Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.6.1
IX.6.1 Strafrechtelijk karakter
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS597493:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover § V.3.2.
§ II.4 en II.5.
Vgl. § II.6 en II.7.
§ II.10.1.
§ III.4.1.
§ III.4.2 en 4.3.
Dat uit zich bijvoorbeeld erin dat in het bestuursrecht het uitgangspunt is dat eenieder aan handhavingstoezicht dient mee te werken (art. 5:20 Awb). Het moeten verstrekken van inlichtingen is op zichzelf onproblematisch. Slechts het gebruik ervan in een op determination of a criminal charge gerichte procedure stuit op bezwaren. Vgl. Corstens/ Borgers 2014, p. 349-350.
Zie § IV.4.2; § VI.2.1, i.h.b. 2.1.3.
De behandelingsdimensie heeft dan zogezegd afgeleide werking, zie daarover § VI.2.1.3.
Vgl. in die zin Stuckenberg 1998, p. 557-558.
De behandelingsdimensie kan niet alleen grenzen stellen aan die bejegeningswijzen, maar ze mogelijk ook voorkomen, door in te scherpen dat eerst de uitkomst van de procedure de verdachte in de daderstand verheft. Zie § IV.3.3.
Vgl. Duff 2013a, p. 171-172: “If we are to understand the significance of the PoI within the criminal trial, we must see it as an expression of deeper values that should structure the state’s dealings with its citizens.” Daarmee kan echter ook worden ingestemd zonder te accepteren dat “we can expect to be protected against [...] other kinds of coercive imposition as well, [...] by something like the PoI”. Die redenering suggereert dat ieder strafrechtelijk beginsel een evenknie behoort te hebben in het overige (publiek)recht.
Zie hiervoor § IX.5.
Maar dat beginsel stuit op meer bezwaren dan het onschuldvermoeden en heeft dan ook in Nederland hooguit de status van fatsoensnorm, zie daarover § IV.3.2.4.
In dat licht kan bijvoorbeeld ook EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98 (Phillips/Verenigd Koninkrijk) worden begrepen, waarin het Hof eerst vaststelde dat de ontneming geen criminal charge was, maar de door de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie ingegeven bewijslastverdeling niettemin in deze context ook uit hoofde van het eerste lid van art. 6 EVRM besloot in afgezwakte mate toe te passen. Zie daarover § VI.9.
In elk geval niet in het Nederlandse recht, maar zover ik weet ook niet in andere landen en zeker niet in het internationale verdragsrecht.
Heeft de onschuldpresumptie als rechtsbeginsel een zuiver strafrechtelijk karakter? Voor zover zij van het positieve recht onderdeel uitmaakt, is dat in elk geval zo. De met uitleg van het onschuldvermoeden belaste internationale organen zijn daar eenstemmig en eenduidig over. Daarbij moet uiteraard wel bedacht worden dat die organen autonome criteria hanteren aan de hand waarvan zij het strafrechtelijke karakter van een procedure vaststellen en dat de onschuldpresumptie dus ook op andere punitieve sanctieprocedures van toepassing kan zijn dan naar nationaal recht strafrechtelijke.1 De opname in de internationale formulering van de toepassingsvoorwaarde dat de betrokkene charged with a criminal offence is, laat over de strafrechtelijke aard van het beginsel in deze autonome zin geen twijfel bestaan.
Ook de in het adagium aanwezige woorden presumed innocent en until proved guilty verraden een strafrechtelijk karakter. De tweedeling tussen schuld en onschuld, komt in het strafrecht altijd centrale betekenis toe, terwijl dat in zaken over bijvoorbeeld civil rights and obligations eerder uitzondering is. Op de huidige wijze geformuleerd, is het beginsel dan ook door de eeuwen heen als strafrechtelijk principe beschouwd. Het adagium is ontstaan uit een algemener, niet tot het strafrecht beperkt, vermoeden van goedheid. De specifiekere formulering als vermoeden van onschuld werd gehanteerd om de strafrechtelijke toepassing ervan aan te duiden of te onderstrepen. Voor zover het goedheidsvermoeden op het strafrecht betrekking had is daaraan gaandeweg consequenter als vermoeden van onschuld gerefereerd.2 Het is die formulering van het adagium geweest die tijdens de Verlichting als argument werd opgeworpen tegen de wijze waarop verdachten in het vigerende strafrecht werden bejegend. Voor de behandelingsdimensie van de onschuldpresumptie is de beperking tot strafrecht dan ook van oorsprong vanzelfsprekend geweest.3 Ten tijde van de totstandkoming van de UVRM, die de basis zou vormen voor de tekst van het EVRM en het IVBPR, achtte men verwijzing naar schuld en onschuld in de tekst echter onvoldoende. Bij het strafrechtelijk karakter van de onschuldpresumptie is toen uitdrukkelijk stilgestaan. De beperking tot personen die charged with a criminal offence zijn, moest dat karakter zeker stellen.4
Ook meer inhoudelijk bestaan goede redenen om de onschuldpresumptie op andere dan op bestraffing gerichte procedures niet op dezelfde wijze en in dezelfde mate van toepassing te achten. De in dit boek geïdentificeerde grondslagen ervoor hebben in andere procedures niet dezelfde algemene gelding en worden daarin niet even vanzelfsprekend onderschreven en beaamd als in het strafrecht.
