Vgl. voor een niet aanhouden verdachte bijv. HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:368, NJ 2018/243 en HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:288, NJ 2020/94. Overigens bevindt zich bij de stukken ook een proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina’s 18-19) inhoudende dat aan de verdachte is medegedeeld dat zij was aangehouden voor openbare dronkenschap en ook werd verdacht van vernieling (feit 2).
HR, 19-03-2024, nr. 22/00560
ECLI:NL:HR:2024:412
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-03-2024
- Zaaknummer
22/00560
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:412, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑03‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:93
ECLI:NL:PHR:2024:93, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 30‑01‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:412
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑03‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0055
JIN 2024/48 met annotatie van mr. C. van Oort
NTS 2024/10
Uitspraak 19‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Beschadiging van auto (art. 350.1 Sr). Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting i.v.m. gebreken in mededelingen over recht op rechtsbijstand aan aangehouden verdachte. Mededeling van recht op kosteloze rechtsbijstand en beoordeling van aan vormverzuim eventueel te verbinden rechtsgevolg, art. 27c, 28.1 en 28b Sv en art. 43.1 Wet op de rechtsbijstand. Uit samenstel van wettelijke bepalingen volgt dat verdachte die is aangehouden voor strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, o.m. moet worden medegedeeld dat bijstand van raadsman kosteloos is. Als zich geval voordoet waarin verdachte afstand heeft gedaan van recht op raadplegen van raadsman nadat hij op bestaan van dit recht is gewezen, maar waarbij tevens is vastgesteld dat sprake is van vormverzuim in die zin dat niet alle i.v.m. aanhouding en verhoor van verdachte voorgeschreven mededelingen volledig en in alle opzichten juist zijn gedaan, moet rechter, indien verweer wordt gevoerd over gebrek in doen van die mededelingen, o.g.v. art. 359a Sv beoordelen of aan verzuim rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt (vgl. HR:2017:968). Namens verdachte gevoerd verweer houdt in dat verhoor van verdachte dat na aanhouding heeft plaatsgevonden mede betrekking had op verdenking van vernieling en mishandeling, en dat verdachte weliswaar is geïnformeerd over recht op rechtsbijstand maar haar in strijd met wettelijke regeling niet is medegedeeld dat rechtsbijstand kosteloos zou zijn. Verder is aangevoerd dat verdachte geen afstand zou hebben gedaan van haar recht op bijstand van advocaat voorafgaand aan en tijdens haar verhoor bij politie, als zij op juiste manier was voorgelicht over kosten van rechtsbijstand. Hof heeft verweer verworpen en daartoe overwogen dat verdachte afstand heeft gedaan van recht op rechtsbijstand. Hof heeft daarbij echter juistheid van hiervoor genoemde stellingen in het midden gelaten en daarmee niet wat namens verdachte naar voren is gebracht, bij beoordeling van verweer betrokken. Hof heeft daarom verwerping van verweer ontoereikend gemotiveerd. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00560
Datum 19 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 februari 2022, nummer 21-001440-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.M. Noorlander, advocaat te Zutphen, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde over de verwerping door het hof van een tot bewijsuitsluiting strekkend verweer.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“zij op 25 december 2019 te Utrecht, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, die aan [betrokkene 1] toebehoorde, heeft beschadigd.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel:
“3. Het in de wettelijk vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland en verbalisant [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, genummerd PL0900-2019385405-5 van 25 december 2019, opgenomen op pagina’s 35 tot en met 41, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven de verklaring van verdachte:
O: We gaan het nu over de zaken hebben. Eerst maar even het begin van de reden waarom je hier zit met kerst. De aanhouding van je openbare dronkenschap.
V: Wat is er gebeurd?
A: Nee, ik weet wel dat ik een leuke kerstavond had bij mijn moeder. Gegeten en alles. In Utrecht. Ik voelde me echt eenzaam zonder mijn ex. Dit is [betrokkene 1] . Wij zijn nu 1 a 2 jaar uit elkaar.
(..)
A: Ik belde mijn ex. Toen niks.
V: Wat bedoel je?
A; Hij was bij een stumperd, dat andere wijf. Waar hij vijf jaar geleden al vreemd mee is gegaan.
V: Hoe is die vernieling ontstaan?
A: Ik heb tegen een auto geschopt.
V: Van wie was die auto?
A: Dit was zijn auto.
V: Wat was het voor auto?
A: Weet ik niet. Dit is een zilveren. Ik wist dat dat zijn auto was.
(...)
V: Heeft de alcohol invloed op jou gehad?
A: Dit heeft de alcohol gedaan. Ik had een gezellige avond totdat ik hem belde en toen draaide ik om door de alcohol.”
2.2.3
Het hof heeft het verweer waarop het cassatiemiddel doelt, als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. De raadsman voert daartoe aan dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte is in eerste instantie aangehouden voor openbare dronkenschap. Hiervoor bestaat geen recht op kosteloze rechtsbijstand. Verdachte is echter vervolgens ook gehoord over vernieling en mishandeling waarvoor wel het recht op kosteloze rechtsbijstand bestaat. Door verbalisanten is aan verdachte medegedeeld dat ze recht op een advocaat heeft en aan haar is een brochure verstrekt waar haar rechten als verdachte in staan. De raadsman stelt dat de verdachte ten aanzien van de vernieling en mishandeling apart ingelicht had moeten worden over de kosteloze rechtsbijstand waarop zij recht had. Verdachte heeft volgens de raadsman immers torenhoge schulden waardoor zij zelf nooit om een advocaat zou vragen indien zij die zelf zou moeten betalen. Op grond van deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat zij onvoorwaardelijk afstand heeft gedaan van haar recht op rechtsbijstand. Ten onrechte heeft zij daardoor geen rechtsbijstand genoten. De raadsman bepleit derhalve dat de inhoud van de verklaringen van verdachte afgelegd zonder aanwezigheid van een raadsman niet gebezigd mogen worden voor het bewijs vanwege strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
(...)
Ten aanzien van het primair gevoerde verweer oordeelt het hof in het bijzonder als volgt.
Door de verbalisanten is met verdachte op niet mis te verstane en duidelijke wijze meerdere malen gesproken over de strafbare feiten waarvan zij (achtereenvolgens) werd verdacht en het in verband daarmee eventueel alsnog laten komen van een advocaat. Verdachte heeft echter telkens duidelijk aangegeven dat zij de verbalisanten begreep maar bij het verhoor geen advocaat wilde, dan wel zijn bijstand niet nodig vond. Het hof is van oordeel dat gelet op voornoemde verklaring van verdachte, die niet anders kan worden gezien dan een uitdrukkelijke en bewuste afstand van haar recht op bijstand van een advocaat, het recht op een eerlijk proces van verdachte niet is geschonden en dat daarom geen sprake is van een vormverzuim waarmee op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering rekening moet worden gehouden.”
2.2.4
De processen-verbaal van aanhouding, voorgeleiding en verhoor, waarop het door de raadsman gevoerde verweer steunt, zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.10-3.11. Daaruit blijkt dat de verdachte na aanhouding is verhoord in verband met de verdenking van openbare dronkenschap, vernieling en mishandeling.
2.3.1
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
“1. Aan de verdachte wordt bij zijn staandehouding of aanhouding medegedeeld ter zake van welk strafbaar feit hij als verdachte is aangemerkt. Buiten gevallen van staandehouding of aanhouding wordt de verdachte deze mededeling uiterlijk voorafgaand aan het eerste verhoor gedaan.
2. Aan de verdachte die niet is aangehouden, wordt voorafgaand aan zijn eerste verhoor, onverminderd artikel 29, tweede lid, mededeling gedaan van het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 28, eerste lid, en, indien van toepassing, het recht op vertolking en vertaling, bedoeld in artikel 27, vierde lid.
3. Aan de aangehouden verdachte wordt onverwijld na zijn aanhouding en in ieder geval voorafgaand aan zijn eerste verhoor schriftelijk mededeling gedaan van:
a. het recht om de in het eerste lid bedoelde informatie te ontvangen;
b. de in het tweede lid bedoelde rechten;
(...)”
- Artikel 28 lid 1 Sv:
“De verdachte heeft het recht om zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, te doen bijstaan door een raadsman.”
