Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/4.4.1
4.4.1 Bevrijdende verjaring en bevoegdheid tot stuiting
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS588304:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de verjaringstermijnen art. 3:306 t/m 3:315 BW en voorts bijzondere bepalingen zoals art. 7:23 lid 2 BW.
Behalve als het een vuistpand betreft (art. 3:323 lid 2 BW). Zie M.v.A., Parl. Gesch. Boek 3, p. 939. Verdedigbaar is dat lid 2 ook geldt voor een openbaar pandrecht op een vordering.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 388. Zie ook art. 3:323 lid 3 BW.
De bepalingen inzake de verlenging van de verjaring (art. 3:320 en 3:321 BW) hebben betrekking op vorderingen in de onderlinge verhouding tussen rechthebbende en derde, niet op vordering jegens de schuldenaar. Vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 938. Zij blijven derhalve in dit hoofdstuk buiten beschouwing.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 932, respectievelijk M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 934. Andere daden van rechtsvervolging zijn daden van executie, mits deze daden in de vereiste vorm zijn geschied (M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 933-934); het indienen ter verificatie van een vordering (M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 933-934; en Hof 's-Hertogenbosch 5 december 2002, JOR 2003/121); het aanmelden van een vordering bij de executeur of de vereffenaar (art. 4:146 lid 2 tweede zin BW en art. 4:214 lid 3 BW); het indien van een conclusie van eis in reconventie en vermeerdering van eis overeenkomstig art.130Rv (M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek3, p. 933; vgl. art. 134 Rv (oud)). Geen daad van rechtsvervolging is het indienen van een verzoekschrift voorlopig deskundigenonderzoek / getuigenverhoor; het kan wel een mededeling in de zin van art. 3:317 BW inhouden, zie HR 18 september 2009, NJ 2009, 439.
Zie HR 1 februari 2002, NJ 2002, 195. Zie voor een afwijkende regeling, art. 10 lid 5 WAM.
Vgl. Hof Leeuwarden 22 augustus 2001, NJ 2002, 69; en art. 36 lid 1 Fw. Vgl. voor het oude recht Hof 's-Gravenhage 18 januari 1994, NJ 1995, 241.
Vgl. M.v .A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 933. Voor voorbeelden van (een niet succesvolle) eindiging van de ingestelde eis, zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 934.
Vgl. HR 14 februari 1997, NJ 1997, 244.
Zie HR 14 februari 1997, NJ 1997, 244; HR 1 december 2000, NJ 2001, 46; HR 25 januari 2002, NJ 2002, 169; HR 4 juni 2004, NJ 2004, 603; HR 24 november 2006, NJ 2006, 642; en HR 27 juni 2008, NJ 2008, 373.
Zie M.v.A.II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 933.
210. Rechtsvorderingen verjaren door verloop van tijd.1 De rechtsvordering van de schuldeiser is zijn bevoegdheid om in rechte nakoming te eisen van de schuldenaar.2 Door de bevrijdende verjaring wordt de vordering een natuurlijke verbintenis (art. 6:3 lid 1 en lid 2 sub a BW). Nakoming van een natuurlijke verbintenis is niet onverschuldigd, maar de schuldeiser mist de bevoegdheid om in rechte nakoming te eisen. Door de bevrijdende verjaring van een vordering gaan de aan de vordering verbonden pand- en hypotheekrechten teniet (art. 3:323 lid 1 BW);3 komt het eigendomsvoorbehoud aan de schuldeiser te vervallen (art. 3:92 lid 3 BW);4 en gaat de borgtocht teniet (art. 7:853 BW). De bevoegdheid tot verrekening eindigt niet door verjaring van de rechtsvordering (art. 6:131lid 1 BW).
Op grond van art. 3:316 en 3:317 BW kan de verjaringstermijn worden gestuit.5 Het stuiten kan zowel in als buiten rechte gebeuren. Art. 3:316 lid 1 BW bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere daad van rechtsvervolging aan de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de schuldenaar wordt opgeroepen om in rechte te verschijnen (door dagvaarding of verzoekschrift), en als een arbitrale beslissing wordt uitgelokt.6 In het geval dat partijen in onderhandeling zijn, is voor stuiting van de verjaring een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke verklaring vereist waarin de schuldenaar ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.7 Als een ingestelde eis niet tot toewijzing leidt, is de verjaring slechts gestuit, indien binnen zes maanden, nadat het geding door het in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is geëindigd, een nieuwe eis wordt ingesteld en deze alsnog tot toewijzing leidt (art. 3:316 lid 2 BW).8 Wordt een daad van rechtsvervolging ingetrokken, dan stuit zij de verjaring niet. Als de rechter zich onbevoegd verklaart, bijvoorbeeld vanwege een arbitrageclausule, kan hij de zaak doorverwijzen naar de bevoegde rechter.9 De verjaring van een rechtsvordering wordt ook gestuit door een handeling, strekkende tot verkrijging van een bindend advies, mits van die handeling met bekwame spoed mededeling wordt gedaan aan de wederpartij en zij tot verkrijging van een bindend ad vies leidt. Is dit laatste niet het geval, dan is lid 2 van overeenkomstige toepassing (art. 3:316 lid 3 BW).
Op grond van art. 3:317 lid 1 BW kan de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis ook worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.10 Van belang is dat er sprake is van voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, er rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren.11 Over de verhouding tussen art. 3:316 BW en art. 3:317 lid 1 BW bepaalt de parlementaire geschiedenis dat acties die niet tot het beoogde resultaat leiden, zoals bedoeld in art. 3:316 lid 2 BW, "niet in het algemeen, doch wel voor het geval van [art. 3:31 7 lid 1 BW] stuitende werking hebben" als de schuldenaar daarbij in gebreke werd gesteld, hetgeen in de regel het geval zal zijn.12
Door stuiting van de verjaring van een rechtsvordering, anders dan door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag (art 3:319 lid 1 BW). De schuldenaar kan zich daardoor jegens degene die nakoming vordert, niet beroepen op het verweermiddel dat de vordering niet in rechte kan worden opgeëist.