De bewijsdimensie berust primair op de voorkeur voor inaccurate bewijsbeslissingen in het voordeel van de verdachte boven onjuiste veroordelingen.5 Ongetwijfeld zijn privaatrechtelijke casusposities denkbaar waarin diezelfde foutdistributie wenselijk voorkomt, maar in het algemeen lijkt niet te kunnen worden gezegd dat zelfs waar de kans aanzienlijk groter is dat de eiser de feitelijke toedracht juist presenteert, beter is de gedaagde het voordeel van de twijfel te geven, of vice versa. En ook in het niet-punitieve bestuursrecht zal die voorkeur minder aanspreken naar mate de consequenties van onjuist overheidsingrijpen voor het daardoor getroffen individu geringer worden. Daar komt nog bij dat de tweede en derde grondslag voor de bewijsdimensie verwijzen naar het ingrijpende karakter van het bestraffend overheidsoptreden en de door het zwijgrecht en nemo-teneturbeginsel gereguleerde vrijheid van de burger zich van een constructieve bijdrage aan de strafzaak te onthouden.6 Waar met overheidsoptreden geen bestraffing is beoogd, maar bijvoorbeeld rechtsherstel, spreken die argumenten minder aan.7
De behandelingsdimensie richt zich uitsluitend tot bejegening als schuldige aan een strafbaar feit en beschermt zo de exclusiviteit en openheid van de strafprocedure.8 De behandelingsdimensie kan derhalve ook in het geding zijn in andere dan strafrechtelijke procedures, wanneer daarin iemand wordt bejegend als schuldige aan een strafbaar feit waarvoor hij niet is veroordeeld. De behandelingsdimensie beschermt de exclusiviteit en openheid van die andere procedure echter niet.9 Ook andere vormen van procedurele geschilbeslechting dan het strafproces zijn er evenwel bij gebaat dat de uitkomst van de procedure open is en dat anticipatie daarop en omzeiling of ondermijning ervan worden vermeden.10 De beperking van de behandelingsdimensie tot het strafrecht moet dan ook worden gezocht in de mindere urgentie om ter behartiging van die belangen aan overheidsinstanties en - functionarissen te verbieden een burger te bejegenen alsof voorshands vaststaat in welk resultaat een procedure zou of zal uitmonden. Die urgentie is voor de strafprocedure in het algemeen groter. De gevolgen van onterechte anticipatie door middel van punitieve bejegeningswijzen zijn ten eerste veelal meer ingrijpend en onherstelbaar dan in andere procedures. Daarnaast lijkt in het algemeen de neiging tot met het onschuldvermoeden strijdige bejegening in strafzaken meer aanwezig. Dat ligt onder meer eraan dat in strafzaken diverse overheidsvertegenwoordigers met de strafzaak en de verdachte te maken krijgen en bevoegdheden over hem uitoefenen. Die bevoegdheden tot bijvoorbeeld het aanwenden van dwangmiddelen laten zich in de verkeerde handen en bij onvoldoende begrenzing gemakkelijk misbruiken. En ook de goed bedoelende ambtenaar kan erdoor in de verleiding worden gebracht het recht alvast een handje te helpen.11 Daar komt bij dat het strafrecht relatief vaak politiek en/of emotioneel geladen kwesties betreft. De onschuldpresumptie neemt het rationele rechterlijk oordeel daarom in zekere zin in bescherming door de twijfel en onzekerheid over de schuld van de verdachte te onderstrepen en voorzichtigheid en zelfs afwachtendheid te dicteren. Dat dat niet altijd gemakkelijk is en tegen de wensen van de wetgever soms indruist, bevestigt in dat opzicht juist de grotere behoefte aan het beginsel in strafzaken.
Dit alles neemt niet weg dat de onschuldpresumptie uitdrukking geeft aan waarden die ook andere rechtsbetrekkingen in het algemeen en in het bijzonder andere relaties tussen de overheid en de burger kenmerken.12 Dat e onschuldpresumptie overlapt met diverse andere rechten en beginselen die de relatie tussen staat en burger reguleren, wees daarop ook reeds.13 In het recht zijn dan ook diverse abstractere beginselen en concretere rechtsregels aanwezig die berusten op gedachten die ook aan de onschuldpresumptie ten grondslag liggen. Zo wordt gesproken van een algemener sub judicebeginsel dat overheidsfunctionarissen verbiedt zich uit te laten over een geschil dat onder de rechter is, hetgeen met de behandelingsdimensie vergelijkbare belangen beoogt te beschermen.14 Ook kan in diverse rechtsgebieden grond bestaan onder bepaalde omstandigheden in specifieke geschillen de bewijslast bij de doorgaans sterkere partij (de overheid, de werkgever, de verhuurder, enz.) te leggen, omdat bij twijfel een beslissing ten gunste van de doorgaans zwakkere partij de voorkeur verdient.15 Voor erkenning van een universeel beginsel dat aan alle in de onschuldpresumptie besloten liggende normen gewicht toekent, is in die rechtsgebieden echter minder aanleiding. Het verbaast in zoverre niet dat zo’n beginsel in het positieve recht niet bestaat.16