Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/9.4:9.4 Conclusie
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/9.4
9.4 Conclusie
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS455779:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook deze dimensie kan weer in verband worden gebracht met het eerder geformuleerde doel van interstatelijke samenwerking in strafzaken. Het onderscheid tussen de meer instrumentele zijde daarvan – het vergemakkelijken, vervolledigen, eerlijker maken dan wel mogelijk maken van een afgeronde strafrechtelijke procedure in de ene staat door het verlenen van bijstand door de andere staat op een of meer van de hoofdonderdelen van de strafprocedure – en de meer principiële voorwaarde dat het belang van de betrokken burger wordt gerespecteerd, komt in deze dimensie duidelijk naar voren. Voorschriften die sterker zijn gericht op dat instrumentele aspect leiden tot een sterker werkend normatief-beperkend vertrouwen. De soepele samenwerking is daarmee gediend en vanuit het perspectief van de betrokken burger bestaan daar weinig bezwaren tegen. Is het belang van de betrokken burger wel aan de orde, dan zal er terughoudender moeten worden omgegaan met het aannemen van vertrouwen en, vooral, het daaraan verbinden van terughoudendheid in de toetsing van de desbetreffende aspecten. Dit betekent niet dat van enig vertrouwen dan geen sprake is, ook dan blijft een zekere soepelheid in de samenwerking noodzakelijk, maar wel dat deze eerder zal wijken om plaats te maken voor een nadrukkelijkere vorm van toetsing.
Het voorgaande is op verschillende wijzen van belang voor de bij rechtshulp betrokken instanties en functionarissen. Bij het opstellen van de voorschriften waar het in dit hoofdstuk om draait, veelal van verdragsrechtelijke aard, is het nuttig duidelijk te maken welk belang het voorschrift dient. Waar dit niet zonder meer uit de bepaling zelf volgt, kan worden gedacht aan de considerans van het verdrag of de travaux préparatoires. Wanneer het verdrag ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het parlement kan in de toelichting eveneens aandacht worden besteed aan de strekking van de verschillende bepalingen in het verdrag.
Op een later moment, bij de praktische toepassing van het verdrag, kan op deze achtergrond worden teruggegrepen. De opsteller van het verzoek zal de bepalingen van het verdrag dienen na te leven en bijvoorbeeld de voorgeschreven gegevens en stukken dienen te verstrekken, ongeacht de strekking van het voorschrift. Wel is hij beter in staat op toereikende wijze tegemoet te komen aan de verdragsbepalingen indien hij op de hoogte is van de strekking van het voorschrift. De functionaris die vervolgens het verzoek beoordeelt zal met zijn wetenschap omtrent de strekking van de voorschriften waaraan het verzoek dient te worden getoetst beter in staat zijn te bepalen hoe grondig zijn toets behoort te zijn. In het bijzonder is hij dan in staat te bepalen of de procespartij, met name de verdachte of de veroordeelde, die zich bij wijze van verweer op een bepaling beroept in juridische zin ook werkelijk belang heeft bij de verzochte toetsing. Met name wanneer de betrokken burger geen rechtens te respecteren belang heeft bij de beoordeling van een bepaald aspect van de rechtshulpverlening, is vanuit het perspectief dat in dit boek wordt gekozen – te weten dat van het belang van de betrokken burger – geen bezwaar tegen het aannemen van wederzijds vertrouwen. Uiteraard kan dit anders zijn wanneer men daar vanuit bijvoorbeeld staatsbelangen naar kijkt. Dat perspectief valt echter buiten het perspectief van dit boek. Hier draait het om het vertrouwensbeginsel vanuit rechtsbeschermend perspectief: wanneer is terughoudendheid bij toetsing van een bepaalde vorm van rechtshulp wel of niet problematisch met het oog op het belang van de justitiabele. Dat is klassiek de kern van het strafvorderlijk stelsel: bescherming van de burger tegen (strafvorderlijke) inmenging van de overheid.