Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.8.1
10.8.1 Algemeen
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS591883:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. voor het begrip nevenverbintenis, Asser/Van Schaick 5-IV 2004, nr. 187, 196.
De verplichting om betalingen in on tv angst te nemen (art. 6:58 e.v. BW), de verplichting om mede te delen welke rechtsmiddelen de schuldeiser wenst uit te oefenen (art. 6:88 BW) en de verplichting om binnen een redelijke termijn kennis te geven van gebreken (art. 7:23 lid 1 BW en art. 6:89 BW) zijn geen verplichtingen in eigenlijke zin, maar zogenaamde Obliegenkeiten.
Zie hiervoor nr. 366-367.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 148. Is de schuldenaar keuzebevoegd, dan dient te worden aangenomen dat hij met het verrichten van de prestatie zijn keuze heeft uitgebracht en is de betaling niet onverschuldigd. Zie Losbladige Verbintenissenrecht 2010 G.W.A. Biemans), art. 6:18, aant. 8
Bij gebreke daarvan is de uitsluiting niet echt gemeend, aldus de parlementaire geschiedenis. De schuldenaar kan verrekenen als hij opnieuw moet betalen. Zie M.v.A. II, Pari. Gesch. Boek 6, p. 460-461.
640. De schuldenaar kan een of meer tegenvorderingen jegens zijn schuldeiser hebben. De tegenvorderingen kunnen worden onderscheiden in drie categorieën.
De eerste categorie tegenvorderingen zijn tegenprestaties en schadevergoedingsvorderingen uit dezelfde overeenkomst.
De tweede categorie tegenvorderingen van de schuldenaar zijn de (veelal wettelijke) nevenverplichtingen van de schuldeiser die uit het schuldeiserschap of uit de nevenrechten voortvloeien.1 Verplichtingen die uit het schuldeiserschap voortvloeien zijn bijvoorbeeld de verplichting om zich jegens de schuldenaar te gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 1 BW); de verplichting tot afgifte van een kwitantie en de bij de vordering behorende bewijsstukken bij voldoening van de vordering (art. 6:48 lid 1 en lid 2 BW); de zorgverplichting ten aanzien van een ontvangen zaak als de koper deze voornemens is te weigeren (art. 7:29 lid 1 BW); en bij verzekering, de verplichting van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde om, zodra hij van de verwezenlijking van het risico op de hoogte is of behoort te zijn, zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is, de verzekeraar de verwezenlijking te melden (art. 7:941 lid 1 BW).2 Verplichtingen die voortvloeien uit de nevenrechten zijn bijvoorbeeld de zorgverplichting van de pandhouder ten aanzien van het verpande goed dat hij onder zich heeft (art. 3:243 lid 1 BW); de verplichting om de pandgever kennis te geven van de verkoop van het pand (art. 3:249 BW); de verplichting om na executie het overschot aan de pandgever uit te keren (art. 3:253 lid 1 BW); de verplichting van de pandhouder om bij het tenietgaan van het pandrecht de pandgever de feitelijke macht over het verpande goed te laten herkrijgen en desverlangd aan de pandgever een schriftelijk bewijs te verstrekken dat het pandrecht geëindigd is (art. 3:256 BW); de verplichting van de hypotheekhouder om bij beëindiging van het hypotheekrecht aan de hypotheekgever een verklaring af te geven dat het hypotheekrecht vervallen is (art. 3:274 BW); en de verplichting van de schuldeiser die de hoofdschuldenaar overeenkomstig art. 6:82 BW in gebreke stelt, om de borg hiervan tegelijkertijd mededeling te doen (art. 7:855 lid 2 BW).
De derde categorie zijn de proceskosten. Zij zijn besproken in hoofdstuk 6, waar kortheidshalve naar wordt verwezen.3
De vierde categorie zijn de tegenvorderingen van de schuldenaar die ontstaan als hij de vordering heeft betaald, en vervolgens de onderliggende overeenkomst wordt ontbonden of vernietigd, en op de schuldeiser uit dien hoofde een ongedaanmakingsverbintenis (art. 6:271 BW) respectievelijk een verbintenis uit onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW) komt te rusten. Onder deze categorie vallen ook de verbintenissen uit onverschuldigde betaling die ontstaan na de voldoening door de schuldenaar van een verbintenis onder opschortende voorwaarde, in het geval dat de voorwaarde nog niet in vervulling is gegaan (art. 6:25 BW) en na de betaling door de schuldenaar van een alternatieve verbintenis voordat de schuldeiser (of een derde) zijn keuze heeft uitgebracht.4 Hiermee zijn voorts vergelijkbaar het geval waarin de schuldeiser een betaling op een uitgesloten rekening weigert, in welk geval hij het bedrag dient terug te betalen,5 alsmede het geval waarin een inningsonbevoegde krachtens art. 6:33 BW tot terugbetaling van het aan hem betaalde verplicht is.