HR 29 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2227, NJ 2006/176 m.nt. P.A.M. Mevis.
HR, 28-03-2023, nr. 21/02239
ECLI:NL:HR:2023:482
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-03-2023
- Zaaknummer
21/02239
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:482, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑03‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2021:874
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1168
ECLI:NL:PHR:2022:1168, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑12‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:482
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑11‑2021
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0069
Uitspraak 28‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Medeplegen poging tot doodslag (art. 287 Sr), medeplegen diefstal met geweld (art. 312.2.2 Sr), medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282.1 Sr), voorhanden hebben vuurwapen en munitie (art. 26.1 WWM) en poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd (art. 302.1 Sr) in 2016 in Rotterdam. Strafmotivering (gevangenisstraf van 9 jaren en 6 maanden). Heeft hof in strijd met art. 63 Sr bij strafoplegging niet betrokken dat verdachte door ander hof in 2017 is veroordeeld tot gevangenisstraf van 5 jaren, terwijl onderhavige feiten zijn gepleegd vóór die veroordeling? In HR:2005:AS5556 heeft HR geoordeeld dat in een geval als dit a) rechter moet nagaan wat maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest als alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot 1 rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijl b) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan hiervoor onder a) bedoeld maximum verminderd met eerder opgelegde straffen en c) hij in geen geval hoger mag straffen dan maximum van vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit. Hof heeft geoordeeld dat bij strafoplegging tot uitgangspunt moet worden genomen dat toepasselijk strafmaximum 15 jaren en 8 maanden bedraagt, omdat o.g.v. art. 63 Sr een periode van 4 maanden in mindering moet worden gebracht op het in beginsel toepasselijke strafmaximum van 16 jaren. Dit oordeel is niet juist, nu uit inhoud van uittreksel justitiële documentatie blijkt dat verdachte na de bewezenverklaarde misdrijven ook nog is veroordeeld tot gevangenisstraf van 5 jaren. Gelet op de door hof opgelegde gevangenisstraf van 9 jaren en 6 maanden (na aftrek van 6 maanden wegens overschrijding van redelijke termijn) heeft verdachte belang bij zijn klacht hierover. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. strafoplegging en terugwijzing. CAG: terechte klacht maar behoeft niet tot cassatie te leiden. Samenhang met 20/02025 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/02239
Datum 28 maart 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 mei 2021, nummer 22-000212-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot zodanige op art. 440 lid 2 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de strafoplegging. In het bijzonder klaagt het cassatiemiddel dat het hof in strijd met de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bij de strafoplegging niet heeft betrokken dat de verdachte door het gerechtshof Den Haag op 27 oktober 2017 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren, terwijl de strafbare feiten waarvoor de verdachte in de onderhavige zaak is veroordeeld vóór 27 oktober 2017 zijn gepleegd.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte op 12 mei 2021 wegens - kort gezegd - medeplegen van poging tot doodslag (artikelen 45 en 287 Sr), diefstal met (bedreiging met) geweld door twee of meer verenigde personen (artikel 312 lid 2 Sr), medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 lid 1 Sr), voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (artikelen 26 lid 1 en 55 lid 3 van de Wet wapens en munitie in samenhang met artikel 55 Sr) en poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd (artikelen 45 en 302 lid 1 Sr in samenhang met artikel 55 Sr), gepleegd in december 2016, - na vermindering van de op te leggen gevangenisstraf met zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep - veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren en zes maanden.
2.2.2
Het hof heeft over de strafoplegging het volgende overwogen:
“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een wederrechtelijke vrijheidsbeneming, een poging tot doodslag en een diefstal met geweld, en heeft zich voorts schuldig gemaakt aan meerdere pogingen tot zware mishandeling en aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijhorende munitie.
De verdachte is op 4 december 2016 met vier andere mannen naar een café in Rotterdam gegaan. Nadat men in eerste instantie rustig aan een tafeltje zat te kaarten, werd er op enig moment door de verdachte en een van de andere mannen een vuurwapen op tafel gelegd. De verdachte heeft zijn wapen, een revolver, op enig moment op zijn schoot en naast zich op de bank gelegd. Naar eigen zeggen heeft hij gespeeld met het wapen, waarbij de trekker van het wapen door hem is overgehaald. Twee mannen zijn daardoor gewond geraakt in hun knie of been. Tijdens het tumult dat hierna ontstond heeft de verdachte, terwijl hij de revolver op hen richtte, van twee van de vier mannen gevorderd dat zij hun vuurwapens aan hem afstonden, hetgeen zij hebben gedaan. De verdachte heeft hierna nog één van de andere mannen gefouilleerd op de aanwezigheid van een vuurwapen en heeft, toen hij ontdekte dat deze man geen wapen bij zich droeg, na een kort handgemeen, richting de benen van deze man geschoten.
Niet lang daarna, op 9 december 2016, heeft de verdachte samen met anderen een bekende, die zij in een shisha-lounge waren tegengekomen, uitgenodigd om naar een afterparty elders te gaan. Ze vertrokken met vijf personen, waaronder de verdachte en het slachtoffer, in een auto naar de Rotterdamse wijk [A] . Daar werd het slachtoffer door de verdachte en anderen mishandeld, bedreigd met vuurwapens en met een vuurwapen in zijn gezicht geslagen. Het slachtoffer moest daarna weer in de auto stappen, die vervolgens naar de wijk [B] reed. Het slachtoffer werd duidelijk gemaakt dat hij binnen een aantal uren voor een geldbedrag diende te zorgen en dat de verdachte en zijn mededaders hem niet zouden laten gaan voordat er betaald was. In de [a-straat] werd het slachtoffer gedwongen om een portiek in te gaan en om via het trappenhuis naar een woning op de vierde etage te gaan. Hij heeft daar uit doodsangst kans gezien in het trappenhuis naar beneden te springen en te vluchten. Het slachtoffer werd daarop in zijn rug geschoten.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en het gebruik daarvan zorgt voor gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving.