“2. Indien een verdachte die is aangehouden voor een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, desgevraagd rechtsbijstand wenst, stelt de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand hiervan onverwijld in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. (...)
3. Indien de verdachte is aangehouden voor een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten, en hij desgevraagd rechtsbijstand wenst, wordt hij in de gelegenheid gesteld contact op te nemen met een door hem gekozen raadsman.”
- Artikel 43 lid 1 Wet op de rechtsbijstand:
“In de gevallen waarin krachtens een wettelijk voorschrift in het Wetboek van Strafrecht of het Wetboek van Strafvordering voor een verdachte, veroordeelde of gewezen verdachte een raadsman door het bestuur wordt aangewezen of op last van de rechter door het bestuur wordt toegevoegd, is deze bijstand kosteloos, onverminderd het derde lid. De eerste volzin is niet van toepassing op de bijstand die door een aangewezen raadsman wordt verleend tijdens het in artikel 28d van het Wetboek van Strafvordering bedoelde verhoor van een verdachte van een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten.”
2.3.2
Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat de verdachte die is aangehouden voor een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, onder meer moet worden medegedeeld dat de bijstand van een raadsman kosteloos is.
2.4
Als zich een geval voordoet waarin de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht op het raadplegen van een raadsman nadat hij op het bestaan van dit recht is gewezen, maar waarbij tevens is vastgesteld dat sprake is van een vormverzuim in die zin dat niet alle in verband met de aanhouding en het verhoor van de verdachte voorgeschreven mededelingen volledig en in alle opzichten juist zijn gedaan, moet de rechter, indien verweer wordt gevoerd over een gebrek in het doen van die mededelingen, op grond van artikel 359a Sv beoordelen of aan dat verzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt (vgl. HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:968, rechtsoverweging 2.7.2).
2.5.1
Het namens de verdachte gevoerde verweer houdt in dat het verhoor van de verdachte dat na aanhouding heeft plaatsgevonden mede betrekking had op de verdenking van vernieling en mishandeling, en dat de verdachte weliswaar is geïnformeerd over het recht op rechtsbijstand maar haar in strijd met de onder 2.3 weergegeven wettelijke regeling niet is medegedeeld dat deze rechtsbijstand kosteloos zou zijn. Verder is aangevoerd dat de verdachte geen afstand zou hebben gedaan van haar recht op bijstand van een advocaat voorafgaand en tijdens haar verhoor bij de politie, als zij op een juiste manier was voorgelicht over de kosten van die rechtsbijstand.
2.5.2
Het hof heeft dit verweer verworpen en daartoe overwogen dat de verdachte afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand. Het hof heeft daarbij echter de juistheid van de hiervoor genoemde stellingen in het midden gelaten en daarmee niet wat namens de verdachte naar voren is gebracht, bij de beoordeling van het verweer betrokken. Het hof heeft daarom de verwerping van het verweer ontoereikend gemotiveerd.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2024.
Conclusie 30‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Verwerping verweer vormverzuim ex art. 359a Sv. ’s Hofs kennelijke oordeel dat de i.v.m. het verhoor van vte voorgeschreven mededelingen volledig en juist zijn gedaan en dat sprake is van een rechtsgeldige afstand van het recht op kosteloze consultatie-en verhoorbijstand is niet begrijpelijk. De conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/00560
Zitting 30 januari 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 9 februari 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens 1. "mishandeling” en 2. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Ook heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals in het bestreden arrest is vermeld.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.M. Noorlander, advocaat te Zutphen, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, omdat de verdachte een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven over haar recht op consultatie-en verhoorbijstand.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“zij op 25 december 2019 te Utrecht, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, die aan [betrokkene 1] toebehoorde, heeft beschadigd”
3.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland, genummerd PL0900-2019385405-1 van 25 december 2019, opgenomen op pagina’s 11 en 12, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven de verklaring van [betrokkene 1]:
Ik doe aangifte van vernieling van mijn auto. Ik heb een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken]. De auto is zilver van kleur. Deze auto is mijn eigendom en staat op mijn naam.
Op dinsdagavond 24 december 2019 tussen 19:00 uur en 20:00 uur parkeerde ik mijn auto in de [a-straat]. Ik parkeerde hem precies voor café [A]. Zij hebben hier camerabeelden bij dit café. Toen ik hem parkeerde was hij geheel onbeschadigd. Hij was afgesloten.
Op woensdag 25 december 2019, omstreeks 11 a 12 uur, wilde ik sigaretten gaan kopen en ik ontdekte aan de bijrijderskant schade aan mijn auto. Ik zag allemaal deuken. Ik kocht eerst sigaretten en toen ik terug kwam zag ik ook nog aan de bestuurderszijde schade. Ik zag hier ook overal deuken. Rondom mijn voertuig zaten diverse deuken. Mijn linker buiten spiegel was ook kapot gemaakt. Ik zag op de voorruit een briefje van de politie. Er stond op dat mijn auto vernield was en dat ik contact moest opnemen.
Op dinsdagavond, ik weet niet meer hoe laat, sprak ik met [verdachte]. Dit is mijn ex. Zij wilde mij graag zien. Zij vroeg aan mij of ik naar beneden wilde komen. Zij vertelde mij dat als ik dat niet zou doen, zij mijn auto kapot zou maken. Later vertelde ze me over de telefoon dat ze bloed aan haar handen had. Ik heb hier op dit moment geen aandacht aan besteed. Ik heb de auto ook niet bekeken toen.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige, opgemaakt door [verbalisant 3], hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, genummerd PL0900-2019385405-2 van 25 december 2019, opgenomen op pagina’s 20 en 21, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven de verklaring van [betrokkene 2]:
Op dinsdag 25 december 2019 (het hof leest woensdag) was ik werkzaam in het restaurant genaamd [A], gelegen aan de [b-straat 1] te Utrecht. Op dezelfde dag, omstreeks 01:30 uur was ik samen met andere collega's bezig met het sluiten van het restaurant. Ik hoorde gebonk dat van buiten kwam. Ik heb niet kunnen zien wat het was, maar ik en mijn collega's voelden ons er niet fijn bij en hebben de deur van het restaurant uit voorzorg afgesloten. Ongeveer 5 minuten later hoorde ik weer gebonk van buiten komen. Ik keek uit het raam en ik zag een meisje bij een auto staan. Deze auto betrof een grijze Volkswagen Polo. Ik heb het kenteken niet kunnen zien. De auto stond geparkeerd op de [a-straat] te Utrecht. De auto stond geparkeerd met de voorzijde richting de [b-straat] te Utrecht. Ik had goed zicht op de auto, omdat hij recht tegenover het restaurant stond waar ik werkzaam was. Ik zag dat het meisje aan de passagierskant stond. Ongeveer 5 minuten daarop zag ik hetzelfde meisje nog bij de auto staan, maar nu met een fiets en ze stond nu aan de bestuurderszijde.
Ik zag dat het meisje met haar fiets tegen de auto viel/ beukte aan de bestuurderszijde. Ik dacht dat ze vervolgens wegfietste, maar ze ging naar de motorkap en ik zag dat ze een trap op de motorkap gaf. Ik zag dat ze op haar fiets bleef zitten en toen de trap op de motorkap gaf. Na de trap zag ik dat het meisje wegfietste in de [a-straat] op, richting [c-straat].
Na ongeveer een half uur zag ik het meisje weer vanuit de richting van de [c-straat] komen fietsen. Ik zag dat ze op de fiets naast de auto ging staan. Ik zag dat ze met haar fiets of met haar lichaam tegen de deuren van de bestuurderszijde drukte.
Ik kan het meisje als volgt omschrijven:- Zwarte lange jas;
- Panty;
- Jurkje of een rok;
- Zwarte schoenen met witte zolen;
- Konijnenoortjes op haar hoofd.
Ik kan de fiets die het meisje bij zich had als volgt omschrijven:- Zwarte oma fiets;
- Verder geen bijzonderheden.
3. Het in de wettelijk vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland en verbalisant [verbalisant 4], hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, genummerd PL0900-2019385405-5 van 25 december 2019, opgenomen op pagina’s 35 tot en met 41, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven de verklaring van verdachte:
O: We gaan het nu over de zaken hebben. Eerst maar even het begin van de reden waarom je hier zit met kerst. De aanhouding van je openbare dronkenschap.
