T. Blom/J.P. Cnossen, in: T&C Strafrecht, art. 1 Opiumwet, aant. 5 (online, bijgewerkt 1 oktober 2024).
HR, 18-03-2025, nr. 23/02129 C
ECLI:NL:HR:2025:296
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-03-2025
- Zaaknummer
23/02129 C
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:296, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑03‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:20
ECLI:NL:PHR:2025:20, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑01‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:296
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. Medeplegen verlengde uitvoer van ruim 97 kilo cocaïne door bagagemedewerkers op luchthaven van Sint Maarten, art. 3.1.d.A jo. 1.3 Opiumlandsverordening 1960. Bewijsklacht. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat “aanbieden ten vervoer” van cocaïne is voltooid? Hof heeft vastgesteld dat verdachte en zijn mededader, als bagagemedewerkers op luchthaven van Sint Maarten, 3 sporttassen met zeer grote hoeveelheid cocaïne, voorzien van bagagelabels die afkomstig waren van ingecheckte koffers voor vlucht naar Parijs, hebben geplaatst in voor die vlucht bedoelde AKE’s (luchtvrachtcontainers), waar zij door hun werk toegang toe hadden. ‘s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat sporttassen met cocaïne zijn “aangenomen en aangeboden voor vervoer” a.b.i. art. 1.3 Opiumlandsverordening 1960 (welke bepaling in dit opzicht gelijkluidend is aan art. 1.5 Opiumwet) en dat cocaïne dus is uitgevoerd in de zin van Opiumlandsverordening 1960, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02129 C
Datum 18 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 15 mei 2023, nummer H 70/2022, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het medeplegen van de verlengde uitvoer van cocaïne, omdat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat het ‘aanbieden ten vervoer’ van de cocaïne is voltooid.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 5 maart 2021 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 (de Hoge Raad begrijpt: artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960) 97,695 kilogram cocaïne zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960.”
2.2.2
Het hof heeft de uitspraak van het gerecht in eerste aanleg van [plaats] bevestigd met uitzondering van de strafoplegging en met verbetering van de gronden. De uitspraak van het gerecht houdt onder meer in:
“Op grond van de bewijsmiddelen stelt het Gerecht het volgende vast.
Op 5 maart 2021 werden er op de luchthaven van [plaats] drie koffers ingecheckt bij de balie van [naam] . Deze drie koffers werden voorzien van een bagagelabel en gingen vervolgens op de band naar de zogeheten make-up area. De [medeverdachte] , pakte de genoemde koffers van de band, en plaatste ze in AKE’s. Medeverdachte heeft de koffers gescand en had bij de drie genoemde koffers meer tijd nodig dan bij het plaatsen van andere koffers. Medeverdachte stopte iets in zijn zak, nadat hij één van de drie koffers in de AKE had geplaatst. Ondertussen was [verdachte] bezig met het laden van koffers op een bagagekar. (...) Niet lang daarna ontmoetten zij elkaar. Medeverdachte pakte een witkleurig voorwerp uit zijn zak en gaf dat aan verdachte. Dit voorwerp leek op een bagagelabel. Hierna reed verdachte op de bagagetrekkar weg. Toen hij terugkwam met de bagagekar, stonden er drie sporttassen op de bagagekar, evenals de eerdergenoemde koffer met opvallende witte stippen. Deze sporttassen lagen eerder nog niet op deze kar. De sporttassen waren ook niet op de beelden bij de check-in of de make-up area te zien. Verdachte heeft deze sporttassen dus op een andere wijze verkregen. Verdachte heeft de sporttassen vanuit de kar op de band geplaatst, en medeverdachte pakte de sporttassen weer van de band. De eerste en derde sporttas scande de medeverdachte voordat hij ze in een AKE plaatste. Daarbij heeft het systeem een foutmelding gegeven, omdat één van de labels een tweede keer gescand werd. De medeverdachte heeft hier echter geen melding van gemaakt. De bagagelabels waren beschadigd en met nietjes vastgemaakt.