Voor al deze gebeurtenissen geldt dat dit zeer ernstige misdrijven zijn. De verdachte heeft met zijn handelen een grote inbreuk gemaakt op de veiligheid van de daarbij betrokken slachtoffers, op hun lichamelijke integriteit en op hun geestelijke welzijn. De misdrijven getuigen van geen enkel respect voor het welzijn van anderen en zorgen voor grote onrust in de samenleving. Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 maart 2021, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de eis in hoger beroep en de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf het in deze zaak toepasselijke strafmaximum overschrijden gelet op eerder opgelegde gevangenisstraffen en het bepaalde in art. 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.).
De advocaat-generaal heeft dit bestreden.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Het hof acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de navolgende misdrijven:
1. het medeplegen van een poging tot doodslag, waarop ingevolge art. 45 juncto 287 Sr. een gevangenisstraf van ten hoogste 10 jaar is gesteld;
2. diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, waarop ingevolge art. 312 eerste en tweede lid Sr. een gevangenisstraf van ten hoogste 12 jaar is gesteld;
3. medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, waarop in art. 282 Sr. een gevangenisstraf van ten hoogste 8 jaar is gesteld;4. eendaadse samenloop van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, alsmede handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, op welke twee feiten ingevolge art. 55 Sr. juncto art. 55, derde lid, Wet wapens en munitie een gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaar is gesteld;
5. eendaadse samenloop van poging tot zware mishandeling en
6. poging tot zware mishandeling, op welke twee feiten (5 +6) ingevolge art. 45 juncto 55 en 302 Sr. een gevangenisstraf van ten hoogste 5,36 jaar is gesteld.
Art. 57 Sr. bepaalt dat voor al deze bewezenverklaarde feiten één straf dient te worden opgelegd, waarbij het maximum in dit geval niet meer dan een derde boven het hoogste maximum beloopt. De hoogste maximum straf voor een van deze afzonderlijke delicten is in dit geval een gevangenisstraf van 12 jaar. Wanneer hier een derde bij opgeteld wordt, betekent dit dat het in deze zaak in beginsel toepasselijke strafmaximum 16 jaar bedraagt, terwijl dit maximum beneden de som van de afzonderlijke strafbedreigingen ligt.
Op 4 april 2014 heeft de rechtbank Rotterdam onder parketnummer 10-750146-13 verdachte wegens handelen in strijd met de Opiumwet veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf. In hoger beroep heeft het hof om juridische redenen die in zijn arrest van 9 april 2018 zijn uiteengezet verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden. De in dit arrest bewezenverklaarde feiten betreffen de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, de voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, alsmede medeplegen van voorbereidingshandelingen daartoe. Ingevolge art. 57 Sr is het op deze feiten toepasselijke strafmaximum 10,66 jaar. Dit ligt beneden het hiervoor genoemde in beginsel toepasselijke strafmaximum van 16 jaar.
Dit leidt tot de slotsom dat het strafmaximum ingevolge art 57 Sr. 16 jaar blijft.
Artikel 63 Sr. houdt het volgende in:
Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig een straf wordt opgelegd van toepassing.
Dit betekent dat voor de werking van art. 63 Sr. in deze zaak voor wat betreft de veroordeling van 9 april 2018 niet van 5 jaar, maar van 4 maanden dient te worden uitgegaan.
De omstandigheid dat verdachte in de zaak met parketnummer 10-750146-13 heel veel langer dan 4 maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, is een kwestie die in het kader van de executie van de diverse gevangenisstraffen die aan verdachte zijn opgelegd aan de orde dient te komen, maar niet in het kader van de straftoemeting in deze zaak. Ingevolge art. 6:1:1 en volgende Wetboek van Strafvordering geschiedt de (beslissing over de) tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen door de Minister.
Dit alles leidt tot de slotsom dat ingevolge art. 63 Sr. een periode van 4 maanden in mindering dient te worden gebracht op het in beginsel toepasselijke strafmaximum van 16 jaar. Dit brengt mee dat in deze zaak het toepasselijke strafmaximum 15 jaar en 8 maanden bedraagt. Hiervan zal worden uitgegaan (HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1026).
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren een passende en geboden reactie vormt.
Het hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, nu de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren, gelet op het feit dat namens de verdachte op 2 januari 2018 hoger beroep is ingesteld en het eindarrest op 12 mei 2021 - te weten circa 3 jaren en 3 maanden later - is gewezen. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat in die zin, dat in plaats van de overwogen gevangenisstraf van 10 jaren, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur zal worden opgelegd.”
2.2.3
Bij de stukken van het geding bevindt zich een uittreksel justitiële documentatie van de justitiële informatiedienst van 29 maart 2021 met betrekking tot de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte na de in deze zaak bewezenverklaarde misdrijven onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 oktober 2017 wegens - kort gezegd - medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 lid 1 Sr), medeplegen van mishandeling (artikel 300 lid 1 Sr) en diefstal door twee of meer verenigde personen (artikel 311 lid 1 Sr), en tot een gevangenisstraf van vier maanden bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 april 2018 wegens - kort gezegd - medeplegen van het verkopen en aanwezig hebben van cocaïne en heroïne (artikelen 2 onder B in samenhang met 10 lid 4 van de Opiumwet en artikelen 2 onder C in samenhang met 10 lid 3 van de Opiumwet in samenhang met artikel 56 Sr) en medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot het verkopen van cocaïne en heroïne (artikelen 10 lid 4 en 10a van de Opiumwet).