V: Wat is er gebeurd?
A: Nee, ik weet wel dat ik een leuke kerstavond had bij mijn moeder. Gegeten en alles. In Utrecht. Ik voelde me echt eenzaam zonder mijn ex. Dit is [betrokkene 1]. Wij zijn nu 1 a 2 jaar uit elkaar. (…)A: Ik belde mijn ex. Toen niks.
V: Wat bedoel je?
A; Hij was bij een stumperd, dat andere wijf. Waar hij vijf jaar geleden al vreemd mee is gegaan.
V: Hoe is die vernieling ontstaan?
A: Ik heb tegen een auto geschopt.
V: Van wie was die auto?
A: Dit was zijn auto.
V: Wat was het voor auto?
A: Weet ik niet. Dit is een zilveren. Ik wist dat dat zijn auto was.
(…)
(…)
V: Heeft de alcohol invloed op jou gehad?
A: Dit heeft de alcohol gedaan. Ik had een gezellige avond totdat ik hem belde en toen draaide ik om door de alcohol.”
3.4
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Het hoger beroep is ingesteld omdat cliënte het niet eens is met haar veroordeling. Zij had moeten worden vrijgesproken. Mocht u toch reden zien voor een veroordeling dan is cliënte het niet eens met raming van de schade.
Ik zal eerst toelichten waarom het verhoor in deze zaak uitgesloten had moeten worden van het bewijs (ex. 359a Sv). Daarna zal ik de bewijsmiddelen behandelen en uitleggen waarom de verdediging tot een vrijspraak komt. Tot slot zal ik (subsidiair) kort de strafmaat bespreken en mij richten op de gevorderde schade.
Bewijsuitsluiting ex. artikel 359a Sv
Het is niet goed gegaan. Cliënte is een onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Zij is bij de aanhouding (sd p.29), de voorgeleiding (sd 32) en bij het verhoor (sd 35) verteld dat zij weliswaar recht heeft op consultatiebijstand en verhoorbijstand, maar dat zij deze zelf zou moeten betalen. Ook is haar medegedeeld dat zij verdacht werd van een licht feit (openbaar dronkenschap), terwijl zij vervolgens gehoord is over zwaardere feiten van vernieling en mishandeling. Feiten waarvoor men in voorlopige hechtenis kan worden genomen. Gelet op het verloop van het verhoor (sd 35) kan het niet anders zijn dat de verbalisanten op dat moment al wisten dat zij ook hier over zou worden gehoord. (…)
Vormverzuimen
Dit zijn vormverzuimen. De opsporing heeft hiermee gehandeld in strijd met artikel 6 lid 1 EVRM (fair trial), en de artikelen 27c lid 1 Sv (niet mededelen welke feiten zij wordt verdacht voorafgaand aan het verhoor), artikel 27c lid 3 jo artikel 28 lid 1 Sv gelezen in samenhang met artikel 3 lid 1 onder c van de Richtlijn 2012/13/ EU (onvoldoende informatie over het recht op kosteloze rechtsbijstand).
Ernst van het verzuim/ nadeel
Cliënte heeft hierdoor geen effectieve rechtsbescherming gehad. Cliënte staat op het moment van aanhouden gesignaleerd. Zij had namelijk haar schorsingsvoorwaarden overtreden. Zij heeft geen inkomen op dat moment en zij heeft torenhoge schulden. Zij kan een advocaat niet zelf betalen. Dus op het moment dat zij vast zit voor een licht feit, zal zij nooit om een advocaat vragen als zij deze zelf zou moeten betalen. Zij is dus verkeerd geïnformeerd en zij heeft daardoor geen rechtsgeldige afstand gedaan van het recht op een advocaat. Dit volgt uit artikel 28a wetboek van Strafvordering jo artikelen 3 lid 1 en 9 lid 1 gelezen in samenhang met punt 39 en 50 van de considerans van de Richtlijn 2013/48/EU (zie ook T&C toelichting op artikel 28a Sv). Het horen van een verdachte zonder dat deze rechtsgeldig afstand heeft gedaan van consultatie- en verhoorbijstand is een ernstig verzuim.
Door deze handelswijze is cliënte ernstig benadeeld. Als zij juist was voorgelicht had zij de mogelijkheid gehad zich op een juiste wijze op het verhoor voor te bereiden. Zij had in samenspraak met een advocaat een proceshouding kunnen bepalen voor elk van de zaken waarover zij gehoord zou worden. Zij staat door de misinformatie al 3-0 achter. Bij aanvang van de vervolging was er dus al geen sprake meer van een eerlijk proces.
Onherstelbaar
Dit verzuim in het vooronderzoek kan niet meer hersteld worden.
Uitsluiten van het verhoor ex. artikel 359a Sv
Wat de verdediging betreft past er slechts een maatregel om het proces weer in een goede balans te krijgen en dat is de uitsluiting van het verhoor als bewijs in deze zaken. Ik verzoek u daarom het pv van verhoor als bewijsmiddel uit te sluiten.”
3.5
In aanvulling op de pleitnota is verder, voor zover van belang, nog het volgende aangevoerd:
“Het recht op verhoor-en consultatiebijstand staat in de wet. Echter moet daarbij ook worden aangegeven dat dit recht kosteloos is. Uit de stukken in het dossier blijkt niet dat dat tegen cliënt is gezegd.”
3.6
Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Overweging met betrekking tot het bewijs
(…)
Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. De raadsman voert daartoe aan dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte is in eerste instantie aangehouden voor openbare dronkenschap. Hiervoor bestaat geen recht op kosteloze rechtsbijstand. Verdachte is echter vervolgens ook gehoord over vernieling en mishandeling waarvoor wel het recht op kosteloze rechtsbijstand bestaat. Door verbalisanten is aan verdachte medegedeeld dat ze recht op een advocaat heeft en aan haar is een brochure verstrekt waar haar rechten als verdachte in staan. De raadsman stelt dat de verdachte ten aanzien van de vernieling en mishandeling apart ingelicht had moeten worden over de kosteloze rechtsbijstand waarop zij recht had. Verdachte heeft volgens de raadsman immers torenhoge schulden waardoor zij zelf nooit om een advocaat zou vragen indien zij die zelf zou moeten betalen. Op grond van deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat zij onvoorwaardelijk afstand heeft gedaan van haar recht op rechtsbijstand. Ten onrechte heeft zij daardoor geen rechtsbijstand genoten. De raadsman bepleit derhalve dat de inhoud van de verklaringen van verdachte afgelegd zonder aanwezigheid van een raadsman niet gebezigd mogen worden voor het bewijs vanwege strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
(…)
Oordeel van het hof
Het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de ten laste gelegde feiten wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Ten aanzien van het primair gevoerde verweer oordeelt het hof in het bijzonder als volgt.
Door de verbalisanten is met verdachte op niet mis te verstane en duidelijke wijze meerdere malen gesproken over de strafbare feiten waarvan zij (achtereenvolgens) werd verdacht en het in verband daarmee eventueel alsnog laten komen van een advocaat. Verdachte heeft echter telkens duidelijk aangegeven dat zij de verbalisanten begreep maar bij het verhoor geen advocaat wilde, dan wel zijn bijstand niet nodig vond. Het hof is van oordeel dat gelet op voornoemde verklaring van verdachte, die niet anders kan worden gezien dan een uitdrukkelijke en bewuste afstand van haar recht op bijstand van een advocaat, het recht op een eerlijk proces van verdachte niet is geschonden en dat daarom geen sprake is van een vormverzuim waarmee op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering rekening moet worden gehouden.
