december 2024
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoekster tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Limburg,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie.
1. Inleiding
1.1
In deze zaak is een verzoek tot verlening van een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden gedaan. De rechtbank heeft in eerste instantie een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verleend en de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden. Een half jaar later heeft de rechtbank de mondelinge behandeling van het verzoek voortgezet en alsnog een zorgmachtiging voor de resterende termijn van zes maanden verleend. In cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank de zorgmachtiging niet voor de resterende termijn had mogen verlenen zonder te beschikken over actuele medische informatie over de gezondheidstoestand van betrokkene.
2. Feiten en procesverloop
2.1
Bij beschikking van 20 januari 2023 heeft de rechtbank Limburg ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 20 januari 2024.1.
2.2
Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Limburg ingekomen op 11 december 2023, heeft de officier van justitie verzocht ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
2.3
Bij het verzoekschrift is onder meer een medische verklaring gevoegd die op 6 december 2023 is ondertekend door de onafhankelijke psychiater die betrokkene op 1 december 2023 heeft onderzocht (hierna: de medische verklaring).
2.4
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 29 december 2023. Daarbij zijn betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, en een arts gehoord. Van deze mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.2.
2.5
Bij beschikking van 29 december 20233.heeft de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank), kort weergegeven, een opvolgende zorgmachtiging verleend tot en met uiterlijk 29 juni 2024 en bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden voortgezet op vrijdag 21 juni 2024, onder aanhouding van iedere verdere beslissing. De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“3.6. Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Het toestandsbeeld van betrokkene is inmiddels verbeterd dankzij de medicatie. Deze medicatie is essentieel voor betrokkene om haar toestandsbeeld stabiel te houden en het ernstig nadeel af te wenden. In de komende periode zal er geprobeerd worden om een passende woonplek voor betrokkene te realiseren. Hierbij is het belangrijk dat betrokkene de ambulante zorgverleners toelaat.
De opvolgende zorgmachtiging is noodzakelijk als zijnde een ‘vangnet’ om adequaat de juiste hulp te kunnen bieden en om tijdig te kunnen ingrijpen wanneer blijkt dat er sprake is van een terugval.
(…)
3.9. (…)
De rechtbank zal de zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verlenen, en geldt aldus tot en met 29 juni 2024 en voor het overige aanhouden om te kunnen bezien hoe het dan gaat en of er een passende woonvoorziening is gerealiseerd. De rechtbank zal op een volgende zitting bespreken hoe het toestandsbeeld van betrokkene zich heeft ontwikkeld en hoe de medewerking van betrokkene in de behandeling en het nemen van de medicatie is verlopen.”
2.6
De voortgezette mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 21 juni 2024. De rechtbank heeft betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, en een verpleegkundig specialist gehoord. Ook van deze voortgezette mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.4.
2.7
Bij beschikking van 21 juni 20245.heeft de rechtbank voor de resterende termijn van zes maanden, tot en met uiterlijk 29 december 2024, een zorgmachtiging verleend voor de verzochte vormen van verplichte zorg, met uitzondering van het beperken van de bewegingsvrijheid. De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“2.7. De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat de zorgmachtiging voor de resterende termijn nog noodzakelijk is.
Het toestandsbeeld van betrokkene is inmiddels verbeterd dankzij de medicatie. Deze medicatie is essentieel voor betrokkene om haar toestandsbeeld stabiel te houden en het ernstig nadeel af te wenden. Het risico is groot dat betrokkene zal stoppen met de medicatie indien het juridisch kader wegvalt. Ze is het immers niet eens met de toediening van de verplichte medicatie.
Betrokkene moet nog één operatie ondergaan. Indien betrokkene hiervan hersteld is, zal een passende woonplek voor haar worden gerealiseerd. Een andere woonvorm dan de huidige afdeling, zoals een beschermde woonvorm is hierbij een optie.
Hierbij is het belangrijk dat betrokkene de medicatie accepteert en de ambulante zorgverleners toelaat.
De zorgmachtiging is noodzakelijk als zijnde een ‘vangnet’ om adequaat de juiste hulp te kunnen bieden en om tijdig te kunnen ingrijpen wanneer blijkt dat er sprake is van een terugval.