2.3.1
Volgens de uitspraak van het hof heeft het hof de straf in deze zaak onder meer gegrond op de artikelen 57 en 63 Sr. Deze bepalingen luiden - voor zover van belang - als volgt:
- artikel 57 Sr:
“1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”
- artikel 63 Sr:
“Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”
2.3.2
In zijn arrest van 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5556 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een geval als dita) de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest als alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijlb) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen enc) hij in geen geval hoger mag straffen dan het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.
2.4
Het hof heeft geoordeeld dat bij de strafoplegging tot uitgangspunt moet worden genomen dat het toepasselijke strafmaximum in deze zaak vijftien jaren en acht maanden bedraagt, omdat op grond van artikel 63 Sr een periode van vier maanden in mindering moet worden gebracht op het in beginsel toepasselijke strafmaximum van zestien jaren. Dit oordeel is niet juist, nu uit de hiervoor onder 2.2.3 weergegeven inhoud van het uittreksel justitiële documentatie blijkt dat de verdachte na de in deze zaak bewezenverklaarde misdrijven ook nog is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren. Gelet op de door het hof opgelegde gevangenisstraf van negen jaren en zes maanden (na aftrek van zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn) heeft de verdachte belang bij zijn klacht hierover.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2023.
Conclusie 20‑12‑2022
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/02239
Zitting 20 december 2022
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
1.1.
De verdachte is bij arrest van 12 mei 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens poging tot doodslag, diefstal met geweld, vrijheidsberoving, vuurwapenbezit en twee pogingen tot zware mishandeling veroordeeld tot negen jaren en zes maanden gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof een beslissing genomen over het beslag en de vordering van de benadeelde partij.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
2.1.
In het eerste middel wordt geklaagd dat het hof bij de strafoplegging ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, niet heeft betrokken dat de verdachte door het gerechtshof Den Haag op 27 oktober 2017 is veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf, terwijl de strafbare feiten uit onderhavige zaak zijn gepleegd in 2016.
2.2.
Het bestreden arrest houdt onder het kopje “11. Strafmotivering” het volgende in:
“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een wederrechtelijke vrijheidsbeneming, een poging tot doodslag en een diefstal met geweld, en heeft zich voorts schuldig gemaakt aan meerdere pogingen tot zware mishandeling en aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijhorende munitie.
De verdachte is op 4 december 2016 met vier andere mannen naar een café in Rotterdam gegaan. Nadat men in eerste instantie rustig aan een tafeltje zat te kaarten, werd er op enig moment door de verdachte en een van de andere mannen een vuurwapen op tafel gelegd. De verdachte heeft zijn wapen, een revolver, op enig moment op zijn schoot en naast zich op de bank gelegd. Naar eigen zeggen heeft hij gespeeld met het wapen, waarbij de trekker van het wapen door hem is overgehaald. Twee mannen zijn daardoor gewond geraakt in hun knie of been. Tijdens het tumult dat hierna ontstond heeft de verdachte, terwijl hij de revolver op hen richtte, van twee van de vier mannen gevorderd dat zij hun vuurwapens aan hem afstonden, hetgeen zij hebben gedaan. De verdachte heeft hierna nog één van de andere mannen gefouilleerd op de aanwezigheid van een vuurwapen en heeft, toen hij ontdekte dat deze man geen wapen bij zich droeg, na een kort handgemeen, richting de benen van deze man geschoten.
Niet lang daarna, op 9 december 2016, heeft de verdachte samen met anderen een bekende, die zij in een shisha-lounge waren tegengekomen, uitgenodigd om naar een afterparty elders te gaan. Ze vertrokken met vijf personen, waaronder de verdachte en het slachtoffer, in een auto naar de [...] wijk [A] . Daar werd het slachtoffer door de verdachte en anderen mishandeld, bedreigd met vuurwapens en met een vuurwapen in zijn gezicht geslagen. Het slachtoffer moest daarna weer in de auto stappen, die vervolgens naar de wijk [B] reed. Het slachtoffer werd duidelijk gemaakt dat hij binnen een aantal uren voor een geldbedrag diende te zorgen en dat de verdachte en zijn mededaders, hem niet zouden laten gaan voordat er betaald was. In de [a-straat] werd het slachtoffer gedwongen om een portiek in te gaan en om via het trappenhuis naar een woning op de vierde etage te gaan. Hij heeft daar uit doodsangst kans gezien in het trappenhuis naar beneden te springen en te vluchten. Het slachtoffer werd daarop in zijn rug geschoten.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en het gebruik daarvan, zorgt voor gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving.
Voor al deze gebeurtenissen geldt dat dit zeer ernstige misdrijven zijn. De verdachte heeft met zijn handelen een grote inbreuk gemaakt op de veiligheid van de daarbij betrokken slachtoffers, op hun lichamelijke integriteit en op hun geestelijk welzijn. De misdrijven getuigen van geen enkel respect voor het welzijn van anderen en zorgen voor grote onrust in de samenleving. Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 maart 2021, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de eis in hoger beroep en de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf het in deze zaak toepasselijke strafmaximum overschrijdt gelet op eerder opgelegde gevangenisstraffen en het bepaalde in art. 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.). De advocaat-generaal heeft dit bestreden.