(…)”
3.7
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof bij de verwerping van het verweer niet heeft gereageerd op het bij pleidooi ingenomen standpunt dat de verdachte onjuist is voorgelicht, althans op meerdere vlakken een verkeerde voorstelling van zaken is gegeven. Volgens de steller van het middel is sprake van een vormverzuim en gaat de overweging van het hof dat er geen sprake is van een vormverzuim, omdat de verdachte uitdrukkelijk en bewust afstand heeft gedaan van het recht op een advocaat niet op. Het door het hof gebezigde afstandsargument zou evenmin opgaan indien het hof wel was uitgegaan van een vormverzuim, omdat er geen sprake kan zijn van bewust afstand doen van een recht als een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven. In een zodanig geval is de verdachte zich namelijk niet “bewust” geweest dat het recht waarvan zij afstand deed een recht betrof op kosteloze rechtsbijstand. Ook is tijdens het verhoor door de verdachte geen afstand gedaan van het recht op kosteloze consultatiebijstand. Aan de verdachte is tijdens het verhoor uitsluitend voorgehouden dat zij werd verdacht van openbaar dronkenschap en haar is verteld dat zij voor de consultatiebijstand zelf zou moeten betalen. Volgens de steller van het middel is de verdachte blijkens het proces-verbaal van verhoor - anders dan uit de overweging van het hof is op te maken - tijdens het verhoor niet opnieuw consultatiebijstand aangeboden voor de nieuwe feiten die haar toen pas kenbaar werden gemaakt. Er zou haar enkel nog een advocaat zijn aangeboden die de verdachte tijdens het verhoor zou kunnen bijstaan. Verdachte zou daarom geen bewuste en uitdrukkelijke afstand hebben gedaan van het recht op consultatiebijstand.
3.8
Het verhoor van de verdachte heeft plaatsgevonden op 25 december 2019. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- Artikel 27c Sv
“1. Aan de verdachte wordt bij zijn staandehouding of aanhouding medegedeeld ter zake van welk strafbaar feit hij als verdachte is aangemerkt. Buiten gevallen van staandehouding of aanhouding wordt de verdachte deze mededeling uiterlijk voorafgaand aan het eerste verhoor gedaan.
2. Aan de verdachte die niet is aangehouden, wordt voorafgaand aan zijn eerste verhoor, onverminderd artikel 29, tweede lid, mededeling gedaan van het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 28, eerste lid, en, indien van toepassing, het recht op vertolking en vertaling, bedoeld in artikel 27, vierde lid.
3. Aan de aangehouden verdachte wordt onverwijld na zijn aanhouding en in ieder geval voorafgaand aan zijn eerste verhoor schriftelijk mededeling gedaan van:
a. het recht om de in het eerste lid bedoelde informatie te ontvangen;
b. de in het tweede lid bedoelde rechten;(…)”
- Artikel 28a Sv
“1. De verdachte kan vrijwillig en ondubbelzinnig afstand doen van het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 28, eerste lid, tenzij in dit wetboek anders is bepaald.
2. Wanneer de rechter of opsporingsambtenaar blijkt dat de verdachte de in het eerste lid bedoelde afstand van recht wil doen, licht deze hem in over de gevolgen daarvan en deelt deze hem mee dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. Hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt.”
- Artikel 28b Sv
“1. Indien een kwetsbare verdachte of een verdachte van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld, is aangehouden, stelt de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand onverwijld van zijn aanhouding in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. Deze kennisgeving kan achterwege blijven indien de verdachte een raadsman heeft gekozen en deze of een vervangende raadsman tijdig beschikbaar zal zijn.
2. Indien een verdachte die is aangehouden voor een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, desgevraagd rechtsbijstand wenst, stelt de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand hiervan onverwijld in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de verdachte is aangehouden voor een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten, en hij desgevraagd rechtsbijstand wenst, wordt hij in de gelegenheid gesteld contact op te nemen met een door hem gekozen raadsman.
4. Indien de aangewezen raadsman niet binnen twee uur na de kennisgeving, bedoeld in het eerste en tweede lid, beschikbaar is, en indien de gekozen raadsman niet binnen twee uur na het contact, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, beschikbaar is, kan de hulpofficier van justitie, wanneer de verdachte alsnog afstand doet van zijn recht op rechtsbijstand in verband met het verhoor, beslissen dat met het verhoor van de verdachte wordt begonnen.
- Artikel 28c Sv
“1. De aangehouden verdachte voor wie ingevolge artikel 28b een raadsman beschikbaar is, wordt de gelegenheid verschaft om voorafgaand aan het eerste verhoor gedurende een termijn van ten hoogste een half uur met hem een onderhoud te hebben. De hulpofficier van justitie kan deze termijn, indien deze ontoereikend blijkt, op verzoek van de verdachte of zijn raadsman met ten hoogste een half uur verlengen, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet. Het onderhoud kan ook door middel van telecommunicatie plaatsvinden.
2. De verdachte, bedoeld in artikel 28b, eerste lid, kan slechts afstand doen van het in het eerste lid bedoelde onderhoud, nadat hij door een raadsman over de gevolgen daarvan is ingelicht.”
- Artikel 28d Sv
“1. Op verzoek van de aangehouden verdachte en de verdachte die is uitgenodigd om op een plaats van verhoor te verschijnen om te worden verhoord, kan de raadsman het verhoor bijwonen en daaraan deelnemen. Het verzoek wordt gericht aan de verhorende ambtenaar of de hulpofficier van justitie. De verhorende ambtenaar kan een verzoek van de verdachte of diens raadsman tot onderbreking van het verhoor voor onderling overleg afwijzen, indien door het voldoen aan herhaalde verzoeken de orde of de voortgang van het verhoor zou worden verstoord.
2. De verdachte kan tijdens het verhoor dat niet door een raadsman wordt bijgewoond, verzoeken dat het wordt onderbroken voor overleg met een raadsman. De verhorende ambtenaar stelt hem daartoe zo veel mogelijk in de gelegenheid, tenzij door het voldoen aan herhaalde verzoeken de orde of de voortgang van het verhoor zou worden verstoord.
3. De beslissing tot afwijzing van het in het eerste of tweede lid bedoelde verzoek geldt voor de duur van het desbetreffende verhoor en wordt onder opgave van de gronden waarop deze berust vermeld in het proces-verbaal van verhoor.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inrichting van en de orde tijdens het verhoor waaraan ook de raadsman deelneemt.”
- Artikel 28e Sv
“1. De hulpofficier van justitie kan beslissen dat:
a. de aangehouden verdachte, zonder dat deze in de gelegenheid wordt gesteld zijn in artikel 28, eerste lid, bedoelde recht uit te oefenen, terstond na zijn aanhouding ter plaatse wordt verhoord,
b. met het in artikel 28d, eerste lid, bedoelde verhoor wordt begonnen zonder dat een raadsman beschikbaar is,
c. met het in artikel 28d, eerste lid, bedoelde verhoor wordt begonnen of dit verhoor wordt voortgezet zonder dat de aangehouden verdachte gelegenheid wordt geboden voor het in artikel 28c, eerste lid, bedoelde onderhoud, of
d. de raadsman niet tot het in artikel 28d, eerste lid, bedoelde verhoor wordt toegelaten.
2. De in het eerste lid bedoelde beslissingen kunnen alleen worden genomen voor zover en voor zolang als deze worden gerechtvaardigd door de dringende noodzaak om:
a. ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen of
b. te voorkomen dat aanzienlijke schade aan het onderzoek wordt toegebracht.
3. De beslissing, bedoeld in het eerste lid, onder b, c of d, kan door de hulpofficier van justitie alleen met toestemming van de officier van justitie worden genomen.
4. De beslissing en de gronden waarop deze berust, worden in het proces-verbaal van het verhoor vermeld.”
3.9
Door de verdediging is onder verwijzing naar de dossierstukken aangevoerd dat de verdachte tot drie keer toe - bij de aanhouding (p. 29), de voorgeleiding (p. 32) en tijdens het verhoor (p. 35) - een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven, doordat haar is verteld dat zij weliswaar recht heeft op consultatie-en verhoorbijstand, maar dat zij deze zelf zou moeten betalen. Ter verduidelijking zal ik de relevante inhoud van genoemde stukken hieronder weergeven.
3.10
Het proces-verbaal van aanhouding (dossierpagina 29) houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Op woensdag 25 december 2019 omstreeks 04.30 uur, hielden wij op de locatie Louis Couperusstraat, Utrecht, als verdachte aan:
(…)
Grond aanhouding
Op heterdaad als verdachte van overtreding van artikel 453 Wetboek van Strafrecht.
Informeren verdachte
Ik, verbalisant [verbalisant 5], deelde aan de verdachte mee waarvan zij verdacht werd, dat zij niet tot antwoorden verplicht was en dat zij recht had op consultatie-en verhoorbijstand.