Het bovenstaande noodzaakte, naar het oordeel van de rechtbank, niet tot een actuele medische verklaring. Het doel van het aanhouden van de zorgmachtiging was met name om te bezien of inmiddels een passende woonvoorziening is gerealiseerd.
(…)”
2.8
Namens betrokkene is tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 21 juni 2024 (hierna: de bestreden beschikking). De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel is gericht tegen het hiervoor onder 2.7 geciteerde deel van r.o. 2.7 van de bestreden beschikking. Het middel klaagt dat deze rechtsoverweging onjuist is, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Naar ik begrijp is de centrale klacht dat zonder actuele medische informatie de zorgmachtiging niet voor de resterende duur tot en met 29 december 2024 verleend had mogen worden, dan wel dat deze beslissing onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. Daartoe wordt eerst aangevoerd dat een belangrijk deel van de bestreden beschikking is overgeschreven uit de eerdere beschikking van 29 december 2023. Vervolgens worden de redenen voor aanhouding van de beslissing in de beschikking van 29 december 2023 genoemd.6.Een concrete klacht kan ik hieruit niet afleiden. De eerste, en meest omvattende subklacht is mijns inziens dat bij gebrek aan aanvullende, actuele medische informatie niet blijkt of een verlenging van de zorgmachtiging tot en met 29 december 2024 nodig was.7.De klacht dat er geen onafhankelijke rapportage is over de algemene uitgangspunten in de zin van artikel 2:1 Wvggz, te weten vrijwilligheid, ultimum remedium, proportionaliteit, subsidiariteit, effectiviteit en veiligheid en dat niet blijkt of de toegewezen vormen van zorg noodzakelijk zijn, is een voortbouwklacht.8.Tot slot lijkt in een tweede subklacht erover geklaagd te worden dat de voor de rechtbank voornaamste reden tot aanhouding geen onderwerp van discussie is geweest bij de voortgezette mondelinge behandeling en dat uit de beschikking niet blijkt wat ermee is gedaan.9.
3.2
Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop.
3.3
De rechter moet bij zijn beoordeling van het verzoek tot verlening van een zorgmachtiging uitgaan van de op dat moment actuele toestand van betrokkene (beoordeling ex nunc).10.Dit staat niet met zoveel worden in de wet, maar volgt wel uit de wetsgeschiedenis:11.
“(…) een zorgmachtiging [kan] niet uitsluitend op basis van de toestand van de patiënt aan het begin van het proces worden verleend. Bij de behandeling ter zitting zal te allen tijde de actuele gezondheidstoestand van betrokkene worden getoetst.”
3.4
In lijn met het voorgaande volgt uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit artikel 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met artikel 5:17 lid 3 Wvggz en artikel 6:4 Wvggz, dat een rechter slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit. Voor de psychiater die de medische verklaring opstelt, gelden de in artikel 5:7 Wvggz genoemde voorwaarden. Die voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg. Een en ander strookt met de rechtspraak van het EHRM over artikel 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM.12.
3.5
Een medische verklaring waaruit de actuele gezondheidstoestand van betrokkene blijkt, waarborgt dus ook dat de rechter ten aanzien van de verzochte vormen van verplichte zorg kan beoordelen of wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid als bedoeld in de artikelen 2:1, 3:3 en 3:4, onder b-e, Wvggz (vgl. art. 6:4 lid 1 Wvggz).13.
3.6
De wet kent geen algemene regel voor een houdbaarheidstermijn voor de medische verklaring. Of een medische verklaring na verloop van enige tijd nog voldoet aan de uit artikel 5:8 lid 1 Wvggz voortvloeiende eis dat deze de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene beschrijft, kan – naast de duur van het tijdsverloop – mede afhangen van omstandigheden als de ziektegeschiedenis van de betrokkene, de continuïteit van het ziektebeeld en de aard van de ziekte.14.