Het hof overweegt daartoe als volgt. Het hof acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de navolgende misdrijven:
(…)
Art. 57 Sr. bepaalt dat voor al deze bewezenverklaarde feiten één straf dient te worden opgelegd, waarbij het maximum in dit geval niet meer dan een derde boven het hoogste maximum beloopt. De hoogste maximum straf voor een van deze afzonderlijke delicten is in dit geval een gevangenisstraf van 12 jaar. Wanneer hier een derde bij opgeteld wordt, betekent dit dat het in deze zaak in beginsel toepasselijke strafmaximum 16 jaar bedraagt, terwijl dit maximum beneden de som van de afzonderlijke strafbedreigingen ligt.
Op 4 april 2014 heeft de rechtbank Rotterdam onder parketnummer 10-750146-13 verdachte wegens handelen in strijd met de Opiumwet veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf. In hoger beroep heeft het hof om juridische redenen die in zijn arrest van 9 april 2018 zijn uiteengezet verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden. De in dit arrest bewezenverklaarde feiten betreffen de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, de voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, alsmede medeplegen van voorbereidingshandelingen daartoe. Ingevolge art. 57 Sr is het op deze feiten toepasselijke strafmaximum 10,66 jaar. Dit ligt beneden het hiervoor genoemde in beginsel toepasselijke strafmaximum van 16 jaar. Dit leidt tot de slotsom dat het strafmaximum ingevolge art 57 Sr. 16 jaar blijft.
(…)
Dit betekent dat voor de werking van art. 63 Sr. in deze zaak voor wat betreft de veroordeling van 9 april 2018 niet van 5 jaar, maar van 4 maanden dient te worden uitgegaan.
De omstandigheid dat verdachte in de zaak met parketnummer 10-750146-13 heel veel langer dan 4 maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, is een kwestie die in het kader van de executie van de diverse gevangenisstraffen die aan verdachte zijn opgelegd aan de orde dient te komen, maar niet in het kader van de straftoemeting in deze zaak. Ingevolge art. 6:1:1 en volgende Wetboek van Strafvordering geschiedt de (beslissing over de) tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen door de Minister.
Dit alles leidt tot de slotsom dat ingevolge art. 63 Sr. een periode van 4 maanden in mindering dient te worden gebracht op het in beginsel toepasselijke strafmaximum van 16 jaar. Dit brengt mee dat in deze zaak het toepasselijke strafmaximum 15 jaar en 8 maanden bedraagt. Hiervan zal worden uitgegaan (HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1026).
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren een passende en geboden reactie vormt.”
Juridisch kader
2.3.
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- Art. 57 Sr:
“1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”
- Art. 63 Sr:
“Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”
2.4.
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Op grond van art. 63 Sr dient de samenloopregeling te worden toegepast, voor zover het te berechten feit vóór een eerdere veroordeling is begaan. Dit brengt mee dat bij het bepalen van het strafmaximum rekening moet worden gehouden met de eerder opgelegde straf(fen). In het arrest van 29 november 2005 heeft de Hoge Raad de toepassing van art. 63 Sr jo 57 Sr als volgt toegelicht:1.
“a. de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijl
b. hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen en
c. hij in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.”
Bespreking van het middel
2.5.
2.6.
Bij de stukken van het geding bevindt zich een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 29 maart 2021. Uit dat uittreksel volgt dat de verdachte op 27 oktober 2017 (rolnummer 22-004309-15, rechtsmiddel tegen 10-732569-11) door het gerechtshof Den Haag wegens vrijheidsberoving, mishandeling en twee diefstallen is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren. Aangezien de strafbare feiten waarvoor de verdachte in de onderhavige zaak is veroordeeld zijn gepleegd in 2016, diende het hof de eerdere veroordeling in de straftoemeting te betrekken.
2.7.
Toepassing van hetgeen de Hoge Raad in het arrest van 29 november 2005 heeft geoordeeld, brengt het volgende met zich mee. De maximaal op te leggen gevangenisstraf, indien alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld, verandert in dit geval niet en blijft zestien jaren. Immers is de hoogste straf van twaalf jaren gesteld op de poging doodslag. Dit maximum moet worden verminderd met vier maanden (opgelegd door hof Den Haag op 9 april 2018, rolnummer 22-001711-14) en vijf jaren (opgelegd door hof Den Haag op 27 oktober 2017, rolnummer 22-004309-15). Dat betekent dat het toepasselijke strafmaximum in de onderhavige zaak tien jaren en acht maanden betreft.
2.8.
Het hof heeft de straf opgelegd in de zaak met rolnummer 22-004309-15 ten onrechte niet in mindering op het strafmaximum gebracht. Toch behoeft de eerste deelklacht niet tot cassatie te leiden. Door de verdachte tot een gevangenisstraf van negen jaren en zes maanden (in plaats van tien jaar in verband met een door het hof geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn) te veroordelen, is het hof onder het strafplafond gebleven en is art. 63 jo art. 57 Sr niet geschonden.2.De omstandigheid – zoals in de toelichting van het middel wordt betoogd – dat de straf “hoogstwaarschijnlijk fors lager” zou zijn uitgevallen wanneer het hof zou zijn uitgegaan van het juiste strafmaximum, maakt dat niet anders. Zoals de steller van het middel terecht opmerkt, dwingt art. 63 Sr niet tot toepassing van een lagere straf dan zonder die bepaling zou zijn opgelegd.3.
2.9.
De eerste deelklacht faalt.
2.10.
In de tweede deelklacht wordt geklaagd dat de straftoemetingsbeslissing ontoereikend is gemotiveerd. In de toelichting wordt daartoe aangevoerd dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het betoog van de raadsvrouw dat de zaak met rolnummer 22-004309-15 moet worden verdisconteerd in de strafoplegging, althans dat het hof niet heeft gemotiveerd dat en waarom de eerder opgelegde straf niet hoefde te worden betrokken bij de strafoplegging in onderhavige zaak.