Uit het bovenstaande maakt het Gerecht op dat verdachte en medeverdachte op geraffineerde wijze feitelijk getracht hebben een zeer grote hoeveelheid cocaïne ongezien het land uit te voeren. [medeverdachte] verwijderde de bagagelabels van ingecheckte koffers, die hij vervolgens aan [verdachte] gaf. Deze heeft de labels met nietjes aan de sporttassen met cocaïne bevestigd, op de bagageband geplaatst, waarna medeverdachte ze weer van de band haalde en in de AKE’s zette.
Niet is gebleken dat er andere medewerkers met de betreffende koffers of sporttassen bezig zijn geweest. (...)
Met dit handelen heeft verdachte zich tezamen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan de uitvoer van drugs. Uit artikel 1, derde lid, van de Opiumlandsverordening blijkt dat onder uitvoer mede is begrepen het ten vervoer aannemen of aanbieden. Door de sporttassen met cocaïne gereed te maken voor vertrek in de bagagekar te zetten, hebben verdachte en zijn medeverdachte de drugs aangenomen en aangeboden voor het vervoer.”
2.2.3
De uitspraak van het hof houdt onder meer in:
“Het Hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van het Gerecht, behalve ten aanzien van
- de overweging (op pagina 22 van het vonnis), inhoudende dat de verdachte en de medeverdachte op geraffineerde wijze feitelijk getracht hebben een zeer grote hoeveelheid cocaïne het land uit te voeren.
Het Hof verbetert deze overweging in zoverre, dat deze komt te luiden dat de verdachte en de medeverdachte op geraffineerde wijze een zeer grote hoeveelheid cocaïne het land hebben uitgevoerd.
(...)
- de overweging (op pagina 22 van het vonnis), inhoudende dat de verdachte de labels met nietjes aan de sporttassen heeft bevestigd.
(...)
Het Hof zal deze (...) overwegingen verwijderen, het Hof neemt de bewijsoverwegingen voor het overige over en verwijst daarnaar.”
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 3 lid 1, aanhef en onder d en A, van de Opiumlandsverordening 1960:
“Het is verboden:
(...)
d. (...) cocaïne (...)
A. in, uit of door te voeren.”
- Artikel 1 lid 3 Opiumlandsverordening 1960:
“Onder uitvoering van middelen, bedoeld in de artikelen 3 en 4, is begrepen: (...) het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden (...) van de zich hier te lande in het vrije verkeer bevindende middelen zelve, of van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn.”
2.4
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn mededader, als bagagemedewerkers op de luchthaven van [plaats] , drie sporttassen met een zeer grote hoeveelheid cocaïne, voorzien van bagagelabels die afkomstig waren van ingecheckte koffers voor een vlucht naar [plaats] , hebben geplaatst in voor die vlucht bedoelde AKE’s (luchtvrachtcontainers), waar zij door hun werk toegang toe hadden. Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de sporttassen met cocaïne zijn “aangenomen en aangeboden voor het vervoer” in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 – welke bepaling in dit opzicht gelijkluidend is aan artikel 1 lid 5 van de Opiumwet – en dat de cocaïne dus is uitgevoerd in de zin van de Opiumlandsverordening 1960, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.
Conclusie 07‑01‑2025
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02129 C
Zitting 7 januari 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) heeft bij vonnis van 15 mei 2023 het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) met verbetering van gronden bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf. Bij dat vonnis heeft het Hof de verdachte wegens “Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumlandsverordening gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.
1.2
Namens de verdachte hebben N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
2.1
Het eerste middel klaagt dat het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte – kort gezegd – cocaïne heeft uitgevoerd door deze ten vervoer aan te bieden, terwijl uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat van een (voltooide) aanbieding sprake is geweest.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
2.3
De bewijsoverwegingen in het vonnis in eerste aanleg luiden:
“Op grond van de bewijsmiddelen stelt het Gerecht het volgende vast.