3.7
Het is dus aan de rechter om te beoordelen in hoeverre de medische verklaring nog actueel genoeg is. Daarbij worden in de praktijk wel uniformerende richtlijnen gehanteerd. Zo komt in een mij ambtshalve bekende interne notitie van de rechtbank Rotterdam met betrekking tot de actuele waarde van de medische verklaring de volgende richtlijn voor:15.
“In lijn met jurisprudentie is een medische verklaring van 6/8 weken doorgaans niet meer actueel, maar dit geldt niet in alle gevallen.”
3.8
Als de betrokkene gemotiveerd aanvoert dat de medische verklaring niet meer actueel is, mag de rechtbank niet zonder motivering aan dit verweer voorbijgaan.16.
3.9
Als de medische verklaring naar het oordeel van de rechter niet meer actueel is, kan de psychiater die deze verklaring heeft opgesteld deze actualiseren. Dat kan ook tijdens de mondelinge behandeling. Die actualisering moet zodanig concreet zijn dat de rechter daaruit kan afleiden dat de psychiater zich een oordeel heeft gevormd over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene.17.
3.10
Een verklaring ter zitting van een verpleegkundig specialist of van een psychiater in opleiding over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene kan dus – gelet op de in artikel 5:7 Wvggz genoemde voorwaarden waaraan de psychiater die de medische verklaring opstelt moet voldoen (zie hiervoor onder 3.4) – niet voorzien in actualisering van een medische verklaring.18.
3.11
Wanneer de rechter eerst voor een kortere duur dan verzocht een zorgmachtiging heeft verleend met aanhouding voor het overige19.en daarna over de resterende duur van de zorgmachtiging beslist, gelden de hiervoor onder 3.3-3.10 weergegeven regels mijns inziens evenzeer voor de beoordeling door de rechter na aanhouding.20.
3.12
Ik keer terug naar de bespreking van het middel.
3.13
De eerste subklacht slaagt. Deze klacht houdt in dat bij gebrek aan aanvullende medische informatie niet blijkt dat een verlenging van de zorgmachtiging tot en met 29 december 2024 nodig was. In dat kader wordt aangevoerd dat tijdens de voortgezette mondelinge behandeling op 21 juni 2024 geen psychiater aanwezig was die de rechtbank nader kon voorlichten, dat evenmin een medische verklaring van een psychiater voorhanden was waaruit de actuele medische situatie van betrokkene bleek en dat ook de in het zorgplan van 4 december 2024 genoemde zorgverantwoordelijke en arts-assistent van de afdeling niet zijn gehoord.
3.14
De rechtbank oordeelt in de bestreden beschikking dat een zorgmachtiging voor de resterende termijn noodzakelijk is en verleent deze ook (r.o. 2.7 en het dictum), maar acht een actuele medische verklaring niet nodig (r.o. 2.7). Dit strookt niet met de uit het systeem van de Wvggz voortvloeiende regel dat een rechter slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit (zie hiervoor onder 3.4). Deze regel geldt mijns inziens ook indien de rechter na aanhouding beslist over de resterende duur van de verzochte zorgmachtiging (zie hiervoor onder 3.11).
3.15
In verband met haar oordeel dat een actuele medische verklaring niet nodig is, wijst de rechtbank erop dat het doel van het aanhouden van de verdere beslissing over de zorgmachtiging met name was om te bezien of inmiddels een passende woonvoorziening is gerealiseerd (r.o. 2.7). Dit lijkt de suggestie te wekken dat deze volgens de rechtbank voornaamste reden van aanhouding geen verband houdt met de geestelijke gezondheidstoestand van betrokkene en dat daarom een actuele medische verklaring naar het oordeel van de rechtbank niet nodig is. De vraag hoe betrokkene gaat wonen, houdt mijns inziens echter wel mede verband met haar geestelijke gezondheidstoestand en is daarvan niet los te zien. In de bestreden r.o. 2.7 overweegt de rechtbank immers dat als passende woonplek een beschermde woonvorm een optie is en dat het daarbij belangrijk is dat betrokkene de medicatie accepteert en de ambulante zorgverleners toelaat.21.Het volgens de rechtbank voornaamste doel van aanhouding rechtvaardigt mijns inziens dus niet het oordeel van de rechtbank dat voor de verdere beslissing na aanhouding geen actuele medische verklaring nodig is.
