Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/9:9 De ratio van het voorschrift dat in het geding is
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/9
9 De ratio van het voorschrift dat in het geding is
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS455778:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Belangrijk is voorts de ratio van het voorschrift waarop het vertrouwen betrekking heeft. Het gaat dan om het rechtsgoed of rechtsbelang dat het voorschrift dat in het geding is, beoogt te beschermen, heeft betekenis voor de ruimte die bestaat voor het vertrouwensbeginsel. Een sterk werkend normatief-beperkend vertrouwen, dat tot een terughoudende toetsing leidt, op de naleving van een bepaald voorschrift is zeker vanuit het perspectief van de betrokken justitiabele veel minder problematisch wanneer dat voorschrift niet beoogt het belang van de justitiabele te beschermen. De risico’s voor de justitiabele zijn dan veel minder groot of in elk geval juridisch niet relevant. In zekere zin is dit een uitwerking van de welbekende Schutznorm. Zeker wanneer het vertrouwensbeginsel wordt toegepast in een concrete procedure zal de vraag al snel zijn of in die concrete procedure dient te worden getoetst of een bepaald voorschrift is nageleefd en welke de eventuele aan niet-naleving te verbinden consequenties moeten zijn. Denk bijvoorbeeld aan een reguliere strafzaak waarin uit het buitenland afkomstig bewijsmateriaal een rol speelt, aan de behandeling van een uitleveringsverzoek, aan een concrete exequaturprocedure of aan het verlenen van verlof tot afgifte van op buitenlands verzoek in beslag genomen voorwerpen. Beoogt het betreffende voorschrift niet het belang van de betrokken burger te beschermen, maar bijvoorbeeld het staatsbelang, dan zal – geredeneerd vanuit rechtsbeschermend perspectief – eerder sprake kunnen zijn van terughoudendheid in de toetsing ervan en, in het verlengde daarvan, bij het verbinden van consequenties aan eventuele gebreken. Omgekeerd zijn de risico’s voor de justitiabele groter en in de concrete procedure relevanter als het voorschrift (mede) zijn belang beoogt te beschermen. Al naar gelang het voorschrift fundamenteler van aard is, worden die risico’s problematischer. De werking van het vertrouwensbeginsel is daarom niet zonder reden het meest problematisch waar het om mensenrechtelijke voorschriften gaat. Die mensenrechtelijke dimensie van het vertrouwensbeginsel zal in hoofdstuk 11 zelfstandig nog aan bod komen. Bij een benadering als hiervoor geschetst, waarbij eerder terughoudendheid in de toetsing wordt betracht wanneer het gaat om voorschriften die andere belangen beschermen dan die van de betrokken burger, stelt de staat zichzelf mogelijk wel bloot aan risico’s, bijvoorbeeld voor zijn soevereiniteit of de integriteit van het strafrechtelijk systeem. Deze problematiek is echter principieel niet anders dan de dilemma’s die spelen bij de toepassing van bijvoorbeeld artikel 359a Sv in een louter nationale setting.1
9.1 Het karakter van de interstatelijke rechtshulprelatie9.2 Voorschriften waarbij het belang van de justitiabele niet in het geding is9.3 Voorschriften waarbij het belang van de justitiabele wel in het geding is9.4 Conclusie