2.11.
In de schriftuur wordt verwezen naar de nummers 53 t/m 56 van de in hoger beroep overgelegde pleitnota. Hierin in het volgende opgenomen:
“53. Persoonlijke omstandighedenJustitiële documentatie - overschrijding strafmaximumCliënt zit reeds sinds 2016 in voorlopige hechtenis voor deze zaak (plusminus 4 jaar en 3 maanden). Cliënt heeft in eerste aanleg 8 jaar opgelegd gekregen. Ik ga u verzoeken – gelet op de door mij bepleite vrijspraak maar ook als u mij daarin niet volgt – dit te matigen.
54. Cliënt is namelijk onder rolnummer 22/004309-15 veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf. Voorts is cliënt in eerste aanleg onder rolnummer 22/001711-14 veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf, hetgeen hij ook al had uitgezeten. In hoger beroep is hij door het Hof echter maar veroordeeld tot 4 maanden omdat hij – met deze zaak ( 8 jaar) – reeds aan het strafmaximum zat.
55. Feitelijk heeft cliënt dus in totaal al 9 jaar en 3 maanden vastgezeten voor de zaken 22/001711-14 en de zaak vandaag 22/000212-18. Als hij straks de in 2019 onherroepelijk geworden zaak 22/004309-19 moet uitzitten zitten we reeds op: 13 jaar en 3 maanden. Dat betekent dat hij dan eigenlijk al bijna aan het strafmaximum van 13 jaar en 4 maanden zit.
56. Indien hem wederom 8 jaar wordt opgelegd zit hij aan 16 jaar feitelijk zitten, hetgeen uiteraard vanuit het oogpunt van een redelijke wetstoepassing niet wenselijk is. Daarom verzoek ik u primair geen langere gevangenisstraf op te leggen dan hij reeds heeft uitgezeten.”
2.12.
Uit de overwegingen betreffende de strafmotivering volgt dat het hof uitgebreid is ingegaan op het toepasselijke strafmaximum in deze zaak. Dat dit maximum niet noopte tot het opleggen van een lagere straf bleek al hiervoor, bij de bespreking van de eerste deelklacht. Tevens heeft het hof gerespondeerd op het betoog dat de verdachte in de zaak met parketnummer 10-750146-13 veel langer in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dan de in hoger beroep opgelegde straf van vier maanden. Dat daarmee bij de executie rekening kan worden gehouden, overweegt het hof naar ik meen terecht, gelet op het uitgangspunt dat ook aan art. 68 lid 1, laatste volzin, Sv ten grondslag ligt, te weten dat ‘teveel’ ondergane voorlopige hechtenis op de ondergane gevangenisstraf in mindering komt. Dat het totaal aantal jaren dat de verdachte moet ‘uitzitten’ vanuit een oogpunt van redelijke wetstoepassing niet wenselijk is, zoals is aangevoerd door de verdediging, is door het hof kennelijk niet aangenomen. Dat is gelet op de vrijheid die het hof toekomt op het punt van de strafoplegging niet onbegrijpelijk, ook niet als daarbij de eerder opgelegde gevangenisstraf van vijf jaar wordt betrokken.4.De tweede deelklacht faalt eveneens.
2.13.
Het eerste middel faalt.
3. Het tweede middel
3.1.
In het middel wordt geklaagd dat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd, in het bijzonder omdat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de redelijke termijn voor berechting in casu twee jaren zou bedragen, terwijl verdachte zich ten tijde van het wijzen van het arrest en voordien in voorlopige hechtenis bevond zodat de redelijke termijn zestien maanden bedroeg.
3.2.
Het bestreden arrest houdt onder het kopje “11. Strafmotivering” het volgende in:
“Het hof stelt evenwel, vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, nu de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren, gelet op het feit dat namens de verdachte op 2 januari 2018 hoger beroep is ingesteld en het eindarrest op 12 mei 2021 – te weten circa 3 jaren en 3 maanden later – is gewezen. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat in die zin, dat in plaats van de overwogen gevangenisstraf van 10 jaren, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur zal worden opgelegd.”
3.3.
Het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, bij de berechting van de zaak in hoger beroep in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM indien de behandeling van de zaak ter terechtzitting niet binnen zestien maanden na het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak.5.
3.4.
Het hof heeft vastgesteld dat, aangezien de berechting in hoger beroep circa drie jaren en drie maanden heeft geduurd, de redelijke termijn is geschonden en dat vanwege deze overschrijding een gevangenisstraf van negen jaren en zes maanden in plaats van tien jaren moet worden opgelegd. Het rechtsgevolg dat het hof aan de overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.6.Dat het hof in zijn overweging omtrent de redelijke termijn niet heeft betrokken dat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevond lijkt mij een kennelijke misslag. Deze maakt de verdiscontering van de redelijke termijn-overschrijding mijns inziens niet onbegrijpelijk.
3.5.
Het tweede middel faalt eveneens.
4. Slotsom
4.1.
De middelen falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
4.2.
Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte cassatie is ingesteld op 26 mei 2021. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM geschonden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf.7.
4.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot zodanige op art. 440 lid 2 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑12‑2022
HR 29 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2227, NJ 2006/176 m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 24 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0332, NJ 1989/189.
Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis; HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:197, NJ 2021/70.
HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5819, NJ 2011/199; HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3166, NJ 2015/469 m.nt. T.M. Schalken.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis.
Beroepschrift 16‑11‑2021
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE
Inzake: [requirant]/O.M.
[requirant], requirant van cassatie van een te zijnen aanzien gewezen arrest van het Gerechtshof Den Haag van 12 mei 2021 (parketnummer: 22-000212-18).