(…)”
3.11
Het proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding (dossierpagina 31-32) houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Op woensdag 25 december 2019 om 05:25 uur, werd voor mij, [verbalisant 6], inspecteur van politie Eenheid Midden-Nederland, hulpofficier van justitie, op de locatie Kroonstraat 25, 3511 RC Utrecht geleid de verdachte:
(…)
Zij werd verdacht van overtreding van artikel 453 Wetboek van Strafrecht (Zich in kennelijke staat van dronkenschap op de openbare weg bevinden), gepleegd te Utrecht op 25 december 2019.
Informeren verdachte
Ik verstrekte aan de verdachte de brochure ‘Mededeling van rechten verdachte voor volwassenen’.
Omdat de verdachte niet in staat was om zelf te lezen las ik de inhoud aan haar voor.
Ik stelde de verdachte in kennis van het feit waarvan zij werd verdacht en deelde haar mee dat zij niet tot antwoorden verplicht was.
Consultatie-en verhoorbijstand
Ik deelde de verdachte mee dat zij recht heeft op consultatie-en verhoorbijstand van een zelf te betalen advocaat.
Ik deelde de verdachte mee dat zij afstand kan doen van het recht op consultatiebijstand van een advocaat. Ik heb de verdachte daarbij geïnformeerd dat het doen van afstand nadelige gevolgen kan hebben en dat zij altijd terug kan komen op haar beslissing.
De verdachte verklaarde geen gebruik te willen maken van consultatie-en verhoorbijstand van een advocaat, omdat ze toch niets gedaan heeft.
(…)”
3.12
Verder houdt het proces-verbaal van verhoor van de verdachte (p. 35-41), voor zover van belang, het volgende in:
“Op woensdag 25 december 2019 om 10:30 uur verhoorden wij op de locatie Kroonstraat 25, 3511 RC Utrecht de verdachte:
(…)
Verhoorbijstand niet aangehouden verdachte
Ik, verbalisant [verbalisant 4], deelde de verdachte mee dat zij recht heeft op verhoorbijstand van een zelf te betalen advocaat tijdens het verhoor.
Ik, verbalisant [verbalisant 4], deelde de verdachte mee dat zij afstand kan doen van het recht op verhoorbijstand van een advocaat. Ik heb de verdachte daarbij geïnformeerd dat het doen van afstand nadelige gevolgen kan hebben en dat zij altijd terug kan komen op haar beslissing.
De verdachte verklaarde geen gebruik te willen maken van verhoorbijstand van een advocaat, omdat niet nodig.
Ik, verbalisant [verbalisant 4], deelde de verdachte mee dat zij altijd op haar beslissing kon terugkomen.
Informeren verdachte
De verdachte bleek kennis te hebben genomen van de brochure 'Mededeling van rechten verdachte voor volwassenen'.
Verhoor verdachte
Bij aanvang van het verhoor deelde [verbalisant 4] (UTR03993) aan de verdachte mee waarvan zij werd verdacht en dat zij niet tot antwoorden verplicht was.
De verdachte verklaarde:
"Dit verhoor is afgenomen in een vraag en antwoordvorm. De antwoorden van de verdachte zijn zoveel mogelijk in zijn eigen woorden weergegeven, maar het betreft geen letterlijke weergave.
V=vraag
A=antwoord
O=opmerking
O: Het eerste recht is dat je niet tot antwoorden verplicht bent op de vragen die ik je stel.
V: Begrijp je dat?
A: Ja.
O: Je hebt tevens het recht om voor aanvang van het verhoor een advocaat te raadplegen en om je tijdens dit verhoor te laten bijstaan door een advocaat.
V: Heb jij een advocaat gesproken?
A: Nee.
O: Verdachte huilt en zegt dat ze het zo erg vind dat ze hier zit. Ze zegt niet meer te weten wat ze heeft gedaan.
V: Wat is de reden dat je hier geen gebruik van hebt gemaakt?
A: Dat hoeft niet.
O: Mocht je tijdens het verhoor wel je advocaat erbij willen hebben, dan stoppen we het verhoor en gaan we op een later tijdstip verder.
V: Snap je wat ik hiermee bedoel?
A: Ja. Ik weet dat ik er recht op heb maar jullie mogen mij horen zonder een advocaat. Die wil ik er niet bij.
O: We willen je horen over 3 feiten. Een openbare dronkenschap, hier ben je voor aangehouden, een vernieling en nog een mishandelingszaak uit juni. Deze lag nog bij ons op de plank. Omdat er aangifte gedaan is moeten we je hier ook over horen.
A : Dat is duidelijk.
(…)
ZAKELIJKE VERKLARING:O: We gaan het nu over de zaken hebben. Eerst maar even het begin van de reden waarom je hier zit met kerst. De aanhouding van je openbare dronkenschap.
(…)
O : Dan gaan we nu door naar een vernieling van een auto.
(…)
O: Dan gaan we nu de derde zaak behandelen. Zoals gezegd wordt je ook verdacht van mishandeling. (…)”
3.13
Uit voornoemde stukken blijkt dat het in het onderhavige geval, anders dan in het hierboven onder 3.12 opgenomen proces-verbaal van verhoor onder het hoofdje verhoorbijstand is vermeld - daar staat: “Verhoorbijstand niet aangehouden verdachte” - gaat om een aangehouden verdachte.1.Het namens de verdachte gevoerde verweer houdt in dat de verdachte, indien zij op juiste wijze omtrent de kosten van het raadplegen van een raadsman was voorgelicht, geen afstand van dit recht zou hebben gedaan. Volgens de raadsman is sprake van een vormverzuim. Ook is aangegeven waaruit het veroorzaakte nadeel bestaat.
3.14
Indien zich een geval voordoet waarin de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht op het raadplegen van een raadsman nadat hij op het bestaan van dit recht is gewezen, maar waarbij tevens is vastgesteld dat sprake is van een vormverzuim in die zin dat niet alle in verband met de aanhouding en het verhoor van de verdachte voorgeschreven mededelingen volledig en in alle opzichten juist zijn gedaan, moet de rechter, indien ter zake verweer wordt gevoerd, beoordelen of aan dat verzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren en hetgeen daaromtrent is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013, ECLI:NL: HR:2013:BY5321, NJ 2013/308. Het rechtsgevolg zal in zo een geval immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. Tot die factoren behoort ook het nadeel dat door het verzuim is veroorzaakt.2.
3.15
Het feit waarvoor de verdachte is aangehouden (art. 453 Sr) betreft een feit als bedoeld in 28b, derde lid, Sv. Voor een zodanig feit geldt dat de verdachte mag kiezen of hij zich wil laten bijstaan door een advocaat van eigen keuze, welke kosten dan voor zijn rekening komen. De andere feiten die in het verhoor aan de orde zijn gekomen - een vernieling en een mishandeling - zijn feiten als bedoeld in art. 28b, tweede lid, Sv. Voor dergelijke feiten geldt eveneens het recht op rechtsbijstand, maar dan van een toegewezen advocaat. De kosten komen dan niet voor rekening van de verdachte. In artikel 28c Sv is het recht op consultatiebijstand neergelegd en in art. 28d Sv de verhoorbijstand.
3.16
Uit het proces-verbaal van aanhouding, zoals weergegeven onder 3.10, blijkt dat de verdachte in algemene zin is gewezen op haar recht op consultatie-en verhoorbijstand. Uit het proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding, zoals weergegeven onder 3.11, blijkt dat de hulpofficier van justitie de verdachte heeft gewezen op haar recht op consultatie-en verhoorbijstand van een zelf te betalen advocaat en ook dat zij afstand kan doen van dit consultatierecht. Die verstrekte informatie is, gelet op het aanhoudingsfeit van art. 453 Sr waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten, juist. De door de verdachte bij de voorgeleiding afgelegde verklaring dat zij geen gebruik wil maken van de consultatie-en verhoorbijstand van een advocaat zag derhalve op het geen gebruik willen maken van de consultatie-en verhoorbijstand van een zelf te betalen advocaat.