3.16
Bovendien was de vraag of inmiddels een passende woonvoorziening is gerealiseerd slechts een van de redenen voor de gedeeltelijke aanhouding van de resterende beslissing op het verzoek. In r.o. 3.9 van de beschikking van 29 december 2023 heeft de rechtbank immers overwogen dat het verzoek wordt aangehouden ‘om te kunnen bezien hoe het dan gaat en of er een passende woonvoorziening is gerealiseerd’ en dat op een volgende zitting zal worden besproken ‘hoe het toestandsbeeld van betrokkene zich heeft ontwikkeld en hoe de medewerking van betrokkene in de behandeling en het nemen van de medicatie is verlopen’ (zie hiervoor onder 2.5).
3.17
Gelet op dit samenstel van redenen om de beslissing op het verzoek in de beschikking van 29 december 2023 aan te houden, is zonder nadere motivering niet begrijpelijk waarom een actuele medische verklaring naar het oordeel van de rechtbank niet nodig is om na aanhouding te kunnen beslissen over het verlenen van een zorgmachtiging voor de resterende duur. De overige genoemde redenen betreffen immers (ook) de geestelijke gezondheidstoestand van de betrokkene en haar medewerking aan de behandeling en de inname van medicatie. De rechtbank moest na aanhouding ook beslissen over de verplichte zorgvormen die op die medewerking aan de (ambulante) behandeling en de inname van medicatie zien en heeft deze zorgvormen ook toegewezen in de bestreden beschikking, naast opname in een accommodatie.
3.18
Ten overvloede merk ik nog op dat r.o. 2.7 van de bestreden beschikking mijns inziens geen aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat de rechtbank van oordeel zou zijn dat een nieuwe medische verklaring niet nodig was, omdat de bij het verzoekschrift gevoegde medische verklaring van 6 december 2023 ten tijde van de mondelinge behandeling van 21 juni 2024 nog actueel zou zijn. Het middel bevat ook geen klachten die expliciet van die lezing uitgaan. Overigens zou een dergelijk oordeel van de rechtbank de toets der kritiek ook niet hebben kunnen doorstaan, nu de rechtbank in r.o. 2.7 van de bestreden beschikking eveneens heeft overwogen dat ‘[h]et toestandsbeeld van betrokkene inmiddels [is] verbeterd dankzij de medicatie’, waaruit blijkt dat het toestandsbeeld van betrokkene volgens de rechtbank niet stabiel, maar juist aan verandering onderhevig is. Overigens is deze geciteerde overweging geheel gelijkluidend aan die in r.o. 3.6 van de eerdere beschikking van 29 december 2023.22.Ik kan begrijpen dat dit vragen oproept bij betrokkene.
3.19
Nu de eerste subklacht slaagt, wordt in de voortbouwklacht terecht geklaagd dat er geen onafhankelijke, naar ik begrijp medische, rapportage is over de algemene uitgangspunten in de zin van artikel 2:1 Wvggz, te weten vrijwilligheid, ultimum remedium, proportionaliteit, subsidiariteit, effectiviteit en veiligheid. De rechtbank oordeelt wel over deze onderwerpen in r.o. 2.7-2.10 van de bestreden beschikking,23.echter zonder te beschikken over een medische verklaring waaruit de actuele gezondheidstoestand van betrokkene blijkt. Daardoor ontbreekt de waarborg dat de rechter ten aanzien van de verzochte vormen van verplichte zorg kan beoordelen of wordt voldaan aan deze wettelijke eisen (zie hiervoor onder 3.5). In dit kader wordt dus ook terecht geklaagd dat niet blijkt of de toegewezen vormen van verplichte zorg noodzakelijk zijn.
3.20
Voor zover het middel met een tweede subklacht verder nog erover beoogt te klagen dat de vraag of een passende woonvoorziening is gerealiseerd ‘kennelijk geen onderwerp van discussie is geweest’ bij de mondelinge behandeling van 21 juni 2024 en dat uit de beschikking niet blijkt ‘wat er mee gedaan is’, faalt deze klacht. Blijkens het proces-verbaal van die mondelinge behandeling is dit onderwerp wel ter zitting aan de orde geweest. Dit blijkt ook uit de weergave in r.o. 2.1-2.3 van de bestreden beschikking van hetgeen betrokkene, de verpleegkundig specialist en de advocaat van betrokkene op dit punt tijdens die mondelinge behandeling hebben verklaard. Ook blijkt uit r.o. 2.7 van de bestreden beschikking wel degelijk wat de rechtbank met die informatie heeft gedaan.
3.21
Nu de eerste subklacht en daarmee de voortbouwklacht en de centrale klacht wel doel treffen, slaagt het middel.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑12‑2024
Blijkend uit het inleidend verzoekschrift van de officier van justitie van 11 december 2023 (productie 3 bij de procesinleiding in cassatie). Zie ook het daarbij gevoegde historisch overzicht van eerder ten aanzien van betrokkene verleende machtigingen (productie 4 bij de procesinleiding in cassatie).
Productie 11 bij de procesinleiding in cassatie.
Rb. Limburg 29 december 2023, zaaknr. C/03/325198 / BZ RK 23/2359 (op 19 december 2024 was deze uitspraak nog niet gepubliceerd op rechtspraak.nl); mondelinge uitspraak van 29 december 2023, schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 11 januari 2024, hierna ook: de beschikking van 29 december 2023.
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 juni 2024 is na een daartoe strekkend verzoek van mij op 28 november 2024 door de cassatieadvocaat van betrokkene in cassatie overgelegd.
Rb. Limburg 21 juni 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:4295; mondelinge uitspraak van 21 juni 2024, schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 27 juni 2024.
Procesinleiding in cassatie onder 1.1
Procesinleiding in cassatie onder 1.2.
Procesinleiding in cassatie onder 1.3.
Ook procesinleiding in cassatie onder 1.3.
Zo ook W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:4, aant. 2.3 (publicatiedatum: 9 september 2024) en de conclusie van voormalig A-G Lückers van 8 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:557, onder 2.13 vóór HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1216, JGz 2022/47.
Zie HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885, NJ 2021/245, m.nt. J. Legemaate, JGz 2021/62, m.nt. R.B.M. Keurentjes, r.o. 3.2, met verwijzing naar EHRM 24 oktober 1979, nr. 6301/73, NJ 1980/114, m.nt. E.A. Alkema (Winterwerp/Nederland) en EHRM 5 oktober 2000, nr. 31365/96, BJ 2001/36, m.nt. W.J.A.M. Dijkers (Varbanov/Bulgarije). Zie ook HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:191, JGz 2023/21, m.nt. C.C. van Velzen, r.o. 3.2.1. Vgl. HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1548, RvdW 2024/1024, r.o. 3.1.2.
Vgl. ook – in het kader van wijziging van een zorgmachtiging op grond van artikel 8:12 Wvggz – o.m. HR 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1357, NJ 2021/385, m.nt. J. Legemaate, JGz 2021/79, m.nt. J.J. de Jong, r.o. 3.3.
Zie M.A.J.M. van Sprundel-Jansen, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 5:8 Wvggz, aant. 1 (publicatiedatum 24 april 2024) met verwijzing naar de conclusie van voormalig A-G Lückers van 8 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:557 (zie onder 2.14) vóór HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1216, JGz 2022/47. Vgl. ook reeds W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gezondheidsrecht, art. 5 Wet Bopz, aant. 1.2.2 (publicatiedatum 14 februari 2016) en daarover de conclusie van voormalig plv. P-G Langemeijer van 26 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:322, onder 2.12 vóór HR 11 juni 2021, hiervoor aangehaald. Vgl. ook i.v.m. de bruikbaarheid van een eerdere medische verklaring voor de uitvoeringsbeslissing tot opneming in een accommodatie de conclusie van voormalig plv. P-G Langemeijer van 17 augustus 2020, ECLI:NL:PHR:2020:732, onder 3.13 vóór HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1508, NJ 2020/401, m.nt. J. Legemaate, JGz 2020/78, m.nt. W.J.A.M. Dijkers.