Op 5 maart 2021 werden er op de luchthaven van Sint Maarten drie koffers ingecheckt bij de balie van AirFrance. Deze drie koffers werden voorzien van een bagagelabel en gingen vervolgens op de band naar de zogeheten make-up area. De medeverdachte, [betrokkene] , pakte de genoemde koffers van de band, en plaatste ze in AKE's. Medeverdachte heeft de koffers gescand en had bij de drie genoemde koffers meer tijd nodig dan bij het plaatsen van andere koffers. Medeverdachte stopte iets in zijn zak, nadat hij één van de drie koffers in de AKE had geplaatst. Ondertussen was verdachte [verdachte] bezig met het laden van koffers op een bagagekar. Beide verdachten zaten vervolgens op hun telefoon. Niet lang daarna ontmoetten zij elkaar. Medeverdachte pakte een witkleurig voorwerp uit zijn zak en gaf dat aan verdachte. Dit voorwerp leek op een bagagelabel. Hierna reed verdachte op de bagagetrekkar weg. Toen hij terugkwam met de bagagekar, stonden er drie sporttassen op de bagagekar, evenals de eerdergenoemde koffer met opvallende witte stippen. Deze sporttassen lagen eerder nog niet op deze kar. De sporttassen waren ook niet op de beelden bij de check-in of de make-up area te zien. Verdachte heeft deze sporttassen dus op een andere wijze verkregen. Verdachte heeft de sporttassen vanuit de kar op de band geplaatst, en medeverdachte pakte de sporttassen weer van de band. De eerste en derde sporttas scande de medeverdachte voordat hij ze in een AKE plaatste. Daarbij heeft het systeem een foutmelding gegeven, omdat één van de labels een tweede keer gescand werd. De medeverdachte heeft hier echter geen melding van gemaakt. De bagagelabels waren beschadigd en met nietjes vastgemaakt.
Uit het bovenstaande maakt het Gerecht op dat verdachte en medeverdachte op geraffineerde wijze feitelijk getracht hebben een zeer grote hoeveelheid cocaïne ongezien het land uit te voeren. Medeverdachte [betrokkene] verwijderde de bagagelabels van ingecheckte koffers, die hij vervolgens aan verdachte [verdachte] gaf. Deze heeft de labels met nietjes aan de sporttassen met cocaïne bevestigd, op de bagageband geplaatst, waarna medeverdachte ze weer van de band haalde en in de AKE’s zette.
Niet is gebleken dat er andere medewerkers met de betreffende koffers of sporttassen bezig zijn geweest. Bovendien kunnen verdachte en zijn medeverdachte, in tegenstelling tot de stelling van de raadsvrouw, juist geen verklaring geven voor bepaalde zaken en zijn hun verklaringen niet geheel consistent. Zo heeft verdachte verklaard dat hij van [betrokkene] onverpakte koekjes kreeg en dat het witte voorwerp een servet was, terwijl de medeverdachte verklaarde dat het om een pakje koekjes ging.
Met dit handelen heeft verdachte zich tezamen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan de uitvoer van drugs. Uit artikel 1, derde lid, van de Opiumlandsverordening blijkt dat onder uitvoer mede is begrepen het ten vervoer aannemen of aanbieden. Door de sporttassen met cocaïne gereed te maken voor vertrek in de bagagekar te zetten, hebben verdachte en zijn medeverdachte de drugs aangenomen en aangeboden voor het vervoer.”
2.4
Het Hof heeft in zijn vonnis over deze bewijsoverwegingen overwogen:
“Het Hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van het Gerecht, behalve ten aanzien van
- de overweging (op pagina 22 van het vonnis), inhoudende dat de verdachte en de medeverdachte op geraffineerde wijze feitelijk getracht hebben een zeer grote hoeveelheid cocaïne het land uit te voeren.
Het Hof verbetert deze overweging in zoverre, dat deze komt te luiden dat de verdachte en de medeverdachte op geraffineerde wijze een zeer grote hoeveelheid cocaïne het land hebben uitgevoerd.
- de overweging (op pagina 22 van het vonnis), inhoudende: beide verdachten zaten vervolgens op hun telefoon.
- de overweging (op pagina 22 van het vonnis), inhoudende dat de verdachte de labels met nietjes aan de sporttassen heeft bevestigd.