3.17
Het hof heeft geoordeeld dat de door de verdachte in haar verhoor door de politie afgelegde verklaring, zoals weergegeven onder 3.12, inhoudende dat zij de verbalisanten heeft begrepen maar bij het verhoor geen advocaat wilde dan wel zijn bijstand niet nodig vond, niet anders kan worden gezien dan een uitdrukkelijke en bewuste afstand van haar recht op bijstand van een advocaat. Volgens het hof is geen sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM en daarom is er geen sprake van een vormverzuim waarmee op grond van art. 359a Sv rekening moet worden gehouden.
3.18
Uit de geciteerde processen-verbaal blijkt dat de verdachte op het politiebureau in eerste instantie is medegedeeld dat zij recht heeft op verhoorbijstand van een zelf te betalen advocaat tijdens het verhoor en dat zij daarna - zonder de toevoeging dat zij dit zelf zou moeten betalen - is gewezen op haar recht op consultatiebijstand en op haar recht op verhoorbijstand. De verdachte heeft ook verklaard dat zij weet dat zij daar recht op heeft. Desondanks geeft de verdachte aan dat verhoorbijstand niet nodig is, dat consultatie- en verhoorbijstand niet hoeft en dat zij geen advocaat bij het verhoor wil hebben. Het hof heeft uit deze verklaringen afgeleid dat de verdachte daarmee uitdrukkelijk en bewust afstand heeft gedaan van haar recht op bijstand van een advocaat. Dat oordeel, dat kennelijk ziet op zowel het recht op consultatiebijstand als het recht op verhoorbijstand, behoeft - mede in het licht van de onder 3.10-3.12 weergegeven stukken en hetgeen door de verdediging is aangevoerd - nadere motivering. Uit de inhoud van genoemde stukken, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt immers dat de verdachte werd verdacht van een feit als bedoeld in art. 28b, derde lid, Sv voor welk feit het raadplegen van een raadsman niet kosteloos is, waarvan de verdachte bij haar aanhouding, voorgeleiding en voorafgaand aan het politieverhoor mededeling is gedaan, terwijl de verdachte nadien maar nog tijdens haar ophouding voor verhoor door de politie ook is verhoord over twee andere feiten, ter zake waarvan ingevolge art. 28b, tweede lid, Sv wel het recht op kosteloze bijstand bestaat. Niet blijkt dat de verdachte daaraan voorafgaand bekend is geraakt met de verdenking voor die andere twee feiten en er toen ondubbelzinnig op is gewezen dat de consultatie- en verhoorbijstand kosteloos is.3.Het kennelijke oordeel van het hof dat de in verband met het verhoor van de verdachte voorgeschreven mededelingen volledig en juist zijn gedaan en dat sprake is van een rechtsgeldige afstand4.van het recht op kosteloze consultatie-en verhoorbijstand is daarom niet begrijpelijk.
3.19
Ten overvloede merk ik nog op dat het daderschap van de verdachte wat betreft de onder 2 bewezenverklaarde vernieling in beslissende mate steunt op de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring, welke verklaring als bewijsmiddel 3 voor het bewijs is gebezigd.
3.20
Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 30‑01‑2024
Zie HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:968, NJ 2021/38, waarbij in het middel terecht tot uitgangspunt was genomen dat sprake was van een vormverzuim, nu de aangehouden verdachte ten onrechte en in strijd met art. 3, eerste lid aanhef en onder b, van de Richtlijn 2021/13/EU was medegedeeld dat het raadplegen van een raadsman voor hem niet kosteloos zou zijn. In die zaak was de verdachte aangehouden op grond van art. 8 WVW, maar bestond er ten tijde van de aanhouding ook een verdenking van art. 2 Opiumwet.
Vgl. HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:968, NJ 2021/38.
Van rechtsgeldige afstand van rechtsbijstand is sprake indien die afstand vrijwillig en ondubbelzinnig wordt gedaan (zie bijv. HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:288, NJ 2020/94).
Beroepschrift 10‑03‑2023
Hoge Raad der Nederlanden
Postbus 20303
Datum | 9 maart 2023 |
Onze referentie | D100515 |
Uw referentie | 22/000560 |
Inzake | [verdachte] / OM-2 Cassatie |
Betreft | Cassatieschriftuur |
SCHRIFTUUR EX. ART. 433 SV
Parketnummer eerste aanleg: 16-305690-19
Rolnummer hoger beroep: 21-001440-21
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Mevrouw [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1991, wonende en verblijvende aan de [adres] ([postcode]) te [woonplaats], hierna te noemen: ‘verdachte’.
Verdachte kiest woonplaats bij Noorlander Advocatuur aan de IJsselkade 8 (7201 HB) te Zutphen, waarvan mr. R.M. Noorlander als haar advocaat optreedt. Het postadres van Noorlander Advocatuur is: Postbus 207 (7200 AE) te Zutphen. Mr. R.M. Noorlander verklaart hierbij door verdachte bijzonder gevolmachtigd te zijn dit cassatieschriftuur met toelichting op te stellen, te ondertekenen en in te dienen.
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: Hof), uitgesproken op 9 februari 2022 met rolnummer 21-001440-21.
Het Hof heeft in het genoemde arrest bewezen verklaard, dat verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan:
‘Feit 1.
zij op of omstreeks 1 juni 2019 te Utrecht, [betrokkene 2] heeft mishandeld door die [betrokkene 2] in/op/tegen het gezicht, altham op/tegen het hoofd, te stompen/ slaan.
Feit 2.
zij op of omstreeks 25 december 2019 te Utrecht, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [betrokkene 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt’
Het Hof heeft het onder 1 bewezen verklaarde gekwalificeerd als mishandeling en het onder 2 bewezenverklaarde gekwalificeerd als het opzettelijk en wederrechtelijk beschadigen van enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort
Het Hof heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 weken waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Tevens is verdachte veroordeeld tot het betalen van het bedrag van € 4.760,09 aan de benadeelde partij [betrokkene 1] en is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie heeft ondergetekende de eer voor te dragen:
Middel I
Er is sprake van schending van het recht en/ of van verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 6 EVRM, 359a Sv, 28 Sv, 27c Sv en artikel 3 van de Richtlijn 2012/13 EU en wel om het navolgende.
Zowel in eerste aanleg, als in het appelschriftuur, als ter zitting in hoger beroep is door de verdediging bepleit dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, waardoor verdachte nadeel heeft geleden en het recht op een eerlijk proces is geschaad. Verdachte heeft afstand gedaan van haar recht op consultatiebijstand en verhoorbijstand door herhaaldelijke onjuiste voorlichting van de opsporing… Als verdachte geweten had, dat zij recht had op kosteloze rechtsbijstand en/of dat zij over meer zaken zou worden gehoord dan alleen het lichte (C-) feit waarvoor zij was aangehouden, dan zou zij een advocaat hebben ingeschakeld. Zij zou dan vooraf de processtrategie hebben doorgesproken en een beroep hebben gedaan op het zwijgrecht. Door vormverzuim heeft verdachte echter een verklaring afgelegd, die als bewijsmiddel ertoe heeft geleid dat zij door het Hof veroordeeld is. 1
Bij het Hof is ook bepleit dat er sprake is van onherstelbaar vormverzuim, waardoor verdachte nadeel heeft geleden en dat het verzuim ernstig is1.. Het Hof is verzocht (met een beroep op artikel 359a Sv) de verklaring uit te sluiten van het bewijs.
Het Hof heeft dit verweer ten onrechte gepasseerd met de overweging ‘Het hof is van oordeel dat gelet op voornoemde verklaring van verdachte, die niet anders kan worden gezien als een uitdrukkelijke en bewuste afstand van haar recht op bijstand van een advocaat, het recht op een eerlijk proces van verdachte niet is geschonden en dat daarom geen sprake is van een vormverzuim waarmee op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering rekening moet worden gehouden.’2.
Deze motivatie is gelet op het pleidooi van de verdediging onjuist, onvolledig en onbegrijpelijk.
Belang
Blijkens de toelichting op het arrest is de verklaring die verdachte in het verhoor aflegt gebruikt als bewijsmiddel bij de bewezenverklaring van feit 2.3. Als het Hof het pleidooi van de verdediging had gevolgd, had het in de rede gelegen om (zoals bepleit) de verklaring uit te sluiten van bewijs. Er zijn dan onvoldoende bewijsmiddelen in het dossier om verdachte te veroordelen. Reeds hierom heeft verdachte een groot belang bij de uitkomst van dit cassatieberoep
Toelichting middel I
1.