Rechtbank Rotterdam, Korte handleiding medische verklaring, september 2024.
Zie HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3251, NJ 2018/47, JGz 2018/6, r.o. 3.3.2. Deze onder de Wet Bopz gegeven beschikking heeft haar betekenis onder de Wvggz mijns inziens niet verloren.
Zie HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885, NJ 2021/245, m.nt. J. Legemaate, JGz 2021/62, m.nt. R.B.M. Keurentjes, r.o. 3.5.
Zie HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885, NJ 2021/245, m.nt. J. Legemaate, JGz 2021/62, m.nt. R.B.M. Keurentjes, r.o. 3.4 en HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:191, JGz 2023/21, m.nt. C.C. van Velzen, r.o. 3.2.3.
Deze eerste beschikking op het verzoek om een zorgmachtiging wordt wel aangeduid als deelbeschikking of partiële beschikking en de verleende machtiging als overbruggingsmachtiging. Zie daarover W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:4, aant. 7.6 (publicatiedatum: 9 september 2024), onder verwijzing naar o.m. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:191, JGz 2023/21, m.nt. C.C. van Velzen.
Vgl. ook de conclusie van A-G Drijber van 13 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1349, onder 3.3-3.5. De A-G is ook van oordeel dat, na een eerdere deelbeschikking, een zorgmachtiging niet mag worden verleend indien bij de beoordeling na aanhouding blijkt dat de medische verklaring die ten grondslag ligt aan het daartoe strekkende verzoek niet voldoet aan de uit de wet voortvloeiende eisen.
Vgl. in gelijke zin r.o. 3.6 van de eerdere beschikking van 29 december 2023, waarbij opvalt dat in de bestreden beschikking in dit verband ook gewezen wordt op het belang van acceptatie van medicatie door betrokkene.
In het cassatiemiddel onder 1.1 wordt geconstateerd dat ‘een belangrijk deel van de vorige beschikking van 29 december 2023 is overgeschreven in de beschikking van 21 juni 2024’, onder verwijzing naar kopieën van beide beschikkingen waarin gelijkluidende passages geel gemarkeerd zijn (overgelegd als productie 2 bij de procesinleiding in cassatie).
In welke overwegingen volgens het cassatiemiddel onder 1.1 ook sprake is van het overschrijven uit de beschikking van 29 december 2023, zie de vorige voetnoot.
Beroepschrift 17‑09‑2024
Procesinleiding in verzoekschriftzaak met betrekking tot de Wvggz
Geeft eerbiedig te kennen
[betrokkene], wonende te [woonplaats] ([provincie]), te dezer zake in Den Haag woonplaats kiezende aan de Riouwstraat 131, ten kantore van de advocate bij de hoge raad der Nederlanden mr. G.E.M. Later, die door verzoekster als zodanig wordt aangewezen om voor haar in dit rechtsgeding op te treden en voor verzoekster deze procesinleiding ondertekent en indient;
- 1.
Bij beschikking van 21 juni 2024 onder zaaknummer C/03/325198/BZ RK 23/2359 heeft de rechtbank Limburg, locatie Roermond een opvolgende zorgmachtiging verleend voor de resterende termijn tot en met uiterlijk 29 december 2024, nadat de rechtbank eerder op 29 december 2023 een opvolgende zorgmachtiging had verleend tot en met uiterlijk 29 juni 2024 onder de bepaling dat de mondelinge behandeling zal worden voortgezet op vrijdag 21 juni 2024 op een nader te bepalen tijdstip en nader te bepalen locatie. Die beschikking van 21 juni 2024 met eerdere beschikking van 29 december 2023, het verzoekschrift van de officier van justitie van het arrondissementparket Limburg van 11 december 2023 met bijlagenoverzicht, historisch overzicht, positief bericht inzake indiening verzoekschrift zorgmachtiging gericht aan de broer — mentor, verzoeker en verzoeksters advocaat, bevindingen van de geneesheer-directeur van 8 december 2023, de medische verklaring van de psychiater [psychiater] van 6 december 2023 16:00 uur, zorgplan van 4 december 2023, zorgkaart van 4 december 2023, het standpunt ten aanzien van verlenging van de zorgmachtiging van 28 december 2023 van verzoeksters broer en mentor, het proces-verbaal van de zitting van 29 december 2023 alsmede de oproep voor de zitting van 21 juni 2024 en de e-mail aan verzoekers advocaat met het bericht van verzoeksters broer aan de rechtbank legt verzoeker hierbij over.
- 2.
Verzoekster kan zich met de onderhavige beschikking van 21 juni 2024 niet verenigen en stelt daarvan bij deze — derhalve tijdig — beroep in kassatie in onder aanvoering van het navolgende:
Middel van kassatie
Schending van het recht althans verzuim van vormen waarvan niet inachtneming nietigheid medebrengt, aangezien de rechtbank Limburg zittingsplaats Roermond, ten aanzien van het verzoek aansluitende zorgmachtiging van 11 december 2023 heeft overwogen, zoals in de beschikking van 21 juni 2024 staat vermeld en heeft beslist zoals in de beschikking staat beschreven, welke overwegingen en beslissingen als hier herhaald en overgenomen dienen te worden beschouwd, zulks ten onrechte om de navolgende redenen.
I.
Naar uit de beschikking blijkt sub 2.3. is het standpunt namens verzoeker aangevoerd door haar advocaat:
‘…2.3.
De advocaat verzoekt om de resterende termijn van de zorgmachtiging af te wijzen.
De raadsman is van mening dat er een nieuw verzoek en een nieuwe medische verklaring had dienen te worden overgelegd nu de tussenbeschikking reeds een half jaar geleden is gegeven.
De advocaat verklaart bovendien dat betrokkene terug wil keren naar haar huis in het bos. Begeleid wonen zou kunnen, maar geniet niet de voorkeur.
Volgens de raadsman heeft betrokkene bezwaar tegen de medicatie. Bovendien maakt de raadsman bezwaar tegen de opname in de accommodatie aangezien betrokkene daar alleen maar verblijft vanwege haar somatische problemen…’.
Waar de rechtbank sub 2.7. heeft overwogen:
‘…2.7.
De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat de zorgmachtiging voor de resterende termijn nog noodzakelijk is.
Het toestandsbeeld van betrokkene is inmiddels verbeterd dankzij de medicatie. Deze medicatie is essentieel voor betrokkene om haar toestandsbeeld stabiel te houden en het ernstig nadeel af te wenden. Het risico is groot dat betrokkene zal stoppen met de medicatie indien het juridisch kader wegvalt. Ze is het immers niet eens met de toediening van de verplichte medicatie.
Betrokkene moet nog één operatie ondergaan. Indien betrokkene hiervan hersteld is, zal een passende woonplek voor haar worden gerealiseerd. Een andere woonvorm dan de huidige afdeling, zoals een beschermde woonvorm is hierbij een optie.
Hierbij is het belangrijk dat betrokkene de medicatie accepteert en de ambulante zorgverleners toelaat.
De zorgmachtiging is noodzakelijk als zijnde een ‘vangnet’ om adequaat de juiste hulp te kunnen bieden en om tijdig te kunnen ingrijpen wanneer blijkt dat er sprake is van een terugval.
Het bovenstaande noodzaakte, naar het oordeel van de rechtbank, niet tot een actuele medische verklaring. Het doel van het aanhouden van de zorgmachtiging was met name om te bezien of inmiddels een passende woonvoorziening is gerealiseerd…’.
Welke overwegingen van de rechtbank naar de mening van verzoekster onjuist zijn althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting
1.1. Eerdere beschikking van 29 december 2023
Uit de beschikking blijkt dat met betrekking tot de beoordeling een belangrijk deel van de vorige beschikking van 29 december 2023 is overgeschreven in de beschikking van 21 juni 2024. Verzoekster legt de beide beschikkingen hierbij over zowel in originele vorm als in kopie waarin geel gemaakt is wat letterlijk in de beschikking van 21 juni 2024 is overgenomen uit de beschikking van 29 december 2023. Uit de beschikking van 29 december 2023 blijkt dat de rechtbank de zorgmachtiging voor de duur van zes maanden heeft verleend en voor het overige aangehouden om te kunnen bezien hoe het dan gaat en of er dan een passende woonvoorziening is gerealiseerd. De rechtbank zal op een volgende zitting bespreken hoe het toestandsbeeld van betrokkene zich heeft ontwikkeld en hoe de medewerking van betrokkene in de behandeling en het nemen van de medicatie is verlopen.