- de overweging (op pagina 23 van het vonnis), inhoudende de zinnen:
Bovendien kunnen verdachte en zijn medeverdachte, in tegenstelling tot de stelling van de raadsvrouw, juist geen verklaring geven voor bepaalde zaken en zijn hun verklaringen niet geheel consistent. Zo heeft verdachte verklaard dat hij van [betrokkene] onverpakte koekjes kreeg en dat het witte voorwerp een servet was, terwijl de medeverdachte verklaarde dat het om een pakje koekjes ging.
Het Hof zal deze laatste drie overwegingen verwijderen, het Hof neemt de bewijsoverwegingen voor het overige over en verwijst daarnaar.”
2.5
Art. 3 lid 1 aanhef en onder A Opiumlandsverordening 1960 luidt:
“Het is verboden:
d. […] cocaïne […]
A. in, uit of door te voeren”.
2.6
Art. 1 lid 3 Opiumlandsverordening 1960 luidt:
“Onder het uitvoeren van middelen, bedoeld in de artikelen 3 en 4, is begrepen: […] het met bestemming naar het buitenland […] ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden, […] van de zich hier te lande in het vrije verkeer bevindende middelen zelf, of van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn.”
2.7
In de toelichting op het middel wordt het volgende aangevoerd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de laatste handeling die de verdachte en de medeverdachte hebben medegepleegd het plaatsen van de sporttassen in de AKE is. De sporttassen waren gelegd in een kar die nog naar het vliegtuig moest worden gebracht. De sporttassen waren nog altijd in de ‘make-up area’ – waar de verdachte en de medeverdachte ze hadden gedeponeerd – toen ze werden gecontroleerd. De sporttassen zijn dus nooit door iemand aangenomen om ze te verplaatsen naar het vliegtuig; dat verdere verplaatsen is verijdeld door de verbalisanten. Als de sporttassen nooit door een ander zijn aangenomen is de aanbieding daarvan niet voltooid. Uit de bewijsmiddelen volgt dus hooguit dat de verdachte en de medeverdachte hebben gepoogd de sporttassen ten vervoer aan te bieden, aldus de stellers van het middel.
2.8
Het hof heeft inderdaad vastgesteld dat de sporttassen zich bevonden in de ‘make-up area’, waar de verdachte en de medeverdachte ze hadden gedeponeerd, toen ze werden gecontroleerd en niet dat de sporttassen door iemand waren aangenomen om ze te verplaatsen naar het vliegtuig. De stellers van het middel gaan ervan uit dat het ten vervoer aanbieden “pas voltooid is wanneer er ook aanvaarding of aanneming van het aangebodene is”. Zij nemen kennelijk aan dat in dit geval voor het voltooide ‘ten vervoer aanbieden’ in de zin van art. 1 lid 3 Opiumlandsverordening 1960 nog nodig is dat iemand het aangebodene aanneemt ter verder vervoer.
2.9
De reikwijdte van art. 1 lid 3 Opiumlandsverordening 1960 is – net als het vergelijkbare art. 1 lid 5 van de Nederlandse Opiumwet – echter ruimer dan wat in het spraakgebruik onder ‘buiten het grondgebied brengen’ wordt verstaan.1.Het gaat bij art. 1 lid 5 Opiumwet om een uitbereiding van het ‘buiten het grondgebied brengen’ aan de ‘voorkant’ van het delict.2.Door die uitbreiding leveren gedragingen voorafgaand aan de feitelijke uitvoer die anders onder het pogingsbegrip zouden vallen een voltooid delict op.3.Zo levert het met een koffer vol XTC naar Schiphol vertrekken om daar het vliegtuig te nemen naar de Verenigde Staten al het buiten het grondgebied brengen van art. 2 aanhef en onder A Opiumwet op,4.dus voordat de verdovende middelen in het vliegtuig zijn en feitelijk worden uitgevoerd.
2.10
In de voorliggende zaak hebben de verdachte en de medeverdachte de sporttassen met cocaïne achtergelaten op een plaats en wijze waardoor de tassen normaal gesproken in het AirFrance-toestel zouden zijn geladen. Daarom getuigt het oordeel van het Hof dat de drugs ten vervoer zijn aangeboden en dus buiten het grondgebied zijn gebracht – ook als de drugs nog niet door een ander naar het vliegtuig met een buitenlandse bestemming zijn verplaatst – niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
2.11
Het middel faalt.