Uit artikel 359a Sv volgt dat als er sprake is onherstelbaar vormverzuim in een voorbereidend onderzoek bewijsuitsluiting kan volgen, waarbij rekening gehouden wordt met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.4.
2.
Uit uw rechtspraak5. volgt dat het handelen in strijd met artikel 3 eerste lid aanhef en onder b van de Richtlijn 2012/13/EU kan worden aangemerkt als vormverzuim.
3.
Voorts schrijft artikel 27 c lid 1 Sv voor dat uiterlijk voorafgaand aan het eerste verhoor, mede wordt gedeeld ter zake van welk strafbaar feit hij als verdachte is aangemerkt.
4.
In casu is verdachte aangehouden voor openbaar dronkenschap.6. Zij is vervolgens voorgeleid bij de hulpofficier van justitie. De hulpofficier van justitie heeft verdachte eveneens verteld dat zij verdacht werd overtreding van artikel 453 Sr. Deze relateert:
‘Ik deelde de verdachte mee dat zij recht heeft op consultatie- en verhoorbijstand van een zelf te betalen advocaat.’7.
Verdachte zou vervolgens afstand hebben gedaan van het recht op consultatie- en verhoorbijstand.8.
5.
Enkele uren later is verdachte gehoord. Direct voorafgaand het verhoor is verdachte medegedeeld: ‘dat zij recht heeft op verhoorbijstand van een zelf te betalen advocaat tijdens het verhoor.’9. Ook wordt gerelateerd: ‘Bij aanvang van het verhoor deelde [verbalisant 4] aan de verdachte mee waarvan zij werd verdacht en dat zij niet tot antwoorden verplicht was.’10. Er wordt vervolgens nog kort gesproken over het recht op een advocaat en pas daarna spreekt de verhorend verbalisant pas voor het eerst over de verdenking van twee andere feiten. Uit het proces-verbaal blijkt dat in dat kader het volgende is gezegd: ‘We willen je horen over 3 feiten. Een openbaar dronkenschap. Hier ben je voor aangehouden, een vernieling en nog een mishandelingszaak uit juni. Deze lag nog bij ons op de plank Omdat er aangifte gedaan is moeten we je hier ook over horen’11.
Eerste aanleg
6.
Bij de Politierechter is bepleit dat er sprake was van een vormverzuim door het verstrekken van onjuiste informatie over kosteloze rechtsbijstand en onjuiste informatie over de verdenkingen waar zij over werd gehoord. Niettemin heeft de Politierechter geen vormverzuim aangenomen en verdachte mede op grond van de door haar afgelegde verklaring veroordeeld. Tegen het vonnis van de Politierechter is hoger beroep ingesteld. In de appelmemorie12. is onder meer opgenomen:
‘Toelichting op de grieven:
Appellante is van mening dat de door haar afgelegde verklaring bij de politie uitgesloten had moeten worden van het bewijs (op voet van artikel 359a Sv). Door onjuiste voorlichting heeft appellante afstand gedaan van het recht op consultatiebijstand en van het recht op verhoorbijstand. Blijkens het strafdossier hebben zowel de hulpofficier als de verbalisanten voorafgaand aan het verhoor appellante geïnformeerd dat zij verdacht werd van openbaar dronkenschap en dat zij hierover zou worden verhoord. In dat kader is haar verteld dat zij weliswaar recht had op een advocaat, maar dat zij die zelf zou moeten betalen. Appellante had indertijd enkel schulden en was niet in staat om een advocaat te betalen. Het was ook een C-feit waarvan zij werd verdacht. Appellante heeft daarom afstand gedaan van het recht op consultatiebijstand en het recht op bijstand tijdens het verhoor.
Tijdens het verhoor is appellante vervolgens ook verteld dat zij ook verdacht werd en verhoord zou worden over mishandeling en vernieling. Appellante is niet ingelicht dat zij hiervoor ook consultatiebijstand en verhoorbijstand zou kunnen krijgen, zonder dat zij hiervoor zou hoeven te betalen. Dit zijn drie vormverzuimen in het voorbereidende onderzoek (onjuiste voorlichting over de verdenking, onjuiste voorlichting over de kosten
van consultatie- en verhoorbijstand), die gedurende het verhoor niet zijn hersteld en die thans ook niet meer kunnen worden hersteld. Appellante heeft hierdoor nadeel geleden. Zij is niet meer teruggekomen op haar eerdere afstandsverklaringen, omdat zij dacht dat zij voor de kosten van een advocaat zou moeten betalen. Appellante was daar niet toe in staat. Zij heeft daardoor geen advies kunnen krijgen over strategie en proceshouding. Er is daarom geen sprake geweest van een evenwicht bij aanvang van de procedure.
Het vormverzuim heeft geleid tot een inbreuk op het recht op een eerlijk proces. Hierbij past slechts één sanctie, te weten uitsluiting van het bewijs (ex.artikel 359a lid 2 Sv). Dit is ter zitting ook bepleit, maar de Politierechter vond dat er geen vormverzuim had plaatsgevonden en als dat wel zo was geweest het nadeel niet groot genoeg was om het verhoor uit te sluiten van het bewijs. Schending van het recht op consultatiebijstand en verhoorbijstand zijn in de regel vormverzuimen en hebben in casu wel tot een voldoende nadeel geleid om tot bewijsuitsluiting over te gaan. Appellante is het daarom niet eens met dit onderdeel van het vonnis.’
7.
Bij het Hof is ter zitting aangevoerd:13.
Vormverzuimen
Dit zijn vormverzuimen. De opsporing heeft hiermee gehandeld in strijd met artikel 6 lid1 EVRM (fair trial), en de artikelen 27c lid 1 Sv (niet mededelen welke feiten zij wordt verdacht, artikel 27c lid 3 jo artikel 28 lid 1 Sv gelezen in samenhang met artikel 3 lid 1 onder c van de Richtlijn 2012/13/EU (onvoldoende informatie over het recht op kosteloze rechtsbijstand).
Ernst van het verzuim/ nadeel
Cliënte heeft hierdoor geen effectieve rechtsbescherming gehad. Cliënte staat op het moment van aanhouden gesignaleerd. Zij had namelijk haar schorsingsvoorwaarden overtreden. Zij heeft geen inkomen op dat moment en zij heeft torenhoge schulden. Zij kan een advocaat niet zelf betalen. Dus op het moment dat zij vast zit voor een licht feit, zal zij nooit om een advocaat vragen als zij deze zelf zou moeten betalen.
Zij is dus verkeerd geïnformeerd en zij heeft daardoor geen rechtsgeldige afstand gedaan van het recht op een advocaat. Dit volgt uit artikel 28a wetboek van Strafvordering jo artikelen 3 lid 1 en 9 lid 1 gelezen in samenhang met punt 39 en 50 van de considerans van de Richtlijn 2013/48/EU (zie ook T&C toelichting op artikel 28a Sv). Het horen van een verdachte zonder dat deze rechtsgeldig afstand heeft gedaan van consultatie- en verhoorbijstand is een ernstig verzuim.
Door deze handelswijze is cliënte ernstig benadeeld. Als zij juist was voorgelicht had zij de mogelijkheid gehad zich op een juiste wijze op het verhoor voor te bereiden. Zij had in samenspraak met een advocaat een proceshouding kunnen bepalen voor elk van de zaken waarover zij gehoord zou worden. Zij staat door de misinformatie al 3-0 achter. Bij aanvang van de vervolging was er al geen sprake meer van een eerlijk proces.
Onherstelbaar
Dit verzuim in het vooronderzoek kan niet meer hersteld worden.
Uitsluiten van het verhoor ex. artikel 359a Sv
Wat de verdediging betreft past er slechts een maatregel om het proces weer in een goede balans te krijgen en dat is de uitsluiting van het verhoor als bewijs in deze zaken. Ik verzoek u daarom het pv van verhoor als bewijsmiddel uit te sluiten.
Uitdrukkelijk onderbouwde standpunten
8.