1.2. Geen actuele informatie van een onafhankelijk psychiater noch van de behandeld psychiater noch van de zorgverantwoordelijke
Verzoekster is op 21 juni 2024 gehoord evenals haar advocaat. Verder was een verpleegkundig specialist [verpleegkundig specialist] aanwezig die gehoord is. Er was geen psychiater aanwezig die nader de rechtbank kon voorlichten. Evenmin was voorhanden een medische verklaring van een psychiater die de actuele medische situatie van verzoekster aangaf.
Er was voorhanden een zorgplan van 4 december 2023 maar evenmin is de zorgverantwoordelijke, [zorgverantwoordelijke] die in het zorgplan van 4 december 2023 als zorgverantwoordelijke wordt genoemd gehoord of de arts-assistent afdeling volw.1 [arts-assistent] die in dat zorgplan wordt genoemd. Of dan ook een verlenging tot en met 29 december 2024 nodig was blijkt bij gebrek aan aanvullende informatie niet.
1.3. Artikel 2:1 Wvggz
In de eerste beschikking werd de bewegingsvrijheid beperkt bij opname. Verzoekster is nog steeds opgenomen als zij voor de tweede keer gehoord wordt. Maar het beperken van de bewegingsvrijheid blijkt niet nodig te zijn. Zij wordt op de afdeling dus niet beperkt in het bewegingsvrijheid. Dat doet de vraag rijzen of rekening gehouden is met algemene uitgangspunten als bedoeld in artikel 2:1 Wvggz te weten vrijwilligheid, ultimum remedium, proportionaliteit, subsidiariteit, effectiviteit, en veiligheid. Er is geen onafhankelijke rapportage over deze onderwerpen. Er is geen actuele medische informatie en die wordt ook niet ter zitting verstrekt en de reden van een aanhouding op 29 december 2023, te weten of er een passende woonvoorziening is gerealiseerd, is kennelijk geen onderwerp van discussie geweest tijdens de zitting van 21 juni 2024. Het wordt wel genoteerd maar uit de beschikking blijkt niet wat er mee gedaan is.
Nu er dus geen actuele medische informatie is van de sub 1.2. genoemde personen is het onbegrijpelijk dat de rechtbank de zorgmachtiging voor de resterende termijn tot en met uiterlijk 29 december 2024 oplegt. Het gaat hier wel om een beslissing die valt onder artikel 5 lid 1 aanhef en onder e EVRM. Er zal dus uitgebreid beoordeeld moeten worden of er gronden zijn. Verzoeksters raadsman heeft bezwaar gemaakt tegen de opname in de accommodatie aangezien verzoekster daar alleen maar verblijft vanwege de somatische problemen. Ook als er een psychische stoornis kan worden genoemd betekent dat niet zomaar dat de betrokkene tegen haar wil in een psychiatrisch ziekenhuis moet verblijven. Of het noodzakelijk is medicatie te blijven gebruiken blijkt feitelijk ook niet uit de stukken.
Kortom, naar de mening van verzoekster was er geen reden om zonder enige nadere informatie te beslissen dat de zorgmachtiging tot en met 29 december 2024 moest worden verleend.
Dat verzoekster meent dat op grond van het bovenstaande de beschikking voor vernietiging in aanmerking komt;
Dat verzoekster procedeert onder toevoeging 3MC3221 d.d. 12 juli 2024, van welk toevoegingsbewijs zij kopie zal overleggen;
Weshalve
Het de hoge raad der Nederlanden moge behagen te vernietigen de beschikking van de rechtbank Limburg locatie Roermond van 21 juni 2024 met zodanige beschikking als uw hoge raad in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Den Haag, 17 september 2024
mr. G.E.M. Later
advocaat