Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/255:255 Voldoende processueel belang bij een voorlopig getuigenverhoor; nut van getuigenverklaringen voor de beslissing in de hoofdzaak
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/255
255 Voldoende processueel belang bij een voorlopig getuigenverhoor; nut van getuigenverklaringen voor de beslissing in de hoofdzaak
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS454651:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1683, NJ 1995, 414, m.nt. P. Vlas (Saueressig/Forbo).
HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3922, NJ 2012, 316, m.nt. C.J.M. Klaassen en JBPr 2012, 25, m.nt. G. van Rijssen (Boekhoorn/Cyrte).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Complicatie bij een voorlopig getuigenverhoor is dat de enkele toewijzing van het verzoek daartoe de juridische positie van de verzoeker niet wijzigt; toewijzing heeft slechts de vastlegging van getuigenverklaringen tot gevolg. Met het beantwoorden van de vraag of toewijzing van het voorlopig getuigenverhoor de juridische positie van de verzoeker in positieve zin wijzigt, wordt daarom niet achterhaald of processueel belang bij een voorlopig getuigenverhoor bestaat. Een andere vraag, toegespitst op het bijzondere karakter van het voorlopig getuigenverhoor, moet daarom worden geformuleerd. Hierbij is relevant wat met het voorlopig getuigenverhoor wordt beoogd. In nr. 236 is het doel van het voorlopig getuigenverhoor geformuleerd aan de hand van de zaken Saueressig/Forbo1en Cyrte/Boekhoorn.2 Volgens de Hoge Raad strekt het voorlopig getuigenverhoor ertoe een partij of een belanghebbende tijdens of voorafgaand aan de hoofdzaak bewijs of opheldering te verschaffen omtrent voor de beslissing van de vordering in de hoofdzaak relevante feiten. Kortom, tijdens het voorlopig getuigenverhoor wordt getuigenbewijs verzameld dat moet kunnen worden gebruikt ten behoeve van de beslissing van de vordering in de hoofdzaak. Als bij de beslissing op het verzoekschrift (vrijwel) zeker is dat de af te leggen getuigenverklaringen geen nut hebben voor de beslissing van de vordering in de – al dan niet aanhangige – hoofdzaak, maakt het voor de positie van de verzoeker niet uit of het voorlopig getuigenverhoor al dan niet wordt bevolen. Immers, zelfs als het voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen en daarbij getuigenverklaringen worden vastgelegd, zijn deze afgelegde verklaringen nutteloos, omdat ze geen bijdrage kunnen leveren aan de beslissing in de hoofdzaak.
Uiteraard wordt – het doel van het voorlopig getuigenverhoor indachtig – met het gebruiken van de getuigenverklaringen ten nutte van de vordering in de hoofdzaak niet bedoeld dat na een voorlopig getuigenverhoor een hoofdzaak moet volgenwaarin de verklaringen daadwerkelijk als bewijs worden gebruikt. De verklaringen zijn ook (juist!) van nut voor de hoofdzaak geweest als is afgezien van het instellen van een vordering in de hoofdzaak, omdat de verzoeker uit de getuigenverklaringen bleek dat de kans op het slagen van zijn vordering nihil was of omdat partijen, die na de getuigenverklaringen hun proceskansen beter konden inschatten, de hoofdzaak schikten.