Edelhoogachtbaar College,
Ondergetekende, E. Maessen, advocaat te Maastricht, die verklaart tot ondertekening en indiening van onderhavige schriftuur bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie, heeft de eer aan uw Hoge Raad voor te dragen, de navolgende:
Middelen van cassatie
I
Schending van het recht, in het bijzonder van de artt. 57 en 63 Sr en de artt. 358 lid 3 Sv, 359 leden 2, 5 en 6 Sv jo. art. 415 lid 1 Sv en/of verzuim van vormen waarvan het niet naleven nietigheid meebrengt, doordien het Hof bij de strafoplegging ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, niet heeft betrokken dat requirant door het Gerechtshof Den Haag op 27 oktober 2017 onder parketnummer 22-004309-15 is veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf (welke veroordeling op 29 januari 2019 onherroepelijk is geworden), terwijl de strafbare feiten waarvoor requirant in de onderhavige zaak door het Hof is veroordeeld zijn gepleegd in de periode van 09 december tot en met 23 december 2016, derhalve vóór 27 oktober 2017.
Toelichting:
1.
Ten laste van requirant is door het Hof — voor zover voor het cassatieberoep van belang — bewezen verklaard dat (arrest, p. 5–7):
- ‘1.[zaak [naam 1]]
hij, op 09 december 2016 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd in de richting van het lichaam van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
- 2.[zaak [naam 1]]
hij, op 09 december 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas (merk Canada Goose) toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld bestond uit het:
- —
meenemen van die [slachtoffer] in een auto en rondrijden met die [slachtoffer] en
- —
die [slachtoffer] de woorden toevoegen: ‘Je moet geld en/of 40.000 regelen’ en ‘We houden je vast totdat je familie geld heeft geregeld’, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en
- —
slaan van die [slachtoffer] met een kolf van een vuurwapen
- —
uitschelden van die [slachtoffer] en
- —
spugen naar die [slachtoffer] en
- —
meermalen die [slachtoffer] op/tegen het hoofd slaan en
- —
in het kruis van die [slachtoffer] schoppen en
- —
vuurwapens aan die [slachtoffer] tonen en
- —
in de nabijheid van die [slachtoffer] zeggen: ‘Moet ik hem schieten?’ en ‘Nee, dat verdient hij niet, hij krijgt er straks een kogel door zijn kop’,
- 3.[zaak [naam 1]]
hij, op 09 december 2016 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij verdachte en zijn mededaders
- —
die [slachtoffer] meegenomen in een auto en met die [slachtoffer] rondgereden en
- —
die [slachtoffer] de woorden toegevoegd: ‘Je moet geld en/of 40.000 regelen’ en ‘We houden je vast totdat je familie geld heeft geregeld’, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en
- —
die [slachtoffer] met een kolf van een vuurwapen geslagen en
- —
die [slachtoffer] uitgescholden en
- —
naar die [slachtoffer] gespuugd en
- —
meermalen die [slachtoffer] op/tegen het hoofd geslagen en
- —
in het kruis van die [slachtoffer] geschopt en
- —
vuurwapens aan die [slachtoffer] getoond en
- —
in de nabijheid van die [slachtoffer] gezegd: ‘Moet ik hem schieten?’ en ‘Nee, dat verdient hij niet, hij krijgt er straks een kogel door zijn kop’,
- —
die [slachtoffer] meegenomen naar een portiek/woning;
- 4.[zaak [naam 1]]
hij, op 23 december 2016 te Rotterdam, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie III onder sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- —
een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk/type Zastava Mod. 70, kaliber 7,65, en bijbehorende munitie,
voorhanden heeft gehad;’
2.
Het Hof heeft requirant onder andere voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest (arrest, p. 18). Ten aanzien van de strafoplegging heeft het Hof — voor zover hier van belang — het volgende overwogen (arrest, p. 13–15):
‘De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de eis in hoger beroep en de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf het in deze zaak toepasselijke strafmaximum overschrijden gelet op eerder opgelegde gevangenisstraffen en het bepaalde in art. 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.). De advocaat-generaal heeft dit bestreden.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Het hof acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de navolgende misdrijven:
- 1.
het medeplegen van een poging tot doodslag, waarop ingevolge art. 45 juncto 287 Sr. een gevangenisstraf van ten hoogste 10 jaar is gesteld;
- 2.
diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, waarop ingevolge art. 3121 eerste en tweede lid Sr. een gevangenisstraf van ten hoogte 12 jaar is gesteld;
- 3.
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, waarop in art. 282 Sr. een gevangenisstraf van ten hoogste 8 jaar is gesteld;
- 4.
eendaadse samenloop van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, alsmede handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, op welke twee feiten ingevolge art. 55 Sr. juncto art. 55, derde lid, Wet wapens en munitie een gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaar is gesteld;
(…)
Art. 57 Sr. bepaalt dat voor al deze bewezenverklaarde feiten één straf dient te worden opgelegd, waarbij het maximum in dit geval niet meer dan een derde boven het hoogste maximum beloopt. De hoogste maximum straf voor een van deze afzonderlijke delicten is in dit geval een gevangenisstraf van 12 jaar. Wanneer hier een derde bij opgeteld wordt, betekent dit dat het in deze zaak in beginsel toepasselijke strafmaximum 16 jaar bedraagt, terwijl dit maximum beneden de som van de afzonderlijke strafbedreigingen ligt.