3. Het tweede middel
3.1
Het tweede middel klaagt dat het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte – kort gezegd – cocaïne heeft uitgevoerd door deze “ten uitvoer aan [te] nemen of aan [te] bieden” en daarmee de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door bij de motivering van de bewezenverklaring de betekenis van ‘uitvoer’ toe te spitsen op art. 1 lid 3 Opiumlandsverordening 1960, terwijl de tenlastelegging is toegespitst op uitvoer “in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960”.
3.2
Aan de verdachte is, voor zover hier van belang, tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 5 maart 2021 te Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft in- en/of uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 […]”.
3.3
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 5 maart 2021 te Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 […]”.
3.4
De door het Hof bevestigde bewijsoverwegingen houden onder meer in:
“Met dit handelen heeft verdachte zich tezamen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan de uitvoer van drugs. Uit artikel 1, derde lid, van de Opiumlandsverordening blijkt dat onder uitvoer mede is begrepen het ten vervoer aannemen of aanbieden. Door de sporttassen met cocaïne gereed te maken voor vertrek in de bagagekar te zetten, hebben verdachte en zijn medeverdachte de drugs aangenomen en aangeboden voor het vervoer.”
3.5
Het bewezenverklaarde is gekwalificeerd als “Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumlandsverordening gegeven verbod”.
3.6
Art. 3 lid 1 Opiumlandsverordening 1960 luidt voor zover hier van belang:
“Het is verboden:
d. […] cocaïne […]
A. in, uit of door te voeren”.
3.7
“2. Onder het invoeren van middelen, bedoeld in de artikelen 3 en 4, is begrepen: het invoeren van de voorwerpen of goederen, waarin de middelen verpakt of geborgen zijn en elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling van wie het ook zij, met betrekking tot de hier te lande aanwezige, niet in het vrije verkeer gebrachte middelen zelf, of tot de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn.
3. Onder het uitvoeren van middelen, bedoeld in de artikelen 3 en 4, is begrepen: het uitvoeren van de voorwerpen of goederen, waarin de middelen verpakt of geborgen zijn en het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden, het ten uitvoer aangeven en het in, op of aan een naar het buitenland bestemd vaar- of voertuig aanwezig hebben van de zich hier te lande in het vrije verkeer bevindende middelen zelf, of van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn.”
3.8
In de toelichting op het middel wordt verondersteld dat door deze wijze van ten laste leggen de extensieve uitleg in art. 1 lid 3 Opiumlandsverordening 1960 is uitgezonderd van de tenlastelegging. ‘Ten vervoer aannemen en aanbieden’ heeft in het gewone spraakgebruik niet de betekenis van het ‘uitvoeren’ van verdovende middelen. Door het ‘ten vervoer aannemen en aanbieden’ uit art. 1 lid 3 Opiumlandsverordening 1960 als ‘uitvoer’ bewezen te verklaren, zou het Hof daarom de grondslag van de tenlastelegging hebben verlaten en iets hebben bewezenverklaard dat niet aan de verdachte ten laste is gelegd.
3.9
De verwijzing in de tenlastelegging naar lid 2 (over het invoeren van middelen) in plaats van naar lid 3 (over het uitvoeren van middelen) van art. 1 Opiumlandsverordening 1960 beschouw ik als een kennelijke verschrijving, die het hof bij de bewezenverklaring had kunnen verbeteren. Dat de steller van de tenlastelegging de uitvoer van middelen en niet de invoer daarvan op het oog had, vindt bevestiging in de inhoud van het requisitoir van officier van justitie in eerste aanleg die heeft aangevoerd dat uit onderzoek is gebleken dat de verdachte heeft deelgenomen aan de smokkel van cocaïne naar Frankrijk. Omdat deze verschrijving na terugwijzing eenvoudig (alsnog) door het Hof zou kunnen worden hersteld, heeft de verdachte onvoldoende belang bij cassatie.
3.10
Het middel faalt.
4. Slotsom
4.1
De middelen falen. In ieder geval het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het Hof aangetroffen.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten