Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/4.4.3
4.4.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS591854:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 934. Zie ook Broekveldt 2003a, nr. 360. Dat dit ook werkt ten behoeve van de geëxecuteerde onderstreept dat ook bij derdenbeslag sprake is van de uitoefening van andermans recht.
Ook het doen van mededeling bij een recht van pand of een recht van vruchtgebruik is voldoende om een lopende verjaring te stuiten. Het is een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog ingestelde vordering behoorlijk kan verweren.
Zie r.o. 3.6, HR 19 december 1997, NJ 1998, 403 (CNV/Pennwalt Holland), m.nt. TK.
Zie Hof 's-Hertogenbosch 6 juli 2004, JOR 2004/310 (Vie d'Or).
Zie r.o. 3.5, HR 2 maart 2001, NJ 2001, 304 (Bührman/Celtona).
Anders: Hummelen 2011, p. 90 e.v., en ten aanzien van art. 3:317 BW, Hummelen 2011, p. 92. In de opvatting van Hummelen kunnen een inningsbevoegde vruchtgebruiker, pandhouder, beslaglegger enz., die allen in eigen naam andermans vordering innen, nooit de verjaring stuiten. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat dit standpunt onjuist is. Zie ten aanzien van de beslaglegger bijvoorbeeld, M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 934.
Zie HR 3 december 2010, NJ 2010, 652, waarover Hummelen 2011, p. 88 e.v.
Zie ook Losbladige Vermogensrecht 2010 (H.H. Lammers), art. 3:170, aant. 11; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 424; Schoordijk 1979, p. 61.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 587;en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p.129-130.
Zie voor de executele Asser/Perrick 4* 2009, nr. 516; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 352.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 588; en M.v.A. II, Parl Gesch. Boek 6, p. 130.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek3, p. 588; en M.v.A. II, Parl Gesch. Boek 6, p. 130. Zie ook hiervóór nr. 110.
Anders: Losbladige Vermogensrecht 2010 (H.H. Lammers), art. 3:170, aant. 11.
Zie hiervóór nr. 136.
Op grond van art. 3:316 lid 1 BW en de ruime uitleg die daaraan wordt gegeven, is naar mijn mening zelfs verdedigbaar dat de deelgenoot die in eigen naam pro se procedeert niet alleen voor zichzelf, maar ook voor de gemeenschap de bevrijdende verjaring van de gemeenschappelijke vordering stuit.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 588; en M.v.A. II, Parl Gesch. Boek 6, p. 130.
Door het ontbreken van hun inningsbevoegdheid dient de stuiting te gebeuren door een schriftelijke mededeling zoals bedoeld in art. 3:317 BW.
213. Een analyse van de rechtsfiguren waarbij een derde andermans vordering int, vult de bevoegdheid van de stille cedent en de stille cessionaris om de verjaring te stuiten nader in.
De inningsbevoegde derde is steeds bevoegd om de bevrijdende verjaring te stuiten. Het stuiten van de bevrijdende verjaring gebeurt onder meer door het instellen van een eis of een andere daad van rechtsvervolging, of door een schriftelijke aanmaning. Tot deze handelingen is de inningsbevoegde derde uit hoofde van zijn inningsbevoegd steeds bevoegd. Hieruit volgt dat hij ook bevoegd is tot de stuiting van de verjaring.
Ook andere personen 'aan de zijde van de schuldeiser' die (nog) niet inningsbevoegd zijn, kunnen een lopende verjaring stuiten. Het begrip 'aan de zijde van de gerechtigde' in art. 3:316 BW wordt ruim uitgelegd. Blijkens de parlementaire geschiedenis wordt met deze uitdrukking bedoeld dat de verjaring niet alleen wordt gestuit door een handeling van gerechtigde zelf, maar ook door een zodanige handeling van een ander aan diens zijde. Als voorbeeld wordt genoemd een conservatoir derdenbeslag op de vordering (ten laste van de schuldeiser) door de beslaglegger. Door het derdenbeslag stuit de beslaglegger de lopende verjaring,1 ook al is hij op dat moment (nog) niet inningsbevoegd.2 Hieruit volgt niet alleen dat de verjaring door een ander dan de schuldeiser kan worden gestuit, maar ook dat de derde niet inningsbevoegd hoeft te zijn, zolang maar sprake is van een stuiting 'aan de kant van de gerechtigde'.
Het criterium 'aan de zijde van de gerechtigde' wordt ook in de rechtspraak ruim uitgelegd. Uit het arrest CNV/Pennwalt Holland3 blijkt dat als een stichting als belangenbehartiger een rechtsvordering instelt op grond van art. 3:30Sa BW, hierdoor tevens de verjaring is gestuit van de vorderingen van de personen waarvoor de stichting niet is opgetreden en die niet aan het vonnis zijn gebonden, voor zover deze betrekking hebben op dezelfde rechten ter zake waarvan de stichting heeft geprocedeerd. Uit het hiervoor besproken arrest Vie d'Or volgt (ook) dat een curator bevoegd is tot het stuiten van de verjaring.4
214. De stuitingshandeling hoeft niet noodzakelijkerwijs in naam van de schuldeiser te worden verricht; de derde kan de stuitingshandeling ook in eigen naam verrichten. Dit volgt onder meer uit het gegeven dat de derdenbeslaglegger de verjaring kan stuiten; de derdenbeslaglegger handelt immers in eigen naam. Ook het arrest Bührman/Celtona5 ondersteunt dit stand punt. Uit dit arrest volgt dat een dagvaarding uitgebracht door een derde die is betrokken bij de inning van de vordering, kan worden aangemerkt als een stuitingshandeling aan de zijde van de gerechtigde. De Hoge Raad oordeelt dat art. 3:316 lid 1 BW toelaat dat een ander dan de gerechtigde zelf de verjaring van een rechtsvordering stuit. Hij is bevoegd om de stuitingshandeling in eigen naam te verrichten. Het Hof had geoordeeld dat de stuitingshandeling van de derde moest worden toegerekend aan de schuldeiser, waardoor de verjaring werd gestuit, hetgeen wijst op onmiddellijke vertegenwoordiging. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het Hof "geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting", maar oordeelt vervolgens zelf dat art. 3:316 lid 1 BW toelaat dat een ander dan de gerechtigde zelf de verjaring van een rechtsvordering stuit. In dit oordeel ontbreekt de toerekening. Daaruit blijkt dat volgens de Hoge Raad derden ook zelfstandig bevoegd zijn om in eigen naam de verjaring te stuiten. Toerekening van de stuitingshandeling aan de gerechtigde is daarvoor niet nodig.6 Het laat uiteraard onverlet dat indien een stuitingshandeling wel kan worden toegerekend aan de schuldeiser, óók sprake kan zijn van een geldige stuiting.7
215. Aanvullende argumenten voor de genoemde stellingen kunnen worden ontleend aan onder meer de regelingen van de 'gewone' gemeenschap, het testamentair bewind en de huwelijksgemeenschap.
Uit art. 3:170 BW volgt dat iedere deelgenoot, ook al is hij niet beheers- of inningsbevoegd, desondanks zelfstandig bevoegd is ten behoeve van de gemeenschap om de verjaring te stuiten.8 De stuiting van de verjaring werkt ten gunste van de andere deelgenoten.9 Uit art. 3:170 lid 1 jo lid 2 BW volgt dat stuiting van de verjaring een beheershandeling is.10 De bepaling is een uitzondering op de hoofdregel van art. 3:170 lid 2 BW dat alleen de deelgenoten gezamenlijk bevoegd zijn tot het beheer van de vordering of alleen de beheersbevoegde deelgenoot dat is. Blijkens de parlementaire geschiedenis is ieder der deelgenoten tot stuiting bevoegd, omdat de stuiting immers slechts ten voordele van de overige deelgenoten kan strekken en niet kan worden geacht het beleid van degene die ingevolge een eventuele regeling met het beheer is belast, te doorkruisen.11 Het stuiten van de verjaring is dienstig aan een goed beheer van de vordering. Door het stuiten van verjaring wordt het belang van geen der betrokken personen geschaad of op andere wijze nadelig beïnvloed, bijvoorbeeld, doordat keuzes worden ingeperkt, zoals bij het omzetten van een vordering tot nakoming in een tot vervangende schadevergoeding. Ook wordt door de stuitingshandeling het beheer van de vordering niet doorkruist, zoals bij een ingebrekestelling.12
De deelgenoot die de stuitingshandeling in eigen naam verricht en kenbaar maakt dat hij de stuitingshandeling verricht ten behoeve van de gezamenlijke deelgenoten, bewerkstelligt daardoor dat de lopende verjaring van de gemeenschappelijke vordering wordt gestuit.13 Het is niet nodig dat hij daarbij als onmiddellijk vertegenwoordiger optreedt van de gemeenschap. Hij kan immers ook in eigen naam ten behoeve van de gemeenschap procederen, zolang hij maar kenbaar maakt dat hij ten behoeve van de gemeenschap procedeert.14 In de parlementaire geschiedenis bij art. 3:170 lid 1 BW is opgemerkt dat de woorden 'ten behoeve van' aangeven dat de in hoedanigheid handelende deelgenoot in naam van de overige deelgenoten zal moeten handelen, in de zin dat sprake dient te zijn van onmiddellijke vertegenwoordiging.15 In deze passage worden naar mijn mening echter de begrippen 'ten behoeve van' en 'in naam van' onvoldoende onderscheiden.16
Niet alleen een inningsonbevoegde deelgenoot is zo nodig zelfstandig bevoegd om de verjaring te stuiten, maar ook de bestuursonbevoegde echtgenoot (art. 1:97 lid 1 BW), de beheersonbevoegde erfgenamen bij het testamentair bewind (art. 4:166 BW) en de beheersonbevoegde erfgenamen bij de vereffening van de nalatenschap (art. 4:222 jo 3:170 lid 1 BW) zijn daartoe onbevoegd. Zij zijn allen inningsonbevoegd, maar bevinden zich wel 'aan de kant van de schuldeiser'. Omdat de stuiting slechts ten voordele van alle betrokkenen kan strekken en niet kan worden geacht het beleid van degene die met het beheer of de inning van de vordering is belast, te doorkruisen,17 is goed verdedigbaar dat ook andere inningsonbevoegde schuldeisers zo nodig de verjaring kunnen stuiten. Ook een oplettende gefailleerde of een oplettende openbaar pandgever zijn bijvoorbeeld zo nodig bevoegd om de verjaring te stuiten.18
216. Uit voorgaande volgt dat niet alleen een inningsbevoegde derde in eigen naam de verjaring kan stuiten, maar ook een inningsonbevoegde schuldeiser en zelfs een inningsonbevoegde derde. In alle gevallen kan sprake zijn van een stuitingshandeling 'aan de kant van de schuldeiser'. De stuitingshandeling behoeft niet aan de schuldeiser te kunnen worden toegerekend; voldoende is dat de schuldenaar weet dat nakoming wordt gevorderd van de desbetreffende vordering. Hieruit volgt dat zowel de stille cedent als de stille cessionaris beide zelfstandig bevoegd zijn om de verjaring van de stil gecedeerde vordering te stuiten. Het is daarbij geen vereiste dat de stille cedent de verjaring in naam van de stille cessionaris stuit, dus als onmiddellijk vertegenwoordiger. De stille cedent kan in eigen naam de verjaring stuiten, zonder dat hij daarbij kenbaar maakt dat hij in hoedanigheid handelt.
De stuitingshandeling heeft gevolgen voor de vordering zelf en werkt derhalve ten behoeve van de schuldeiser en de inningsbevoegde derde(n), dus ten behoeve van de stille cessionaris en de stille cedent. De stuiting van de verjaring werkt in het voordeel van de stille cessionaris. Omdat de stille cedent de vordering van de stille cessionaris uitoefent, kan hij zich ook jegens de schuldenaar op de stuitingshandeling beroepen.
De stille cessionaris is als schuldeiser ook bevoegd tot het stuiten van de verjaring. Hij is daartoe zelfs bevoegd, als tussen partijen een privatieve last tot inning is overeengekomen en hij op grond daarvan inningsonbevoegd is. Ook een stuitingshandeling verricht door een inningsonbevoegde schuldeiser is een stuitingshandeling 'aan de kant van de schuldeiser'. Verricht de stille cessionaris een stuitingshandeling jegens de schuldenaar, dan zal daarin in beginsel een mededeling van de stille cessie besloten liggen. Dit lijdt uitzondering als de stille cessionaris de stuitingshandeling in naam van de stille cedent verricht.