Op 4 april 2014 heeft de rechtbank Rotterdam onder parketnummer 10-750146-13 verdachte wegens handelen in strijd met de Opiumwet veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf. In hoger beroep heeft het hof om juridische redenen die in zijn arrest van 9 april 2018 zijn uiteengezet verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden. De in dit arrest bewezenverklaarde feiten betreffen de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, de voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, alsmede medeplegen van voorbereidingshandelingen daartoe. Ingevolge art. 57 Sr is het op deze feiten toepasselijke strafmaximum 10,66 jaar. Dit ligt beneden het hiervoor genoemde in beginsel toepasselijke strafmaximum van 16 jaar.
Dit leidt tot de slotsom dat het strafmaximum ingevolge art 57 Sr. 16 jaar blijft.
Artikel 63 Sr. houdt het volgende in:
Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig een straf wordt opgelegd van toepassing.
Dit betekent dat voor de werking van art. 63 Sr. in deze zaak voor wat betreft de veroordeling van 9 april 2018 niet van 5 jaar, maar van 4 maanden dient te worden uitgegaan.
(…)
Dit alles leidt tot de slotsom dat ingevolge art. 63 Sr. een periode van 4 maanden in mindering dient te worden gebracht op het in beginsel toepasselijke strafmaximum van 16 jaar. Dit brengt mee dat in deze zaak het toepasselijke strafmaximum 15 jaar en 8 maanden bedraagt. Hiervan zal worden uitgegaan (HR 6 juni 2017, ECLl:NL:HR:2017:1026).
Het hof is — alles afwegende — van oordeel dat in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren een passende en geboden reactie vormt.’
3.
In verband met een door het Hof geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep, heeft het Hof (zoals gesteld) aan requirant een gevangenisstraf van negen jaren en zes maanden met aftrek van voorarrest opgelegd. Zie hierover nader het tweede cassatiemiddel van deze schriftuur.
4.
Het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 maart 2021 op naam van requirant dat zich bij de gedingstukken bevindt, vermeldt — behoudens het arrest d.d. 09 april 2018 met parketnummer 22-001711-14, waarmee het Hof bij de straftoemeting rekening heeft gehouden — (op p. 5–6) ook nog een arrest d.d. 27 oktober 2017 met parketnummer 22-004309-15, waarbij requirant ter zake van (kort gezegd) het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, het medeplegen van mishandeling en diefstal door twee of meer verenigde personen is veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf.
5.
Naar requirant meent, had het Hof in de onderhavige zaak, gelet op het bepaalde in art. 63 Sr, bij de straftoemeting ook rekening moeten houden met het arrest met parketnummer 22-004309-15 d.d. 27 oktober 2017. De feiten in de onderhavige zaak zijn immers gepleegd voorafgaand aan de strafoplegging in het arrest van 27 oktober 2017, te weten in de periode van 09 tot en met 23 december 2016.
6.
In HR 06 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1026, r.o. 3.5 heeft Uw Raad overwogen:
‘In zijn arrest van 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5556, NJ 2006/10 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een geval als het onderhavige
- a)
de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijl
- b)
hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straf en
- c)
hij in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.’
7.
Een en ander betekent dat het strafmaximum in de zaak van requirant (16 jaar — 5 jaar — 4 maanden =) 10 jaar en 8 maanden bedraagt. Het door het Hof gestelde strafmaximum van 15 jaar en 8 maanden is derhalve onjuist te achten.
8.
Uw Raad heeft in HR 24 mei 1988, NJ 1989/189 en HR 29 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2227geoordeeld dat toepassing van art. 63 Sr niet noopt tot oplegging van een lagere straf dan zou zijn opgelegd indien die bepaling niet van toepassing was (vgl. ook Noyon-Langemeijer-Remmelink, art. 63 Sr, aant. 5).
9.
Dit laat onverlet dat in de zaak van requirant duidelijk blijkt dat het Hof niet de vrijwel maximaal mogelijke straf aan hem heeft willen opleggen. Het Hof heeft immers (weliswaar ten onrechte) overwogen dat het toepasselijke strafmaximum 15 jaar en 8 maanden bedraagt, maar een gevangenisstraf van (uiteindelijk) 9 jaar en 6 maanden opgelegd. Zou het Hof zijn uitgegaan van het juiste toepasselijke strafmaximum van 10 jaar en 8 maanden, dan zou de uiteindelijk opgelegde straf hoogstwaarschijnlijk fors lager dan 9 jaar en 6 maanden zijn uitgevallen.
10.
Daarnaast heeft het Hof de straftoemetingsbeslissing ontoereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen de verdediging ter terechtzitting van het Hof heeft aangevoerd. De door requirant's raadsvrouw ter terechtzitting van het Hof overgelegde pleitnotities houden — voor zover hier van belang — het volgende in (p. 11):
- ‘53.
Persoonlijke omstandigheden
Justitiële documentatie — overschrijding strafmaximum
Cliënt zit reeds sinds 2016 in voorlopige hechtenis voor deze zaak (plusminus 4 jaar en 3 maanden). Cliënt heeft in eerste aanleg 8 jaar opgelegd gekregen. Ik ga u verzoeken (…) dit te matigen.
- 54.
Cliënt is namelijk onder rolnummer: 22/004309-15 veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf. Voorts is cliënt in eerste aanleg onder rolnummer 22/001711-14 veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf, hetgeen hij ook al had uitgezeten. In hoger beroep is hij door het Hof echter maar veroordeeld tot 4 maanden omdat hij — met deze zaak (8 jaar) — reeds aan het strafmaximum zat.
- 55.
Feitelijk heeft cliënt dus in totaal 9 jaar en 3 maanden vastgezeten voor de zaken 22/001711-14 en de zaak vandaag — 22/000212-18. Als hij straks de in 2019 onherroepelijk geworden zaak 22/004309-191. moet uitzitten zitten we reeds op: 13 jaar en 3 maanden. Dat beteken[t] dat hij dan eigenlijk al bijna aan het strafmaximum van 13 jaar en 4 maanden zit.
