Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.4.1:6.4.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.4.1
6.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS583068:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. bijv. HR 22 februari 2002, NJ 2003, 483 m.nt. PV. Zie ook Vriesendorp 1970, nr. 84; Burgerlijke Rechtsvordering (Asser), art. 48 Rv (oud), aant. 5.
Aldus HR 28 maart 1990, NJ 1991, 118 m.nt. MS, r.o. 4.8, waarover ook § 4.2.3.
Zie hierover hoofdstuk 4, in het bijzonder § 4.4.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het voorgaande is ingegaan op de vraag wanneer een rechtersregeling recht in de zin van art. 79 RO vormt, tot wat voor binding een dergelijke regeling leidt, en op welke wijze deze binding door procespartijen, in het bijzonder in de cassatiefase, geëffectueerd kan worden. Aan het slot van dit hoofdstuk zal kort aandacht worden besteed aan een daarmee verwante vraag: is een rechtersregeling die voldoet aan de vereisten voor recht in de zin van art. 79 RO, tevens een 'rechtsgrond' als bedoeld in art. 25 (voorheen: art. 48) Rv? Ingevolge deze bepaling dient de rechter immers ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen die niet door partijen zijn aangevoerd.1
De begrippen 'recht' in art. 79 RO en 'rechtsgrond' in art. 25 Rv overlappen elkaar grotendeels, maar niet volledig.2 Zo is buitenlands recht wel een rechtsgrond in de zin van art. 25 Rv,3 maar kan over schending daarvan in cassatie niet worden geklaagd (vgl. art. 79 sub 2 RO); het is dus géén recht in de zin van art. 79 RO. Ten aanzien van beleidsregels van bestuursorganen geldt het omgekeerde. In het Leidraad-arrest heeft de Hoge Raad beslist dat deze weliswaar recht in de zin van art. 79 RO kunnen vormen, maar door de rechter (daaronder begrepen de Hoge Raad zelf) niet ambtshalve toegepast behoeven te worden.4 Met andere woorden: beleidsregels behoren niet tot de rechtsgronden als bedoeld in art. 25 Rv. Gelet op de grote overeenkomsten die russen rechtersregelingen en beleidsregels bestaan,5 dient zich hiermee de vraag aan wat voor rechtersregelingen heeft te gelden: is een rechtersregeling die voldoet aan de eisen voor recht in de zin van art. 79 RO daarmee ook een rechtsgrond in de zin van art. 25 Rv, of behoeft de rechter een zodanige regeling juist niet ambtshalve toe te passen? Alvorens deze vraag kan worden beantwoord (§ 6.4.3), zal eerst in het kort uiteen worden gezet wat onder de verplichting tot ambtshalve toepassing van art. 25 Rv verstaan moet worden (§ 6.4.2).