Uit het voorgaande blijkt dat de verdediging herhaaldelijk bewijsuitsluiting heeft bepleit, omdat verdachte onjuist werd voorgelicht over haar recht op kosteloze rechtsbijstand en omdat verdachte pas tijdens het verhoor vernam dat zij ook gehoord zou worden over een vernieling en een mishandeling.
Oordeel hof
9.
Het Hof oordeelt op grond van het dossier dat er geen schending zou zijn geweest van artikel 6 EVRM lid 1. Het Hof overweegt:
‘Door de verbalisanten is met verdachte op niet mis te verstane en duidelijke wijze meerdere malen gesproken over de strafbare feiten waarvan zij (achtereenvolgens) werd verdacht en het in verband daarmee eventueel alsnog laten komen van een advocaat. Verdachte heeft echter telkens duidelijk aangegeven dat zij de verbalisanten begreep maar bij het verhoor geen advocaat wilde, dan wel zijn bijstand niet nodig vond. Het hof is van oordeel dat gelet op voornoemde verklaring van verdachte, die niet anders kan worden gezien als een uitdrukkelijke en bewuste afstand van haar recht op bijstand van een advocaat, het recht op een eerlijk proces van verdachte niet is geschonden en dat daarom geen sprake is van een vormverzuim waarmee op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering rekening moet worden gehouden’14.
Kosteloze rechtsbijstand
10.
Het Hof reageert met deze motivering niet op hetgeen in pleidooi is aangevoerd, namelijk dat verdachte onjuist is voorgelicht, althans op meerdere vlakken een verkeerde voorstelling van zaken is gegeven. Bij een juiste voorstelling van zaken zou zij geen afstand hebben gedaan van het recht op consultatie- en verhoorbijstand. De informatie die voorafgaand aan het verhoor gegeven moet worden is vastgelegd in de artikelen 27c en 28 Sv alsmede in artikel 3 van de Richtlijn 2012/13 EU weergegeven. De correcte informatieverstrekking is noodzakelijk, omdat enkel op basis van juiste informatie een verdachte weloverwogen kan beslissen of het inschakelen van een advocaat (financieel) mogelijk en geboden is. Overtreding van deze artikelen moet dan worden aangemerkt als vormverzuim. Dat geldt zeker in onderhavige zaak.
11.
De overweging van het Hof dat dit vormverzuim niet is ontstaan omdat verdachte uitdrukkelijk en bewust afstand heeft gedaan van het recht op een advocaat gaat daarom al niet op. Het doen van afstand van een recht, heft het eerdere vormverzuim an sich niet op. Het Hof had dus moeten constateren dat er sprake was van een vormverzuim. Pas bij de tweede vraag (is verdachte door dit vormverzuim benadeeld) had het Hof kunnen overwegen dat dit niet het geval zou zijn geweest, omdat zij in verhoor alsnog uitdrukkelijk en bewust afstand heeft gedaan van het recht op een advocaat. Deze overweging zou in deze zaak echter niet op gaan.
12.
Ten eerste omdat geen sprake kan zijn van het bewust afstand doen van een recht, als een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven. Verdachte is zich in die omstandigheid namelijk niet ‘bewust’ geweest dat het recht waar zij afstand van deed, een recht betrof op kosteloze rechtsbijstand.
13.
Ten tweede, omdat in het verhoor geen afstand is gedaan van kosteloze consultatiebijstand. Bij de voorgeleiding is verdachte namelijk uitsluitend voorgehouden dat zij verdacht werd van openbaar dronkenschap. Ook is haar verteld dat zij voor de consultatiebijstand zelf zou moeten betalen. Zij heeft onder die voorstelling van zaken afgezien van het recht op consultatiebijstand. Dit vormverzuim is niet hersteld met de door haar tijdens het verhoor afgelegde verklaring.
14.
Anders dan het uit de overweging van het Hof is op te maken, is verdachte namelijk tijdens het verhoor niet opnieuw consultatiebijstand aangeboden voor de nieuwe feiten die haar toen pas kenbaar werden gemaakt.
15.
Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt namelijk het volgende verloop van het verhoor:
Verhoorbijstand niet aangehouden verdachte
Ik, verbalisant [verbalisant 4], deelde de verdachte mee dat zij recht heeft op verhoorbijstand van een zelf te betalen advocaat tijdens het verhoor.
Ik, verbalisant [verbalisant 4], deelde de verdachte mee dat zij afstand kan doen van het recht op verhoorbijstand van een advocaat. Ik heb de verdachte daarbij geïnformeerd dat het doen van afstand nadelige gevolgen kan hebben en dat zij altijd terug kan komen op haar beslissing.
De verdachte verklaarde geen gebruik te willen maken van verhoorbijstand van een advocaat, omdat niet nodig. Ik, verbalisant [verbalisant 4], deelde de verdachte mee dat zij altijd op haar beslissing kon terugkomen.15.
<….>
0: Je hebt tevens het recht om voor aanvang van het verhoor een advocaat te raadplegen en om je tijdens dit verhoor te laten bijstaan door een advocaat.
V: Heb jij een advocaat gesproken?
A: Nee. O: Verdachte huilt en zegt dat ze het zo erg vind dat ze hier zit. Ze zegt niet meer te weten wat ze heeft gedaan.
V: Wat is de reden dat je hier geen gebruik van hebt gemaakt?
A: Dat hoeft niet.
0: Mocht je tijdens het verhoor wel je advocaat erbij willen hebben, dan stoppen we het verhoor en gaan we op een later tijdstip verder.
V: Snap je wat ik hiermee bedoel?
A:Ja. Ik weet dat ik er recht op heb maar jullie mogen mij horen zonder een advocaat.
Die wil ik er niet bij.
0 : We willen je horen over 3 feiten. Een openbare dronkenschap, hier ben je voor aangehouden, een vernieling en nog een mishandelingszaak uit juni. Deze lag nog bij ons op de plank. Omdat er aangifte gedaan is moeten we je hier ook over horen.
A: Dat is duidelijk.16.
16.
Uit het verhoor blijkt dat de verbalisant verdachte enkel nog een advocaat heeft aangeboden die verdachte tijdens het verhoor zou kunnen bijstaan. Zodoende kan de motivering van het Hof ook geen stand houden, omdat de consultatiebijstand ziet op de situatie voorafgaand aan het verhoor. Verdachte heeft daarom geen bewust en uitdrukkelijk afstand gedaan van het recht op consultatiebijstand.
17.
Kortom, er zijn diverse vormen verzuimd en zoals herhaaldelijk beschreven heeft de verdachte daar ernstig nadeel door geleden. De overtreding van meerdere wettelijke bepalingen, maken het vormverzuim ernstig genoeg om de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen uit te sluiten van bewijs.
18.
Het Hof heeft in het arrest echter anders geoordeeld. Gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van het Hof een onjuiste rechtsopvatting, althans is de verwerping van het verweer onvoldoende met redenen omkleed.
Concluderende dat
Op voorgaande gronden het u Edelhoogachtbaar college moge behagen, het genoemde arrest te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar college noodzakelijk voorkomt.
Zutphen, 10 maart 2023
Mr. R.M.Noorlander
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 10‑03‑2023
Pleitnota d.d. 26 januari 2022
Arrest d.d. 9 februari 2022, p. 3
Aanvulling arrest d.d. 13 december 2022, p.4 para 3.
ECLI:NL:HR:2017:968 para 2.7.1
Strafdossier 16/305690-19 p.29; proces-verbaal van aanhouding
Strafdossier 16/305690-19 p.31; proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding
Strafdossier 16/305690-19 p.31; proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding
Strafdossier 16/305690-19 p.35; proces-verbaal van verhoor verdachte
Strafdossier 16/305690-19 p.35; proces-verbaal van verhoor verdachte
Strafdossier 16/305690-19 p.36; proces-verbaal van verhoor verdachte
Appelmemorie hoger beroep d.d. 2 april 2021, p. 2-3
Pleitnota d.d. 26 januari 2022
Arrest d.d. 09-02-2022 p. 3
Strafdossier 16/305690-19 p.35; proces-verbaal van verhoor verdachte
Strafdossier 16/305690-19 p.36; proces-verbaal van verhoor verdachte