- 56.
Indien hem wederom 8 jaar wordt opgelegd zit hij aan 16 jaar feitelijk zitten, hetgeen uiteraard vanuit het oogpunt van redelijke wetstoepassing niet wenselijk is. Daarom verzoek ik u primair geen langere gevangenisstraf op te leggen dan hij reeds heeft uitgezeten.’
11.
Requirante's raadsvrouw heeft zich derhalve op het standpunt gesteld dat het Hof ook in mitigerende rekening zou moeten houden met de strafoplegging in de zaak met parketnummer 22-004309-15 d.d. 27 oktober 2017. Het Hof heeft de strafoplegging in de zaak met parketnummer 22-004309-15 evenwel niet betrokken bij de strafoplegging in de onderhavige zaak. In ieder geval heeft het Hof niet gemotiveerd dat en waarom het de strafoplegging in de zaak met parketnummer 22-004309-15 niet hoefde te betrekken bij de strafoplegging in de onderhavige zaak.
12.
In zijn annotatie onder HR 13 januari 1987, NJ 1987/884 merkt Th.W. van Veen op (sub 3):
‘Uit deze beslissing valt te concluderen, dat volgens de HR art. 63 Sr niet alleen van belang is voor de berekening van het strafplafond, maar ook voor straftoemeting, die aanvankelijk beneden dat plafond ligt. Het verlangt van de rechter, dat hij zich afvraagt, hoe hij gestraft zou hebben als de nieuwe feiten zouden zijn berecht met de reeds bij vonnis afgedane feiten. Zie over deze opvatting de noot van A.C. 't Hart onder HR 12 april 1983, NJ 1983, 515.’
13.
Bedoelde annotatie van A.C. 't Hart bij HR 12 april 1983, NJ 1983/515 vermeldt (sub 1):
‘Een dergelijk beroep [op art. 63 Sr; toevoeging EM] kan nl. een beroep opleveren op een strafverminderingsgrond, waarop de rechter ex art. 358 lid 3 Sv bepaaldelijk moet responderen.’
Daaraan kan worden toegevoegd dat beslissingen als bedoeld in art. 358 lid 3 Sv op grond van het bepaalde in art. 359 lid 2 Sv van een motivering moeten worden voorzien. Die motivering zal bovendien deugdelijk moeten zijn.
14.
De motivering van de straftoemetingsbeslissing door het Hof is in zoverre ontoereikend gemotiveerd te achten, omdat requirant's raadsvrouw heeft betoogd dat de strafoplegging in de zaak met parketnummer 22-004309-15 verdisconteerd dient te worden in de strafoplegging in de onderhavige zaak. Het Hof heeft hierop niet gerespondeerd. In ieder geval ontbreekt een motivering dat en waarom het Hof bij de berekening van het toepasselijke strafmaximum in de onderhavige zaak geen acht zou hoeven te slaan op de eerdere veroordeling.
15.
Gelet op het voorgaande, is de straftoemetingsbeslissing in het bestreden arrest ontoereikend gemotiveerd te achten.
II
Schending van het recht, in het bijzonder van art. 6 lid 1 EVRM en art. 359 leden 5 en 6 Sv jo. art. 415 lid 1 Sv en/of verzuim van vormen waarvan het niet naleven nietigheid meebrengt, doordien het Hof de strafoplegging ontoereikend heeft gemotiveerd. In het bijzonder heeft het Hof ten onrechte overwogen dat de redelijke termijn voor berechting in casu twee jaren zou bedragen, terwijl requirant zich ten tijde van het wijzen van het arrest en voordien in voorlopige hechtenis bevond.
Toelichting:
1.
Requirant is door het Hof tot een gevangenisstraf van negen jaren en zes maanden (met aftrek van voorarrest) veroordeeld (arrest, p. 18). Ten aanzien van de strafoplegging heeft het Hof onder andere overwogen (arrest, p. 15):
‘Het hof is — alles afwegende — van oordeel dat in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren een passende en geboden reactie vormt.
Het hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, nu de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren, gelet op het feit dat namens de verdachte op 2 januari 2018 hoger beroep is ingesteld en het eindarrest op 12 mei 2021 — te weten circa 3 jaren en 3 maanden later — is gewezen. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat in die zin, dat in plaats van de overwogen gevangenisstraf van 10 jaren, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur zal worden opgelegd.’
2.
In HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:834, r.o. 3.3, heeft Uw Raad overwogen:
‘Vooropgesteld moet worden dat indien, zoals hier het geval is, de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, bij de berechting van de zaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM indien de behandeling van de zaak ter terechtzitting niet binnen zestien maanden na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.14-3.16).’
3.
Uit de stukken van het geding volgt dat requirant zich ten tijde van het wijzen van het arrest door het Hof en voordien in voorlopige hechtenis bevond. Het Hof heeft dan ook ten onrechte als uitgangspunt genomen dat de redelijke termijn voor berechting in de zaak van requirant twee jaren zou bedragen. De berechting van requirant's zaak zou immers binnen zestien maanden na het instellen van het hoger beroep dienen te zijn afgerond.
4.
Het Hof heeft dit miskend, zodat de strafoplegging ontoereikend gemotiveerd is te achten.
Maastricht, 16 november 2021
E. Maessen
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 16‑11‑2021
Onmiskenbaar wordt hier gedoeld op de zaak met parketnummer 22-004309-15; deze zaak is op 29 januari 2019 onherroepelijk geworden (zie het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 maart 2021, p. 6).